<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T11:52:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/687</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:9830" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:9830, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1753</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025111105</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/2378</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2294</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2143">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-05T11:37:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2143 Gerechtshof Den Haag , 08-07-2025 / BK-24/687</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2143:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag bpm. De naheffingsaanslag is aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. De vergoeding van immateriële schade is juist vastgesteld. De proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht zijn onjuist vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2143:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-24/687</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 8 juli 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] )</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juni 2024, nummer SGR 22/4322.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.902 (de naheffingsaanslag).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para>- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 600;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 900;</para>
      <para>- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50;</para>
      <para>- draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 92 aan eiseres te vergoeden;</para>
      <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92 aan eiseres te vergoeden;</para>
      <para>- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 16 december 2024. Belanghebbende heeft een nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 24 april 2025 alsmede 12, 13, 16 en 26 mei 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.293 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volvo XC60 (de auto). De datum van eerste toelating is 30 juni 2014. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 maart 2020. In de aangifte is het RSIN van belanghebbende vermeld. In het vak ‘naam onderneming’ onder de rubriek ‘De aangever/vergunninghouder is een’ is vermeld: ‘ [A B.V.] ’, de bestuurder van belanghebbende. Op het vermelde adres in [woonplaats] is zowel belanghebbende als [A B.V.] gevestigd. Als e-mailadres is vermeld: ‘ [e-mailadres] ’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [A B.V.] heeft de auto op 1 maart 2019 gekocht voor € 10.500 en op 2 maart 2020 verkocht voor € 14.000.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 78.985 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 11.861. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 9.511 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 2.350. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 43.557 (CO2-uitstoot van 261 gr/km).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft een bedrag van € 5.902 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich mede gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 27 februari 2020. De Inspecteur heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 86.435 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.549. DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto eveneens is bepaald op € 14.549 (afschrijving van 83,17%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 43.557 (CO2-uitstoot van 261 gr/km). De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 135 toegepast. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Belastingplichtige</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiseres heeft gesteld dat de naheffingsaanslag niet aan haar had mogen worden opgelegd maar aan [A B.V.]</para>
    <para>6. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een onjuiste tenaamstelling van een aanslag in het algemeen niet kan leiden tot een betalingsverplichting. Deze regel leidt evenwel uitzondering wanneer de tenaamstelling een zodanige geringe onvolkomenheid bevat dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan voor wie de toegezonden aanslag is bestemd. De rechtbank stelt vast dat het RSIN nummer op de naheffingsaanslag overeenkomt met het RSIN nummer zoals vermeld op de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank zou het duidelijk moeten zijn om welke belanghebbende het gaat en is het ook duidelijk om welke auto het gaat. Steun hiervoor ontleent de rechtbank aan de omstandigheid dat zowel het bezwaarschrift en het beroepschrift zijn ingediend namens eiseres. Bovendien zijn eiseres en de BV aan elkaar gelieerd. Er kan daarom, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs geen misverstand bestaan over voor wie de naheffingsaanslag bestemd is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoorplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiseres drie maal uitgenodigd voor een hoorgesprek. De op 27 september 2021 en 7 oktober 2021 geplande hoorgesprekken zijn door eiseres afgezegd. Vervolgens is eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek op 14 oktober 2021. Daarop heeft eiseres laten weten dat door onder meer een dreigende vordering van de Landsadvocaat het hoorgesprek geen doorgang kon vinden. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Verweerder heeft eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schending artikel 110 van het VWEU</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (Wet Bpm) is Bpm verschuldigd terzake van de registratie van een personenauto in het kentekenregister. De Bpm betreft een binnenlandse belasting. Artikel 110 van het VWEU verbiedt de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, hogere binnenlandse belastingen te heffen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Voor de hoogte van de verschuldigde Bpm moet worden uitgegaan van de waarde van de auto ten tijde het belastbare feit. In artikel 10 van de Wet Bpm is geregeld hoe voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde Bpm wordt bepaald. Die regeling houdt in dat op het bij de personenauto behorende bedrag aan Bpm, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2 van de Wet Bpm, een vermindering in acht wordt genomen vanwege de gebruikte staat. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. Op de belastingplichtige rust de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering.[1] Artikel 110 van het VWEU verzet zich niet daartegen.[2] Door de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende methoden ter bepaling van de vermindering, biedt de in de Wet Bpm opgenomen regeling de mogelijkheid om te komen tot een heffing van Bpm die in overeenstemming is met artikel 110 van het VWEU.[3] Eiseres heeft gekozen voor een aangifte met een taxatierapport. Het door eiseres overgelegde taxatierapport kan, gelet op hetgeen hierna onder 14 tot en met 16 en 18 is overwogen, echter niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Het beroep dat eiseres in dit kader doet op artikel 110 van het VWEU, faalt dan ook.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naheffen na belastbaar feit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiseres stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting terzake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 van het VWEU.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Unierechtelijk verdedigingsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiseres bij brief van 29 januari 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strijd met het Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[4].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leemte in de wetgeving</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eiseres heeft gewezen op een door haar geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiseres immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat het taxatierapport van eiseres kennelijk niet de toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijft. Alleen als dat het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Eiseres heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het door DRZ opgestelde rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto.</para>
    <para>In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.[5]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Eiseres dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet aangetroffen door DRZ. Nu eiseres de schadetaxatie van DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken, is eiseres niet geslaagd in het van haar te vergen bewijs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 8 van de Uitvoeringsregeling het motorrijtuig gedurende zes dagen na de indiening van de aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden teneinde het motorvoertuig te tonen. Zo eiseres al eerder was begonnen met schadeherstel, kan verweerder dat niet worden tegengeworpen.</para>
    <para />
    <para>15. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Nog daargelaten dat DRZ geen schade heeft vastgesteld, heeft eiseres ook niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.</para>
    <para />
    <para>16. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade, behoeft de stelling van eiseres met betrekking tot de reparatietarieven geen behandeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>17. Eiseres stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023,[6] op het standpunt dat de historische nieuwprijs van de auto moet worden vastgesteld op € 71.852. Bij de berekening is eiseres uitgegaan van de door DRZ vastgestelde netto catalogusprijs. De historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op basis van de netto cataloguswaarde van de auto vermeerderd met de omzetbelasting op het tijdstip van levering en de Bpm die zou zijn verschuldigd op het tijdstip van eerste ingebruikneming.</para>
    <para />
    <para>18. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. De wijze waarop de taxateur de handelsinkoopwaarde heeft vastgesteld is ondeugdelijk en bij controle door DRZ is geen schade, anders dan normale gebruikssporen, vastgesteld. Eiseres heeft deze constatering niet (gemotiveerd) weersproken. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport. Volgens het hiervoor onder 8 beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Verweerder heeft echter een praktijk ontwikkeld, waarbij in gevallen als het onderhavige, eerst wordt bezien of op basis van de door DRZ vastgestelde feiten de werkelijke afschrijving bij benadering kan worden vastgesteld. De naheffing wordt gebaseerd op de voor de belastingplichtige meest gunstige uitkomst. In dit geval is verweerder voor de naheffing uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 83,17% in plaats van de afschrijvingstabel. DRZ heeft vastgesteld dat de auto niet voorkomt op enige koerslijst in Nederland, maar dat de Volvo – XC60 – 3.0 T6 momentum met een motor van 2.953 cc een wel in Nederland in handel gebrachte auto van hetzelfde merk is, die voor wat betreft de technische uitvoering vrijwel gelijk is aan de auto (de referentieauto). DRZ heeft verder vastgesteld dat de handelsinkoopwaarde van de referentieauto in onbeschadigde staat volgens de voor eiseres meest gunstige koerslijst, de XRAY koerslijst, € 16.903 op 11 april 2019 bedroeg. DRZ heeft geen schade geconstateerd. Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat de handelsinkoopwaarde van de referentieauto volgens de XRAY koerslijst (marge) op 19 januari 2021 € 14.549 bedroeg, en is voor de vaststelling van het afschrijvingspercentage uitgegaan van dit bedrag. De netto catalogusprijs van de referentieauto is € 92.710. Voor de vaststelling van de afschrijving is de historische nieuwprijs van de referentieauto afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. Dit leidt tot een hogere afschrijving dan de afschrijving volgens de forfaitaire tabel. Verweerder heeft verder rekening gehouden met een extra leeftijdskorting van € 135.</para>
    <parablock>
      <para>Nu het gaat om een auto die niet op enige koerslijst voorkomt en die schade heeft, acht de rechtbank de handelwijze van verweerder volledig acceptabel. Eiseres heeft geen (juist) gebruik gemaakt van de mogelijkheid om door overlegging van een deugdelijk taxatierapport de werkelijke waardedaling van de auto aannemelijk te maken. De bewijslast voor de vermindering ligt volledig bij eiseres. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de naheffingsaanslag niet te hoog heeft vastgesteld.</para>
      <para>Aan de stelling van eiseres dat verweerder op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van Eurotax ten onrechte geen vermindering van 15% wegens de bijstelling markt- en dealersituatie heeft toegepast, gaat de rechtbank dan ook voorbij, nu geen historische uitdraai van de Eurotax koerslijst aanwezig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">CO2 uitstoot</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is aangesloten bij de door eiseres in haar aangifte vermelde CO2-uitstoot van 261 gram per kilometer. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding van een lagere uitstoot uit te gaan dan eiseres in de aangifte heeft vermeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Leeftijdskorting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>20. Eiseres heeft in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden is voor toepassing van extra leeftijdskorting. Dit terwijl er, naar verweerder ook op wijst, reeds een extra leeftijdskorting van € 135 is toegepast. De bewijslast voor belastingverlagende omstandigheden rust op eiseres.[7] Die bewijsregel geldt ook indien de Bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiseres heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Zij heeft geen berekeningen overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ex-rental</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>21. Eiseres stelt dat moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een verhuurverleden (ex-rental) en dat daarom de verschuldigde belasting moet worden verminderd met 10%. Het zijn van een ex-rental is echter een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013.[8] Eiseres heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto een ex-rental auto is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuigen met een verhuurverleden.[9]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tarief 2016</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de datum van eerste toelating van de auto 28 februari 2017 is en dat deze datum door de RDW is gewijzigd, waardoor het tarief van 2016 voor haar voordeliger is. Uit de stukken van de RDW blijkt echter niet van een wijziging van de datum van eerste toelating. Aldus geldt als datum van eerste toelating 30 juni 2014. Eiseres kan dan ook geen beroep doen op het tarief van 2016. Bovendien is verweerder bij de berekening van de naheffingsaanslag uitgegaan van het (voordeligere) tarief van 2014. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat de datum van eerste toelating van de auto 28 februari 2014 is, kan dit haar evenmin baten. Gesteld noch gebleken is dat het tarief van 2013 voor eiseres voordeliger zou zijn. Verweerder heeft dan ook terecht het tarief van 2014 toegepast.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verschuldigde Bpm</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de verschuldigde Bpm te hoog heeft berekend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Prejudiciële vragen en bevoegdheid rechtbank Unierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>24. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
    <para />
    <para>25. Eiseres heeft verder nog gesteld dat nationale (rechterlijke) instanties onbevoegd zijn het recht van de Unie (bindend en rechtsgeldig) uit te leggen en heeft daarvoor verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 22 februari 2022.[10] </para>
    <para />
    <para>26. Dit standpunt van eiseres is juridisch onjuist en praktisch onuitvoerbaar. De rechtbank is gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt de rechtbank zich.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rentevergoeding over teruggaaf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>27. Aangezien uit het voorgaande volgt dat eiseres niet teveel Bpm heeft betaald, behoeft de vraag of over een teruggaaf van Bpm rente moet worden vergoed geen behandeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>28. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>29. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 9 april 2021 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 11 juni 2024 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase (afgerond) drie jaar en drie maanden heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en drie maanden.</para>
    <para />
    <para>30. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtiging volgt dat schadevergoedingen aan de gemachtigde moeten worden uitbetaald, maar niet dat ze aan hem toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan.[11] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. De termijnoverschrijding is voor negen maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor zes maanden aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 900 (9/15e deel) te vergoeden en de Staat dient een bedrag van € 600 (6/15e deel) te vergoeden.</para>
    <para>31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006[12], leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiseres recht heeft op een vergoeding van € 1.000 tot € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd alsmede dat zij recht heeft op een “bonus” van € 2.000.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>32. De rechtbank ziet wegens de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op afgerond € 219 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25).[13] Ook het geheven griffierecht van € 365 moet worden vergoed. Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten en het griffierecht door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.[14]</para>
    <para />
    <para>33. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van eiseres dat aan artikel 47 van het Handvest een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiseres heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het hem onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>34. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt. Eiseres heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is geen belemmering gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.</para>
      <para>[2] vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.</para>
      <para>[3] vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.5.</para>
      <para>[4] ECLI:NL:HR:2022:1277</para>
      <para>[5] vgl. gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1404, r.o. 5.6.2</para>
      <para>[6] ECLI:NL:HR:2023:1703</para>
      <para>[7] ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318</para>
      <para>[8] ECLI:EU:C:2013:857</para>
      <para>[9] vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331</para>
      <para>[10] EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72</para>
      <para>[11] ECLI:NL:GHDHA:2023:1451</para>
      <para>[12] ECLI:NL:XX:2006:AW8901</para>
      <para>[13] vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 en Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567</para>
      <para>[14] ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2”</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende en tot het juiste bedrag is opgelegd en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de (immateriële) schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende omdat de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uitstel van de zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.1.</nr>
      <para>De gemachtigde van belanghebbende heeft meermaals verzocht om aanhouding van de zaak wegens een ongeluk en de daarbij opgelopen sleutelbeenbreuk, gekneusde ribben en schouder. Het Hof heeft de verzoeken afgewezen, omdat de medische verklaringen die de gemachtigde heeft overgelegd niet helemaal duidelijk zijn over de precieze beperkingen die de gemachtigde op de datum van de zitting zou hebben. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de gemachtigde in alle zeven zaken van deze zitting uitvoerige nadere stukken heeft ingediend, zodat bij het Hof verwarring ontstond over in hoeverre de gemachtigde aan een zitting kon deelnemen. Het Hof heeft uit de motivering begrepen dat vooral de reis van [buitenland] naar Den Haag een probleem vormde. Het Hof vond dit niet voldoende voor uitstel, omdat het altijd mogelijk is om een alternatieve manier van vervoer te regelen of om iemand te vragen als chauffeur te dienen. Bij dit besluit heeft ook meegewogen dat de gemachtigde heel veel zaken heeft en het niet altijd mogelijk is om genoeg zittingsruimte in zijn agenda te reserveren. Het Hof is verplicht om zaken binnen een redelijke termijn af te doen, zodat het belang van tijdige rechtspraak ook in het nadeel van de gemachtigde heeft gewerkt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.2.</nr>
      <para>Uiteindelijk is de gemachtigde op tijd verschenen, gebracht door zijn echtgenote, en heeft de gemachtigde een zeer uitvoerig betoog gehouden over alle zaken. Uiteindelijk zijn de zaken volledig behandeld en heeft het Hof alle informatie gekregen om de zaken – waaronder deze – af te doen. De overige verzoeken om uitstel dan wel aanhouding zijn gebaseerd op juridische argumenten. De belangen van belanghebbende zijn door de afwijzing van het uitstelverzoek niet geschaad, wat de belangrijkste constatering is.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belastingplichtige</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag niet aan haar, maar aan [A B.V.] had moeten worden opgelegd. Tot 1 januari 2022 is de belastingplichtige de persoon op wiens naam het kenteken wordt geregistreerd. Ter zitting is komen vast te staan dat het kenteken nooit op naam van belanghebbende is geregistreerd. De Inspecteur heeft belanghebbende ten onrechte als belastingplichtige aangemerkt. Dat onder het RSIN van belanghebbende aangifte is gedaan – het Hof laat onbesproken door welke vennootschap – maakt dit, anders dan de Inspecteur bepleit, niet anders. Het is niet mogelijk om uit praktische overwegingen een andere persoon als belastingplichtige aan te wijzen als in de wet deze persoon niet als belastingplichtige is aangewezen. Het Hof zal de naheffingsaanslag vernietigen, evenals de beschikking belastingrente. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunten over de naheffingsaanslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het Hof laat de materiële standpunten over (de hoogte van) de naheffingsaanslag onbesproken, gelet op de conclusie van het Hof dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de formele standpunten die volgens belanghebbende moeten leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag, met inbegrip van de verzoeken om aanhouding anders dan het hiervoor behandelde verzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2.</nr>
        <para>De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.3.</nr>
        <para>Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):</para>
        <para>- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;</para>
        <para>- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en</para>
        <para>- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.4.</nr>
        <para>Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde (Gerechtshof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638).</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Kostenvergoeding in bezwaar </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.1.</nr>
        <para>Belanghebbende heeft in haar nader stuk in hoger beroep om een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase verzocht. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.5.2.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat zij recht heeft op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof zal de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Kostenvergoeding in beroep</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.1.</nr>
        <para>Nu de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente worden vernietigd, zal het Hof ook de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase opnieuw vaststellen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.6.2.</nr>
        <para>Belanghebbende stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, op het standpunt dat zij recht heeft op een aanvullende proceskostenvergoeding voor beroep van € 218,75. Immers, aldus belanghebbende, dient aan het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade afzonderlijk een punt te worden toegekend met een wegingsfactor 0,25. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het arrest. De omstandigheid dat bij een ongegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie aanleiding is toch een proceskostenvergoeding toe te kennen bij een honorering van een verzoek om vergoeding van immateriële schade zorgt ervoor dat daarvoor een punt moet worden toegekend, maar sinds voornoemd arrest met een wegingsfactor 0,25 (en zulks in afwijking van het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1). Daaruit volgt niet dat bij een gegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie waarbij belanghebbende in het gelijk wordt gesteld een extra punt wordt toegekend met een wegingsfactor 0,25 bij honorering van een bijkomend verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het verzoek om een vergoeding van immateriële schade gaat dan op in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’.</para>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verzoek vergoeding van (immateriële) schade</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.7.1.</nr>
        <para>De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd, vermeerderd met € 2.000 voor het gewicht van de zaak. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.7.2.</nr>
        <para>Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Daarbij is gelet op het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten en griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als hierna berekend. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift à € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting à € 907 x 0,25 (gewicht van de zaak)). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). Het Hof kent voor het als conclusie van repliek/pleitnota aangeduide stuk geen procespunt toe, omdat belanghebbende voor de indiening daarvan geen toestemming heeft gevraagd. Het Hof zal de Inspecteur opdragen de proceskosten aan belanghebbende te vergoeden, onder aftrek van het bedrag waartoe de Staat door de Rechtbank is veroordeeld (€ 109,50), derhalve uiteindelijk nog tot een bedrag van € 2.805.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale proceskostenvergoeding. Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen de Rechtbank heeft overwogen in overweging 33 van haar uitspraak. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft per abuis de Inspecteur en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) opgedragen onjuiste bedragen aan het voor de behandeling in beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Het Hof zal daarom de Inspecteur opdragen het voor het beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 365 aan belanghebbende te vergoeden, onder aftrek van het bedrag waartoe de Staat door de Rechtbank is veroordeeld (€ 92), derhalve uiteindelijk nog tot een bedrag van € 273.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 door de Inspecteur te worden vergoed. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat, gelijk reeds onder 5.4.4 overwogen, geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, het griffierecht ten laste van de Staat, de proceskostenveroordeling ten laste van de Staat en de bepaling van de termijn voor wettelijke rente daarover;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de naheffingsaanslag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 2.805;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gelast de Inspecteur het griffierecht tot een bedrag van € 832 te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, E.P.A. Brakeboer en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>T.S.K.L. Tjon	A. van Dongen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 8 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>