<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:2141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T16:02:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-24/702 en BK-24/703</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:11625" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:11625, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2141">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T16:00:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:2141 Gerechtshof Den Haag , 26-06-2025 / BK-24/702 en BK-24/703</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2141:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslagen bpm. VWEU. Geen waardevermindering wegens schade. Geen aanpassing handelsinkoopwaarde. Soortgelijkheid. Herleidingsmethode. De proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade zijn juist vastgesteld. Vergoeding griffierecht per abuis op het verkeerde bedrag vastgesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:2141:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummers BK-24/702 en BK-24/703</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 26 juni 2025</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: S.M. Bothof) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2024, nummers SGR 23/4422 en SGR 23/5383.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan belanghebbende zijn twee naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraken op bezwaar van 1 juni 2023 (SGR 23/4422) en van 11 juli 2023 (SGR 23/5383) heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren afgewezen en de naheffingsaanslagen gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is eenmaal € 184 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verklaart de beroepen ongegrond;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 279. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 15 mei 2025. De Inspecteur heeft een op 16 mei 2025 ingekomen nader stuk ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Auto 1 (BK-24/702)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft ter zake van een Porsche Cayenne Coupé (auto 1) op aangifte € 18.291 aan bpm voldaan. De afschrijving is gebaseerd op een taxatierapport (taxatierapport 1). Hierbij is gebruik gemaakt van de koerslijst X-Ray. De historische nieuwprijs van de auto is in het taxatierapport vastgesteld op € 152.028, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 66.808 en in beschadigde staat op € 56.000. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft op verzoek van de Inspecteur een hertaxatie uitgevoerd. In het DRZ-rapport wordt geen melding gemaakt van schade. DRZ heeft een waardebepaling gemaakt op basis van de koerslijst X-Ray. Gelet hierop heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd op basis van een handelsinkoopwaarde van € 73.589. De naheffingsaanslag is daarbij vastgesteld op (€ 22.667 -/- € 18.291 =) € 4.376 (naheffingsaanslag 1).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Auto 2 (BK-24/703)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft ter zake van een Porsche 911 Carrera (auto 2) op aangifte € 14.099 bpm voldaan. De afschrijving is gebaseerd op een taxatierapport (taxatierapport 2). De historische nieuwprijs van de auto is in het taxatierapport vastgesteld op € 155.207, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 84.346 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 64.830.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>DRZ heeft op verzoek van de Inspecteur een hertaxatie uitgevoerd. In het DRZ-rapport wordt een schade van € 253 (72% van € 351) vermeld. Daarop heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd op basis van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 84.475. De naheffingsaanslag bedraagt (€ 18.190 -/- € 14.099 =) € 4.091 (naheffingsaanslag 2).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Auto 1 (SGR 23/4422)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[1] bepaalt de Wet Bpm 1992 dat het afschrijvingspercentage bij toepassing van de koerslijst- of taxatiemethode moet worden bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de historische nieuwprijs. De historische nieuwprijs betreft de som van de catalogusprijs van het te registreren voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren voertuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen. Gelet hierop is verweerder voor de berekening van de historische nieuwprijs ten onrechte uitgegaan van een CO2-uitstoot van 212 gr/km voor auto 1.[2] Hij had uit moeten gaan van een CO2-uitstoot van 274 gr/km. De netto catalogusprijs van auto 1 is tussen partijen (in beroep) niet in geschil. Het gelijk op dit punt is aan eiser.</para>
    <para />
    <para>8. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van auto 1, rust op eiser.[3] Eiser heeft daarvoor verwezen naar taxatierapport 1. DRZ heeft de gestelde schade niet aangetroffen. Het verschil tussen de inhoud van taxatierapport 1 en die van het verslag van DRZ leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of het taxatierapport de staat van de auto weergeeft ten tijde van de aangifte, hetgeen wel een vereiste is dat aan een taxatierapport wordt gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is taxatierapport 1 bovendien niet betrouwbaar omdat de handelsinkoopwaarde na aftrek van de schade is vastgesteld op € 56.000, terwijl eiser blijkens de inkoopfactuur € 103.530 voor de auto heeft betaald.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser heeft verder aangevoerd dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto. Verweerder noch DRZ is echter gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.</para>
    <para />
    <para>10. Nu niet aannemelijk is dat sprake is van schade aan auto 1 op het moment van aangifte, dient het taxatierapport buiten beschouwing te worden gelaten. De conclusies van DRZ volgt de rechtbank evenmin omdat toepassing van de koerslijst in dit geval niet mogelijk is gelet op het grote verschil in CO2-uitstoot tussen auto 1 (274 gr/km) en de referentievoertuigen (212 gr/km). Daar komt bij dat DRZ de netto catalogusprijs heeft verhoogd met € 28.888, zijnde overige pakketten en accessoires. Het is de rechtbank niet duidelijk waar dit bedrag betrekking op heeft. Gelet op de onbruikbaarheid van het taxatierapport en de koerslijst, dient de afschrijving te worden vastgesteld aan de hand van de tabel. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat naheffingsaanslag I dan eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Auto 2 (SGR 23/5383)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van auto 2, rust op eiser.[4] Eiser heeft daarvoor verwezen naar taxatierapport 2. DRZ heeft slechts een zeer klein deel van de gestelde schade aangetroffen. Eiser heeft met taxatierapport 2 niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer schade dan door DRZ in aanmerking is genomen. De rechtbank kan uit de foto’s in taxatierapport 2 niet afleiden dat er sprake is van meer schade. Daar komt bij dat de handelsinkoopwaarde na aftrek van schade in taxatierapport 2 is vastgesteld op € 64.830, terwijl eiser blijkens de inkoopfactuur € 129.099 voor de auto heeft betaald. De verwijzing van eiser naar beleid dat binnen de branche is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel gelet op hetgeen onder 9. is overwogen.</para>
    <para />
    <para>12. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Zijn standpunt dat de leeftijd en de kilometerstand van de auto een percentage van 100% rechtvaardigen, heeft eiser onvoldoende onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>13. Eiser heeft nog aangevoerd dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich er tegen verzet dat er een hogere Bpm op de auto rust dan de herrekende bruto Bpm die is vastgesteld bij vergelijkbare voertuigen die zich op het moment van registratie reeds op de Nederlands markt bevonden. De verschuldigde Bpm dient daarom te worden herleid uit de herrekende bruto Bpm van de eerder ingevoerde vergelijkbare voertuigen (de herleidingsmethode).</para>
    <para />
    <para>14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat er op basis van de artikelen 9 en 10 Wet Bpm 1992 slechts drie methoden zijn om de verschuldigde Bpm te berekenen bij invoer van een gebruikte auto. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingmethode van eiser behoort daar niet toe. Ook leidt artikel 110 VWEU niet tot aanvaarding van de herleidingsmethode.[5]</para>
    <para />
    <para>15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vergoeding van immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen naheffingsaanslag I op 9 mei 2022 en tegen naheffingsaanslag II op 5 oktober 2022 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank is van 10 juli 2024. Daarmee is de redelijke termijn alleen overschreden in de zaak met zaaknummer SGR 23/4422. De overschrijding bedraagt (afgerond) drie maanden. Dit betekent dat eiser recht heeft op isv tot een bedrag van € 500. Aangezien verweerder op 1 juni 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding te worden toegerekend aan de bezwaarfase.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[6]. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25). Voor een proceskostenvergoeding vanwege de late indiening van het verweerschrift en de stukken ziet de rechtbank, gelet op hetgeen onder 6. is overwogen, geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] ECLI:NL:HR:2023:1703.</para>
      <para>[2] ECLI:NL:GHDHA:2024:741.</para>
      <para>[3] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2.</para>
      <para>[4] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2.</para>
      <para>[5] Vgl. ECLI:NL:GHDHA:2024:918.</para>
      <para>[6] ECLI:NL:HR:2023:1526.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of voor auto 1 de juiste CO2-uitstoot is toegepast en of de historische nieuwprijs voor auto 1 juist is berekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en:</para>
      <para>- primair tot vernietiging van naheffingsaanslag 1 en naheffingsaanslag 2;</para>
      <para>- subsidiair tot vermindering van naheffingsaanslag 1 tot € 1.898. </para>
      <para>Voorts concludeert belanghebbende tot vergoeding van de gemaakte proceskosten in hoger beroep en tot veroordeling van betaling van het juiste bedrag aan griffierecht van eenmaal <?linebreak?>€ 184 voor beide zaken in beroep bij de Rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waardevermindering wegens schade (auto 1)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt primair dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met aanwezige schade. Uit het in zijn opdracht opgestelde taxatierapport en de bijgevoegde schadecalculatie volgt volgens belanghebbende dat sprake is van schade die ten onrechte niet in aanmerking is genomen door DRZ. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur daarom ten onrechte geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.2.</nr>
      <para>Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van auto 1 ten tijde van het doen van de aangifte bpm sprake was van schade, andere dan normale gebruikssporen, dan door de Inspecteur is onderkend. De enkele verwijzing naar het taxatierapport met de bijgevoegde schadecalculatie is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en het rapport van DRZ. De foto’s in het taxatierapport tonen de in de schadecalculatie opgenomen gebreken en schade niet. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Handelsinkoopwaarde (auto 1)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt subsidiair dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot € 1.898 omdat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gebruikte koerslijst niet kan dienen vanwege het grote verschil in CO2 -uitstoot tussen de ingevoerde auto (274 gr/km) en de referentieauto (212 gr/km). Belanghebbende betoogt dat nu in het onderhavige geval de taxatiemethode wordt toegepast, de inkoopwaarde mag worden bepaald aan de hand van de koerslijstwaarde van een zo goed mogelijk vergelijkbaar voertuig. De Inspecteur doet een beroep op interne compensatie en stelt dat de koerslijst X-Ray niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde te bepalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.2.</nr>
      <para>Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stellingen. Uit het arrest Hoge Raad, 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, BNB 2024/63, volgt dat bij toepassing van de taxatiemethode bij de bepaling van waardedaling van een ingevoerde auto gebruik kan worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig als opgenomen in een koerslijst. Deze handelsinkoopwaarde is evenwel slechts een uitgangspunt. In het onderhavige geval kan de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig niet als uitgangspunt dienen. Daarvoor zijn de verschillen tussen auto 1 en het referentievoertuig te groot. Niet alleen verschillen auto 1 en het referentievoertuig aanzienlijk in CO2-uitstoot, ook heeft auto 1 een veel rijkere uitrusting dan het referentievoertuig. Daarnaast blijkt de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig wanneer deze wordt gebaseerd op de koerslijst AutotelexPro op een - veel hogere - waarde van circa € 114.000 uit te komen. Voorts heeft belanghebbende zelf € 103.530 voor de aankoop van auto 1 betaald. Dit alles maakt dat niet aannemelijk is geworden dat de handelsinkoopwaarde van € 73.589 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het is eerder aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde van auto 1 op een te laag bedrag is bepaald. Er is dan ook geen aanleiding de naheffingsaanslag verder te verminderen. Het Hof verwerpt de subsidiaire stelling van belanghebbende ten aanzien van auto 1.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Herleidingsmethode (auto 2)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de zogenoemde herleidingsmethode. De Inspecteur heeft de juistheid van deze methode betwist onder verwijzing naar het wettelijke systeem en de onvergelijkbaarheid van de referentievoertuigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.2.</nr>
      <para>Het Hof verwerpt de herleidingsmethode van belanghebbende. Hetgeen de Rechtbank op dit punt in haar overwegingen 13 en 14 heeft overwogen, neemt het Hof over. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch gebleken, die tot een ander oordeel leiden. Belanghebbende heeft zijn hoger beroep uitsluitend gegrond op de volgens hem ten onrechte niet toegepaste herleidingsmethode. Volgens belanghebbende had de verschuldigde bpm met toepassing van deze methode moeten worden berekend. De Inspecteur heeft de juistheid van deze methode betwist onder verwijzing naar het wettelijke systeem en de onvergelijkbaarheid van de referentievoertuigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Belanghebbende klaagt terecht over de hoogte van het griffierecht tot vergoeding waarvan de Inspecteur werd veroordeeld door de Rechtbank. De Rechtbank heeft de Inspecteur per abuis veroordeeld tot betaling van griffierecht van € 50 in plaats van € 184. Het Hof zal dit herstellen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond, uitsluitend gelet op rechtsoverweging 5.4.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten en griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Er is aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten wegens beroepsmatige bijstand in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 100. Het hoger beroep van belanghebbende slaagt uitsluitend op de grond dat de Rechtbank per abuis de Inspecteur heeft veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht tot een bedrag van € 50. Belanghebbende had deze misslag van de Rechtbank eenvoudig kunnen laten herstellen door contact op te nemen met de Rechtbank. Gelet op deze bijzondere omstandigheden ziet het Hof aanleiding de te vergoeden proceskosten te matigen tot het bedrag van € 100. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van respectievelijk € 184 en € 279 te worden vergoed.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover het de beslissing van de Rechtbank inzake het griffierecht betreft;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 100;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal <?linebreak?>€ 463 te vergoeden. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>T.S.K.L. Tjon	W. de Wit</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>