<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:1579</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T17:16:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-002121-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:1579">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:1579</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T17:16:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:1579 Gerechtshof Den Haag , 03-07-2025 / 22-002121-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:1579:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak criminele organisatie. Bereiden en bewerken harddrugs.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:1579:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Rolnummer:		22-002121-22 </para>
    <para>Parketnummer: 	09-767140-21 </para>
    <para>Datum uitspraak:	3 juli 2025</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboorteplaats] 1976,</para>
      <para>adres: [woonadres], [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het inbeslaggenomen voorwerp.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>(Criminele organisatie) </para>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of met meerdere andere (onbekend gebleven) personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)(ven) als bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet en/of artikel 10a van de Opiumwet;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. </para>
    <parablock>
      <para>(Verkoop) </para>
      <para>hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(Voorbereidingshandelingen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) zich en/of één of meer anderen meermalen, althans eenmaal, gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, immers heeft hij/hebben zij - (met de gebruiker van het account [account 2]) inlichtingen uitgewisseld over de prijs en/of beschikbaarheid en/of samenstelling van heroïne en/of cocaïne, en/of - (bij de gebruiker van het account [account 3]) inlichtingen gevraagd over PMK en/of andere grondstoffen voor MDMA, en/of en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft/hebben gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten - een of meerdere PGP telefoon(s), en/of - meerdere geprepareerde blikjes frisdrank; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.<?linebreak?>(Cocaïnewasserij [straat]) </para>
    <parablock>
      <para>hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1; <?linebreak?></para>
      <para>Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft/hebben gehad waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten - een centrifuge, en/of - een hoeveelheid ammoniak, en/of - 25 kilo, althans enige hoeveelheid van het middel levamisol (versnijdingsmiddel); </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.<?linebreak?>(Witwassen ivm geld in woning) </para>
    <para>hij op of omstreeks 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een geldbedrag, te weten 3900 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen, omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 9 maart 2021 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een geldbedrag, te weten 3900 euro voorhanden heeft gehad onmiddellijk afkomstig uit enig eigen misdrijf; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaten-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ten aanzien van het onder 1, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven zal worden bij de einduitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak feiten 1, 2 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair en nadere bewijsoverweging feit 3 primair</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feit 2, handel in harddrugs subsidiair voorbereidingshandelingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair ten laste gelegde is – in de kern bezien – gebaseerd op de inhoud van de door de gebruiker van het SkyECC-account [account 1] verzonden en ontvangen chatberichten. In hoger beroep is onder meer de volledige dataset van genoemd SkyECC-account verstrekt en is een proces-verbaal opgemaakt dat ziet op een vergelijking tussen de historische verkeersgegevens van het toestel dat gebruikt is in combinatie met genoemd SkyECC-account met de historische verkeersgegevens van de telefoon (‘privélijn’) in gebruik bij de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode. Mede gelet op de inhoud daarvan komt het hof – gelijk het standpunt van de advocaten-generaal en de verdediging – tot het oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte de gebruiker is geweest van het SkyECC-account [account 1]. Het hof zal de verdachte dan ook van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijspreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onder 2 subsidiair aan de verdachte verweten voorbereidingshandelingen zien ten eerste – kort gezegd – op het uitwisselen van inlichtingen met en/of het verkrijgen van inlichtingen bij een tweetal SkyECC- accounts, te weten [account 2] en [account 3] en het voorhanden hebben van een of meerdere PGP-telefoons. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte de gebruiker is geweest van het SkyECC-account [account 1]. Dat de verdachte voorts over een of meerdere PGP-telefoons zou beschikken, volgt niet uit het dossier. Om die reden acht het hof dit deel van het tenlastegelegde dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen resteert betreft het voorhanden hebben van meerdere geprepareerde blikjes frisdrank. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is in de grote slaapkamer op de eerste verdieping een tas aangetroffen met daarin een aantal blikjes frisdrank. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de bovenkant van het blikje telkens kon worden gescheiden van de rest van het blikje. In de blikjes zat een glazen potje dat was ingegoten in vermoedelijk gips. De desbetreffende verbalisant heeft hierbij opgemerkt dat het hem ambtshalve bekend is dat dergelijke blikjes gebruikt worden om goederen aan het zicht te onttrekken, zoals bijvoorbeeld verdovende middelen. De verdachte heeft verklaard deze blikjes op enig moment van een kennis gekregen te hebben en bewaard te hebben in zijn slaapkamer met als mogelijk doel deze aan zijn kinderen te geven als spaarpot. Wat er ook zij van deze verklaring, het hof acht het enkel voorhanden hebben van dergelijke blikjes onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verdachte zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen in verband met de Opiumwet. Weliswaar zijn in de woning van de verdachte goederen aangetroffen die wel in verband kunnen worden gebracht met de Opiumwet, echter deze zijn niet onder 2 subsidiair vermeld op de tenlastelegging. Deze goederen zijn  aangetroffen in de schuur en op de tweede verdieping van de woning in de gang en de slaapkamer van de dochter van de verdachte. Van een rechtstreeks verband tussen deze goederen en de blikjes is het hof onvoldoende gebleken. Het hof zal de verdachte dan ook van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feit 3, cocaïnewasserij [straat]  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 9 maart 2021 zijn onder meer de volgende goederen aangetroffen: een centrifuge, een hoeslaken met daarop 16900 gram wit poeder, meerdere (aangebroken) flessen met ammoniak en een grote hoeveelheid levamisol. Levamisol wordt ook gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne. Van de hoeveelheid wit poeder op het hoeslaken is een monster genomen en getest. De indicatieve test gaf een positief resultaat op de aanwezigheid van cocaïne en de identificerende test gaf als resultaat levamisol. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft op 28 mei 2021 bij de politie over deze goederen verklaard dat er zand bij hem thuis is aangetroffen, dat het niet van hem was, dat hij het voor iemand moest wassen en dat hij er ammoniak “in moest zetten”. De verhouding tussen het zand en de ammoniak was 3 flessen ammoniak en ongeveer een kilo (het hof begrijpt: van het zand). Hij heeft de ammoniak voor dat (het hof begrijpt: de hoeveelheid wit poeder) op het (hoes)laken gebruikt. Hij heeft het in een soort droger gewassen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg op 14 juni 2022 heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek van een ander wit poeder – de verdachte noemt dit zand - heeft gewassen met ammoniak en vervolgens heeft gedroogd met de centrifuge. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep op de pro-forma zitting van 18 augustus 2023 heeft de verdachte verklaard dat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen en dat hij het onder 3 ten laste gelegde feit bekent. De spullen zijn aan hem gegeven om drugs te maken en hij wist dat deze bedoeld waren om drugs te versnijden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij zand van familie had gekregen, dat het zand een witte kleur had, dat hij het thuis had opgeslagen en dat hij er niets mee hoefde te doen. Toen hij het zand had opgeslagen vroeg een familielid aan hem of hij synthetische drugs kon maken. De flessen ammoniak had het familielid erop gegooid. Toen moest het drogen. Hij wist dat het drugs was, aldus de verdachte. De centrifuge had hij gebruikt om water weg te halen zodat het natte zand sneller ging drogen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in de woning aan de [adres 1] te Den Haag een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt. De latere ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring van de verdachte dat niet hij maar alleen het familielid zou hebben bewerkt, volgt het hof niet, reeds nu de verdachte ook heeft verklaard dat hij zelf de centrifuge heeft gebruikt om het zand sneller te laten drogen. Dat het de verdachte is geweest die heeft bewerkt sluit voorts aan bij de eigen verklaring van de verdachte zoals hij deze bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, en de daarbij door hem gegeven details over het proces van bewerken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof begrijpt de eigen verklaring van de verdachte aldus dat hij met ‘zand’ de in de woning en de schuur aangetroffen levamisol heeft bedoeld. Dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het bewerken van – kort gezegd – cocaïne, acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven passages uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij wist dat het om drugs ging en dat de spullen bedoeld waren om drugs te versnijden. Weliswaar is in de woning van de verdachte op 9 maart 2021 poeder aangetroffen dat (enkel) een positieve reactie gaf op een indicatieve test ten aanzien van de aanwezigheid van cocaïne, hetgeen niet ook nog op grond van nader onderzoek is komen vast te staan, maar naar het oordeel van het hof is dit onder de hierboven genoemde omstandigheden voldoende voor de conclusie dat in de tenlastegelegde periode cocaïne is bewerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 mei 2025 heeft de verdachte zijn verklaring omtrent zijn wetenschap gewijzigd. Aan zijn verklaring dat hij wist dat het drugs was, heeft hij toegevoegd dat hij daar pas op een later moment mee bekend zou zijn geraakt. Het hof volgt deze gewijzigde verklaring niet. Deze verklaring strookt niet met zijn eigen eerder hierover afgelegde verklaringen, die het hof gelooft, en de verdachte er geen verklaring voor heeft dat hij eerst op een veel later moment anders verklaart. Tot slot ziet het hof anders dan het standpunt van de raadsman geen reden om de bewezenverklaarde periode te beperken in duur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel zal het hof de verdachte vrijspreken van het bestanddeel tezamen en in vereniging, nu het dossier hiervoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feit 4, witwassen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 maart 2021 is in de woning van de verdachte aan de [adres 1] te Den Haag een geldbedrag van in totaal € 3.900,- (74x € 50,- en 2x € 100,-) aangetroffen.  	</para>
      <para>In de iCOV-rapportage van de verdachte is opgenomen dat de verdachte en zijn vrouw in de afgelopen jaren samen maximaal € 23.638,- per jaar hebben verdiend (2018) terwijl het gezamenlijk inkomen in 2019 € 18.281,- bedroeg en in 2020 nihil was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de drugsgerelateerde goederen die zijn aangetroffen in deze woning, het vermoeden op zich gerechtvaardigd is dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd hebben de verdachte en zijn vrouw verklaard dat dit bedrag gespaard is door af en toe wat geld opzij te leggen en dat het voorts vakantiegeld, giften en spaargeld van de kinderen betreft. De twee coupures van <?linebreak?>€ 100,- zou de verdachte op enig moment in een café hebben gekregen na het wisselen van geld. Het hof acht die verklaringen concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onaannemelijk, mede gelet op de relatief beperkte omvang van het geldbedrag. Dat geldt ook voor de verklaring omtrent het verkrijgen van de twee coupures van € 100,-. Het openbaar ministerie heeft geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van dit geldbedrag, zodat de verdachte van zowel de primair als de subsidiair tenlastegelegde variant van dit feit dient te worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feit 1, criminele organisatie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Voor een criminele organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen. Dat binnen onderzoek Eems sprake is van een criminele organisatie die tot doel had om strafbare feiten te plegen zoals bedoeld in artikel 10 en 10a van de Opiumwet, staat niet ter discussie. Voor de deelneming is van belang dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat in de woning van de verdachte een cocaïnewasserij is aangetroffen, waarvoor de verdachte door het hof verantwoordelijk wordt gehouden. Hij zou op verzoek van een familielid drugs hebben bewerkt. De verdachte heeft niet willen verklaren wie dit familielid is en/of dit een van de medeverdachten betreft. Vier van de zes medeverdachten zijn broers van de verdachte. De verdachte is met zijn broer tevens medeverdachte [medeverdachte 2] op enig moment in de ten laste gelegde periode naar het buitenland afgereisd. Aldaar heeft een ontmoeting plaatsgevonden met zijn broer medeverdachte [medeverdachte 5] en medeverdachte [medeverdachte 6]. De aard en het doel van deze ontmoeting kan het hof op grond van het dossier niet vaststellen. Medeverdachten [medeverdachte 5]en [medeverdachte 6] kunnen in verband worden gebracht met het adres [adres 2] te Den Haag, blijkens het dossier geduid als een ontmoetingsplek voor (het sluiten van) transacties ten behoeve van de criminele organisatie. Voorts is eenmaal het SkyECC-account [account 1] gelokaliseerd op het adres van de verdachte en is de verdachte op enig moment omstreeks hetzelfde tijdstip als het SkyECC-account [account 1] op en neer naar Groningen gereisd. Ook dit SkyECC-account wordt in verband gebracht met de criminele organisatie. </para>
      <para>Het hof acht de hiervoor geschetste omstandigheden in samenhang met de in de woning van de verdachte aangetroffen cocaïnewasserij minst genomen verdacht, maar deze bieden het hof onvoldoende basis om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat dat feit ook daadwerkelijk door de verdachte in het kader van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen is verricht. Het feit dat de verdachte en vier van zijn medeverdachten broers zijn, is daartoe onvoldoende. Evenmin zijn de overige hiervoor geschetste omstandigheden daarvoor van voldoende gewicht. Dat betekent dat het hof onvoldoende bewijs aanwezig acht dat de verdachte heeft deelgenomen aan het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad in, dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij <emphasis role="strike-through">op één of meerdere tijdstip(pen)</emphasis> in <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 maart 2021 te Den Haag <emphasis role="strike-through">en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens)</emphasis> opzettelijk heeft bewerkt <emphasis role="strike-through">en/of verwerkt</emphasis>, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ernst van het feit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft zich gedurende de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan het bewerken van cocaïne in zijn woning. Het behoeft geen betoog dat het bewerken van cocaïne een belangrijke schakel vormt bij de handel in en verkoop van harddrugs. Harddrugs zijn zeer verslavend en schadelijk voor de gezondheid. Bij gebruikers die daarvoor de financiële middelen niet hebben, leidt de behoefte aan drugs bovendien in de regel tot  vermogensdelicten zoals winkeldiefstallen en woninginbraken, om zo de verslaving te kunnen financieren. De handel in harddrugs heeft aldus een bijzonder ontwrichtende invloed op de samenleving. </para>
      <para>De verdachte heeft zich kennelijk geen rekenschap gegeven van de schadelijke en ontwrichtende gevolgen van zijn gedragingen. Hij lijkt te hebben gehandeld uit puur eigen belang, uitsluitend met het oogmerk van – naar het hof veronderstelt -  financieel gewin. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Justitiële documentatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 22 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds 2006, na een veroordeling voor Opiumwetfeiten, niet meer door de strafrechter is veroordeeld.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de bij de verdachte thuis aangetroffen stoffen die als versnijdingsmiddel kunnen dienen - in totaal meer dan 25 kilogram - en de hoeveelheid lege flessen ammoniak die bij het bewerken worden gebruikt, kan worden afgeleid dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs heeft bewerkt. Het hof is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dient te volgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft voor deze strafzaak langere tijd in voorlopige hechtenis verbleven. Sinds het bevel voorlopige hechtenis is geschorst, heeft de verdachte getracht zijn leven een positieve wending te geven. Blijkens het Voortgangsverslagtoezicht aan opdrachtgever van Reclassering Nederland van 7 mei 2025 heeft de verdachte zich in het kader van zijn schorsende voorwaarden aan alle meldplichtafspraken gehouden en heeft hij zich meewerkend opgesteld. De verdachte heeft  gewerkt, maar heeft dit in verband met lichamelijke klachten enige tijd moeten staken. Recent is hij gestart als magazijnmedewerker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden in beginsel passend en geboden is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De redelijke termijn is aangevangen op 9 maart 2021. In eerste aanleg heeft de rechtbank vonnis gewezen op 12 juli 2022. De verdachte heeft een gedeelte van deze periode in voorarrest doorgebracht, zodat het hof uit gaat van een als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaar. Aldus is de redelijke termijn in eerste aanleg met 4 dagen overschreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is op 19 juli 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 19 juni 2025. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 24 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ongeveer 11 maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, de verwevenheid met de zaken van de medeverdachten en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel het tijdsverloop mede is ingegeven doordat deze strafzaak deel uitmaakt van het onderzoek Eems, een omvangrijk  onderzoek waarbij in eerste aanleg en hoger beroep meerdere verdachten gelijktijdig terecht hebben gestaan, en er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door de verdediging in diverse zaken onderzoekswensen, waaronder getuigen, zijn verzocht en ook zijn toegewezen, is het hof van oordeel dat deze omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Anders dan het openbaar ministerie is het hof dan ook van oordeel dat niet met de enkele constatering van de overschrijding volstaan kan worden. Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken, door de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden te verminderen met 4 maanden. Het hof komt aldus tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De voorlopige hechtenis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de advocaten-generaal acht het hof geen feiten en omstandigheden aanwezig die nopen tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Daarbij is onder meer van belang dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie en van het witwassen. Het hof wijst derhalve de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel acht het hof gelet op de op te leggen straf en de reeds door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd termen aanwezig om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het inbeslaggenomen voorwerp</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 3.900,- zal worden verbeurd verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat primair het gehele geldbedrag moeten worden teruggegeven aan de verdachte, subsidiair een gedeelte van dit bedrag, te weten € 3.700,-.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de teruggave gelasten van het op de beslaglijst genoemde geldbedrag van € 3.900,- nu de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde (het witwassen van een bedrag van € 3.900,-) zal worden vrijgesproken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het onder 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeelt</emphasis> de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">20 (twintig) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelast de <emphasis role="bold">teruggave</emphasis> aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:</para>
      <para>€ 3.900,- euro.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>