<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2025:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T16:31:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHDHA:2025:2533</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.279/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2025-1524</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2025-1524</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:137">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T14:27:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2025:137 Gerechtshof Den Haag , 18-02-2025 / 200.341.279/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2025:137:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidsrecht, ontslag op staande voet, dringende reden. Overtreding nevenwerkzaamehdenbeding en non-cnocurrentiebeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2025:137:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.341.279/01</para>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: 10440711 EJ VERZ 23-81904</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 18 februari 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Quatro Systems B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Gouda, </para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: mr. N. Sprengers, kantoorhoudende in Woerden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: mr. D.H.J. Roeters-van Lennep, kantoorhoudende in Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal partijen hierna Quatro en [verweerder] noemen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para>De werknemer is op staande voet ontslagen onder meer omdat hij nevenwerkzaamheden verrichtte, waarmee hij volgens de werkgever concurreerde met de onderneming van de werkgever. De werknemer is een procedure bij de kantonrechter begonnen omdat hij van mening is dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven. De werkgever heeft tegenverzoeken ingediend, waaronder de betaling van boetes wegens het overtreden van het non-concurrentiebeding en het nevenwerkzaamhedenbeding.</para>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 13 mei 2024, waarmee Quatro in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zitting houdende in Gouda, van 15 februari 2024, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift in hoger beroep van [verweerder] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een akte overleggen producties tevens houdende reactie verweerschrift van Quatro, met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 4 december 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hof gaat uit van de volgende feiten:</para>
      <para />
      <para>i. De activiteiten van Quatro houden blijkens de inschrijving in de Kamer van Koophandel het volgende in: “Elektrotechnische bouwinstallatie (…) Uitleenbureaus Programmeren van en in dienststellen van beveiligingsinstallaties, te weten inbraakbeveiliging, toegangscontrole, camerasystemen, brandmeldsystemen en alle aanverwante producten en of diensten.”</para>
      <para />
      <para>
        [verweerder] heeft vanaf 1 januari 2008 voor Quatro gewerkt. Zijn meest recente arbeidsovereenkomst dateert van 22 januari 2013. Hierin is bepaald dat [verweerder] per 1 januari 2013 voor onbepaalde tijd voor veertig uur per week werkzaam is in de functie van monteur buitendienst. Zijn laatstgenoten een salaris bedroeg € 3.094,31 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en techniek technisch installatiebedrijf van toepassing.</para>
      <para />
      <para>In de schriftelijke arbeidsovereenkomst uit 2013 staat onder meer de volgende: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Auto</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 2</para>
        <para>Werkgever stelt werknemer voor de juiste uitoefening van zijn werkzaamheden een auto ter beschikking die eigendom van werkgever blijft. (…) Werknemer is verplicht de hem ter beschikking gestelde auto als goed huisvader te gebruiken (…). Het is werknemer toegestaan de hem ter beschikking gestelde auto voor privé-doeleinden te gebruiken. (…) Bekeuringen welke door werknemer zijn veroorzaakt zullen worden doorbelast door de werkgever.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Geheimhouding / non-concurrentie</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 9</para>
        <para>De werknemer is verplicht absolute geheimhouding en non concurrentie te betrachten, zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omtrent hetgeen hem bij of in het kader van zijn werkzaamheden ten aanzien van Quatro Systems b.v. en de relaties daarvan ter ore is gekomen, dan wel is waargenomen. Non-concurrentie betreft een tijdspad van 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Werknemer verbindt zich voorts, zowel tijdens deze arbeidsovereenkomst als na de beëindiging daarvan, tot geheimhouding omtrent alle aangelegenheden van ondernemingen waarvoor hij in opdracht van Quatro Systems b.v. werkzaamheden verricht/heeft verricht, voor zover hij kennis heeft verkregen van die aangelegenheden bij of in het kader van zijn werkzaamheden en het vertrouwelijke karakter van die aangelegenheden geacht kan worden hem bekend te zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nevenwerkzaamheden</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 10</para>
        <para>Het is werknemer – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de directie – tijdens de duur van deze arbeidsovereenkomst niet toegestaan al dan niet gehonoreerde werkzaamheden te verrichten of direct of indirect een belang te hebben bij enige onderneming of instelling. Voor bestaande en aan Quatro Systems b.v. kenbare rechtsverhoudingen ten tijde van het opmaken van deze overeenkomst wordt bij deze door Quatro Systems b.v. toestemming verleend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Boete</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 11</para>
        <para>1. Bij elke overtreding van de verplichtingen genoemd in artikel 9 en/of 10 van deze overeenkomst is werknemer ten behoeve van Quatro Systems b.v. een direct opvorderbare boete van € 5.000,- (…) verschuldigd, onverminderd het recht van Quatro Systems b.v. in plaats van een boete schadevergoeding te eisen, indien en voor zover haar schade meer dan voormeld bedrag mocht belopen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Beëindiging</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 12</para>
        <para>2. (…)</para>
        <para>3. (…)</para>
        <para>4. De werknemer verplicht zich bij het beëindigen van het dienstverband aan de werkgever terug te geven, alle materialen, spullen en gereedschappen welke hij in zijn bezit heeft en welke eigendom zijn van de werkgever. Dit geldt ook voor alle schriftelijke bescheiden welke in zijn bezit zijn. Indien de werknemer aan deze verplichting op eerste aanmaning van de werkgever niet of niet volledig voldoet, verbeurt hij een niet voor matiging vatbare boete van € 500,00 voor elke dag gedurende welke hij in gebreke blijft.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Quatro heeft [verweerder] bij brief van 8 februari 2023 op staande voet ontslagen. In deze brief beschrijft Quatro enkele gebeurtenissen die zich op 2 en 3 februari 2023 hebben voorgedaan. Daarna gaat de brief als volgt verder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“In het weekend dat volgde ontvingen wij van onze klant [bedrijfsnaam 1] BV een afschrift van de emailwisseling die u op vrijdag 03-03-2023 voerde met een van hun medewerkers. Van de door u in deze email naar onze klant gehanteerde toon en taalgebruik zijn wij behoorlijk geschrokken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens ontvingen wij op dinsdag 07-03-2023 van een andere relatie van ons het bericht dat u al in januari 2023 uzelf als zzp’er, handelend onder de naam […] beveiligingsinstallaties, heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De door u ingeschreven bedrijfsactiviteiten komen overeen met die van Quatro Systems BV.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het gesprek dat vervolgens op 07-03-2023 met u plaatsvond bent u met het vorenstaande geconfronteerd. Uw houding in dit gesprek kwam over als ongeïnteresseerd en erg nonchalant. Uw reactie op de door ons geconstateerde feiten was als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Email aan medewerker [bedrijfsnaam 1] BV:</para>
        <para>U bevestigde deze email te hebben gezonden. U gaf geen enkele blijk van inzicht in het feit dat de door u gebezigde toon en het taalgebruik niet past binnen een professionele werkrelatie. Ook weigerde u een rectificatie op deze email te sturen, ondanks ons dringend verzoek daartoe. U stelde achter de door u verstuurde emails te staan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uw nevenwerkzaamheden</para>
        <para>U bevestigde al enige tijd geleden een eigen bedrijf te zijn gestart waarmee u werkzaamheden verricht zoals die ook (door u ten behoeve van) Quatro Systems worden verricht. U gaf aan dat u voor deze werkzaamheden gebruik maakt van de bedrijfsauto en het gereedschap die aan u door Quatro Systems BV ter beschikking zijn gesteld. U gaf aan al meerdere werkzaamheden voor eigen rekening te hebben uitgevoerd én gefactureerd. De door u op deze wijze verrichte werkzaamheden betreffen werken die passen binnen de normale activiteiten van Quatro Systems BV en ook door ons hadden kunnen worden uitgevoerd. U gaf aan geen enkel kwaad te zien in uw handelswijze.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hierop heeft de heer [naam 1] u op non-actief gesteld en is u opgedragen de bedrijfseigendommen die u in uw bezit had in te leveren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na uw vertrek hebben wij nader onderzoek gedaan naar uw (met Quatro Systems BV concurrerende) activiteiten. Op basis van dit onderzoek hebben wij vastgesteld dat door u relaties van Quatro Systems BV zijn benaderd met de bedoeling voor uzelf werk te werven. Ook hebben wij diverse signalen dat uw gedrag jegens klanten en Quatro Systems BV zoals hiervoor omschreven niet op zichzelf staat. Tot slot hebben wij moeten vaststellen dat u structureel minder werkte dan de overeengekomen arbeidstijd dan wel onder werktijd veelvuldig met privézaken bezig was.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uw gedrag leidt tot schade voor het bedrijf en onze bedrijfsvoering en leidt tot een ernstige en onherstelbare schending van het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen hebben. Alle genoemde feiten tezamen, ieder feit op zich en in willekeurige samenhang bezien hebben ons doen besluiten over te gaan tot uw ontslag op staande voet.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        [verweerder] is op 10 april 2023 in dienst getreden bij Rotterdam The Hague Airport (RTHA).</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Procedure bij de kantonrechter</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        [verweerder] heeft betwist dat er een gegronde reden was voor het ontslag op staande voet. Hij heeft de kantonrechter verzocht om Quatro te veroordelen tot betaling van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de gefixeerde schadevergoeding van € 15.487,81 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de transitievergoeding van € 17.360,39 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 2.111,72 bruto ter zake van resterende vakantietoeslag, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 3.072,60 ter zake van opgebouwde niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bedrag van € 1.153,99 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Quatro heeft de verzoeken van [verweerder] betwist. Verder heeft zij de kantonrechter verzocht (voor zover relevant):</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 5.331,73;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 4.173,13 ter zake van een verkeersboete (€ 74,13), schade aan de bedrijfsauto (€ 500,-) en studiekosten (€ 3.599,-);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 5.000,-wegens het overtreden van het verbod op nevenwerkzaamheden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 500,-per dag wegens het niet inleveren van bedrijfseigendommen gedurende de periode 9 februari 2023 tot en met 22 mei 2023, wat neerkomt een totaalbedrag van € 144.500,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te gelasten zich te onthouden van het verder verspreiden van de bescheiden die hij bij Quatro heeft weggenomen, op straffe van een boete van € 50.000,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te gebieden over te gaan tot de vernietiging van alle geheime en vertrouwelijke bestanden, op straffe van een boete van € 50.000,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot betaling van een boete van € 95.000,- wegens de overtreding van het concurrentiebeding;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te gelasten met onmiddellijke ingang alle met Quatro concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden, waaronder diens inschrijving bij de Kamer van Koophandel en zijn werkzaamheden voor RHTA, op straffe van een boete van € 5.000,- per overtreding, te vermeerderen met € 500,- per dag dat deze overtreding voortduurt;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor recht te verklaren dat [verweerder] in de aanloop naar het ontslag onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door Quatro geleden schade, die begroot wordt op € 45.327,13 + PM;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de door Quatro gemaakte incassokosten conform de WIK.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerder] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 12.598,79. Ook de door [verweerder] verzochte transitievergoeding, de vakantietoeslag en de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen heeft de kantonrechter toegewezen. De verzoeken van Quatro heeft de kantonrechter afgewezen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>In hoger beroep heeft Quatro geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking. Verder heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verweerder] en tot toewijzing van haar eigen verzoeken. [verweerder] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontslag op staande voet (grieven 1-5 en grief 12)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het hof zal allereerst onderzoeken of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. In deze zaak is met name aan de orde de vraag of de redenen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd door Quatro, als dringende redenen in de zin van art. 7:678 BW kwalificeren. Volgens vaste rechtspraak dienen bij de beoordeling van een ontslag op staande voet de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking genomen te worden. Daarbij behoren volgens de Hoge Raad in de beschouwing te worden betrokken (i) de aard en de ernst van wat de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer (ii) de aard van de dienstbetrekking (iii) de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede (iv) de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.<footnote-ref linkend="_a5823bd9-f70a-427f-9574-7f5a0107b833" /> Daarbij geldt dat alleen de (verzachtende) omstandigheden die door de werknemer zijn aangevoerd in de afweging betrokken hoeven worden.<footnote-ref linkend="_17286d01-c9a0-4df5-83e7-0594c85ad762" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>In de kern komen de dringende redenen die Quatro aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd erop neer dat [verweerder] – zonder dit voorafgaand aan Quatro te melden – een eigen onderneming, […] beveiligingsinstallaties, bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven en dat hij nevenwerkzaamheden heeft verricht met gebruikmaking van de aan hem door Quatro ter beschikking gestelde bedrijfsauto en -gereedschappen. Aldus is [verweerder] , in de ogen van Quatro, rechtstreeks in concurrentie met Quatro getreden. Bovendien heeft Quatro het ontslag op staande voet gebaseerd op het verwijt dat [verweerder] structureel minder werkte dan overeengekomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Ook heeft Quatro aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verweerder] op onprofessionele wijze met een klant van Quatro heeft gecommuniceerd. Deze (kennelijk) eenmalige onprofessionele communicatie acht het hof van onvoldoende gewicht om het ontslag op staande voet te kunnen dragen. Ook al heeft [verweerder] niet op gepaste wijze gecommuniceerd en toonde hij zich tijdens het gesprek van 7 februari 2023 niet bereid om zijn excuses hiervoor aan te bieden, deze gedraging is niet dermate ernstig dat deze in zichzelf als een dringende reden in de zin van art. 7:678 BW kwalificeert. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Quatro vermeldt in de ontslagbrief verder nog: “Ook hebben wij diverse signalen dat uw gedrag jegens klanten en Quatro Systems BV zoals hiervoor omschreven niet op zichzelf staat.” Al aangenomen dat deze mededeling ziet op niet-professionele uitingen van [verweerder] ten opzichte van klanten, voldoet de ontslagbrief op dit punt niet aan de mededelingseis, omdat het [verweerder] op basis van deze mededeling niet onmiddellijk duidelijk was en hoefde te zijn waarom hij op staande voet ontslagen werd.<footnote-ref linkend="_d718ed70-a1b5-4312-9a3f-b66a444390d0" /> Dit onderdeel van de ontslagbrief kan het ontslag op staande voet om die reden niet dragen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Naar het hof begrijpt gaat het Quatro in wezen erom dat [verweerder] de artikelen 9 en 10 van de arbeidsovereenkomst zou hebben overtreden. Dit zijn de bepalingen over geheimhouding/non-concurrentie en nevenwerkzaamheden. Quatro heeft in de ontslagbrief niet omschreven op welke concrete gedragingen van [verweerder] dit verwijt ziet. Op basis van de inhoud van de ontslagbrief en de stellingen die [verweerder] in deze procedure heeft aangevoerd in reactie daarop, gaat het hof ervan uit dat het voor [verweerder] voldoende duidelijk was dat de dringende reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd, betrekking heeft op een viertal klussen (nevenwerkzaamheden, nader omschreven in rov. 5.9) die tijdens het gesprek van 7 februari 2023 aan de orde zijn gekomen. Daarnaast is in de ontslagbrief vermeld dat Quatro na dit gesprek nader onderzoek heeft uitgevoerd naar andere concurrerende activiteiten. Quatro schrijft: “Op basis van dit onderzoek hebben wij vastgesteld dat door u relaties van Quatro Systems BV zijn benaderd met de bedoeling voor uzelf werk te werven.” Deze mededeling is echter in de brief niet nader geconcretiseerd zodat voor [verweerder] niet onmiddellijk duidelijk was waarom hij op staande voet ontslagen werd en dit deel van de ontslagbrief niet aan de mededelingseis voldoet. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Art. 10 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat een werknemer zonder voorafgaande toestemming van Quatro geen nevenwerkzaamheden mag verrichten. Ingevolge art. 7:653a BW is een beding dat een werknemer verbiedt om nevenwerkzaamheden te verrichten nietig, tenzij het beding kan worden gerechtvaardigd op grond van objectieve redenen. Hieruit volgt dat een werkgever niet iedere vorm van nevenwerkzaamheden kan verbieden. Er moet voor iedere nevenwerkzaamheid worden vastgesteld of Quatro een gerechtvaardigd belang heeft bij zo’n verbod.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Quatro heeft aangevoerd dat het beding gerechtvaardigd is vanwege de volgende belangen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Het voorkomen van concurrentie door medewerkers;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het houden van toezicht op (gebruik en verspreiding van) bedrijfsgeheimen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het voorkomen van verwarring bij derden over de hoedanigheid waarin medewerkers van Quatro – een BORG-gecertificeerde onderneming – optreden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het voorkomen van activiteiten door medewerkers die in strijd zijn met de belangen van Quatro.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>Quatro heeft vastgesteld dat [verweerder] gedurende zijn dienstverband vier keer nevenwerkzaamheden heeft verricht voor derden waarvoor hij vanuit zijn eenmanszaak een factuur heeft gezonden:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>elektrawerkzaamheden ten behoeve van de familie [naam 5] (factuur van 31 januari 2023);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>elektrawerkzaamheden ten behoeve van de familie [naam 6] (factuur van 11 februari 2023);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het plaatsen van een meterkast en meerwerkwerkzaamheden ten behoeve van [naam 7] uit Haarlem (factuur van 12 februari 2023);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>werkzaamheden voor een nieuw dak ten behoeve van [naam 8] (factuur van 15 februari 2023).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Dat [verweerder] door het uitvoeren van deze werkzaamheden bedrijfsgeheimen van Quatro of haar relaties zou hebben kunnen gebruiken of verspreiden, is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de hiervoor genoemde nevenwerkzaamheden, die [verweerder] verrichtte vanuit […] beveiligingsinstallaties, bij klanten zouden hebben kunnen leiden tot verwarring met Quatro. Quatro heeft dat niet voldoende concreet beargumenteerd. In zoverre was er geen grond voor Quatro om de nevenwerkzaamheden te verbieden, als [verweerder] deze van tevoren bij Quatro had gemeld. Het is wel denkbaar dat [verweerder] door zijn nevenwerkzaamheden met Quatro in concurrentie is getreden en dat [verweerder] hierdoor de belangen van Quatro heeft geschaad. Quatro stelt dat als [verweerder] de nevenwerkzaamheden vooraf had gemeld, zij daarom objectieve redenen had gehad om deze werkzaamheden te verbieden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11</nr>
      <para>Er moet dus worden vastgesteld wat de werkzaamheden van Quatro inhouden en in hoeverre de nevenwerkzaamheden van [verweerder] concurrerend waren. Uit de omschrijving bij de Kamer van Koophandel volgt dat Quatro is gespecialiseerd in (kort gezegd) ‘beveiligingsinstallaties’. De website van Quatro vermeldt dat zij zich toelegt op: 1) Alarmsystemen; 2) Camerasystemen; 3) Oplossingen voor ondernemingen/semi-overheid (“Quatro Systems kan een beveiligingsscan uitvoeren, hierbij bekijken onze specialisten op welke onderdelen uw object al beveiligd is. Op basis van de scan geven we een vrijblijvend advies.”); 4) Toegangscontrole; 5) Brandmeldsystemen; 6) Oplossingen voor particulieren (“Met een elektronisch inbraakbeveiligingssysteem kiest u voor zekerheid. Het systeem geeft iedere inbraak of poging daartoe direct door aan de alarmcentrale. U bepaalt vooraf wie gewaarschuwd moet worden.”).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12</nr>
      <para>Quatro heeft verder aangevoerd dat zij gecertificeerd is en BORG erkend. Haar medewerkers hebben allemaal een achtergrond in elektrotechniek. De kern van hun werkzaamheden is immers het werken met elektrotechnische installaties. Tot de dagelijkse werkzaamheden behoren allerhande elektrotechnische en bouwwerkzaamheden, zoals het aanleggen van verlichting, meterkasten, camerasystemen en (brand)beveiligingsinstallaties en het af/wegwerken daarvan door (bijvoorbeeld) het plaatsen van wanden en koven. Voor sommige opdrachtgevers is het essentieel dat de medewerkers van Quatro gescreend zijn door politie en AIVD. Het komt er dus op neer dat Quatro zich enerzijds heeft gespecialiseerd in het bedienen van klanten die een verhoogde veiligheidsscreening vragen en anderzijds het verrichten van werkzaamheden die een dergelijke verhoogde veiligheidsscreening vereisen, aldus Quatro.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13</nr>
      <para>Quatro heeft in hoger beroep (opnieuw) bewijs aangeboden van haar stelling dat haar bedrijfsactiviteiten niet beperkt zijn tot het “klassieke beveiligingswerk”. Het hof passeert dit bewijsaanbod. Enerzijds is het niet ter zake dienend, omdat het hof hiervoor als vaststaand heeft aangenomen dat Quatro ook andere werkzaamheden uitvoert. Anderzijds is het onvoldoende concreet: voor zover Quatro zich op het standpunt stelt dat haar werkzaamheden nog meer omvattend zijn, heeft zij die stelling onvoldoende toegelicht en daarvan ook geen concreet bewijs aangeboden. Verder passeert het hof het bewijsaanbod van Quatro dat [verweerder] werd ingewerkt in de functie van Technicus Beveiligingsinstallaties, wat een door de minister aangewezen vertrouwensfunctie is. [verweerder] heeft die stelling niet betwist, zodat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof heeft Quatro aldus onvoldoende toegelicht dat de nevenwerkzaamheden van [verweerder] van dien aard waren dat sprake was van concurrentie met Quatro. Uit de omschrijving op de facturen volgt niet dat [verweerder] werkzaamheden heeft verricht die behoren tot het specialisme van Quatro, te weten elektrotechnische werkzaamheden met betrekking tot beveiligingsinstallaties. Evenmin is gebleken dat [verweerder] vanuit zijn eenmansbedrijf “gewone” elektrotechnische werkzaamheden uitvoerde voor opdrachtgevers voor wie een hoge veiligheidsscreening van belang was. Quatro heeft ook niet gemotiveerd betwist dat het, zoals [verweerder] heeft aangevoerd, ging om hand- en spandiensten voor een bevriende aannemer. De omstandigheid dat Quatro niet uitsluitend specialistische elektrotechnische beveiligingswerkzaamheden uitvoert maar ook meer reguliere werkzaamheden, is onvoldoende om te oordelen dat Quatro een gerechtvaardigd belang had om de – betrekkelijk geringe – nevenwerkzaamheden van [verweerder] te verbieden. Daarbij is van belang dat uit de eigen toelichting van Quatro volgt dat de meer reguliere werkzaamheden in het algemeen ofwel in dienst stonden van de gespecialiseerde beveiligingswerkzaamheden, ofwel werden uitgevoerd voor opdrachtgevers die een verhoogde veiligheidsscreening verlangden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15</nr>
      <para>Het hof neemt verder in aanmerking dat in art. 9 van de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding is neergelegd. Het hof zal hieronder toelichten dat de nevenwerkzaamheden van [verweerder] niet in strijd komen met het concurrentiebeding. Daarmee wordt het oordeel van het hof onderstreept dat Quatro deze werkzaamheden niet had kunnen verbieden op de grond dat [verweerder] hiermee op ontoelaatbare wijze in concurrentie met Quatro zou treden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16</nr>
      <para>Art. 9 bepaalt in de eerste plaats dat [verweerder] verplicht is tot geheimhouding van alles wat hem in het kader van zijn werkzaamheden ten aanzien van Quatro en de relaties daarvan ter ore is gekomen en wat hij heeft waargenomen. In het verlengde van deze geheimhoudingsplicht bepaalt art. 9 in dit kader ook dat er voor [verweerder] een non-concurrentieverplichting geldt, zowel tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst als één jaar na beëindiging daarvan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17</nr>
      <para>Bij de uitleg van de bepaling komt het er niet alleen op aan hoe Quatro het non-concurrentiebeding heeft bedoeld, maar ook hoe [verweerder] deze bepaling redelijkerwijs heeft moeten opvatten. Juist omdat er een forse boete op de overtreding van het beding is gesteld, moet het voor [verweerder] vooraf duidelijk zijn welke gedragingen eronder vallen. Art. 9 omschrijft niet wat volgens Quatro bestempeld moet worden als ‘concurrentie’. Het hof verwerpt de stelling van Quatro dat (daarom) op grond van art. 9 iedere vorm van concurrentie ontoelaatbaar is en dat de werkzaamheden die [verweerder] voorafgaand aan zijn ontslag voor derden heeft uitgevoerd, zonder meer onder de reikwijdte van het beding vallen. Gezien de directe koppeling tussen het geheimhoudingsbeding en het non-concurrentiebeding (“De werknemer is verplicht absolute geheimhouding en non concurrentie te betrachten omtrent hetgeen hem bij of in het kader van zijn werkzaamheden ten aanzien van Quatro Systems b.v. en de relaties daarvan ter ore is gekomen, dan wel is waargenomen.”), is het hof van oordeel dat het beding redelijkerwijs zo moet worden begrepen dat het [verweerder] niet is toegestaan om concurrerende werkzaamheden te verrichten waarbij hij vertrouwelijke informatie die hij heeft verkregen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij Quatro zou kunnen inzetten.  Daarmee heeft het concurrentiebeding weliswaar slechts een geringe eigen betekenis naast het geheimhoudingsbeding, maar gelet op de uiterst summiere formulering van het concurrentiebeding, mocht [verweerder] redelijkerwijs aannemen dat het concurrentiebeding – naast het geheimhoudingsbeding dat wel meer inhoudelijk is geformuleerd – een weinig ingrijpend karakter had. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18</nr>
      <para>Het is niet gebleken dat [verweerder] bij de nevenwerkzaamheden die hij heeft verricht de vertrouwelijke informatie die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Quatro heeft verkregen, zou hebben kunnen inzetten. [verweerder] heeft de non-concurrentieverplichting dus niet overtreden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19</nr>
      <para>In de stellingen van Quatro ligt besloten dat zij van mening is dat de nevenwerkzaamheden van [verweerder] onrechtmatig zijn jegens Quatro, ongeacht of deze bestreken worden door een concurrentiebeding en/of een nevenwerkzaamhedenbeding. Deze stelling faalt. [verweerder] heeft slechts nevenwerkzaamheden van beperkte omvang verricht. Hij heeft zijn vier klanten daarvoor in totaal nog geen € 2.500,- gefactureerd. Niet gebleken is dat [verweerder] het bedrijfsdebiet van Quatro stelselmatig en substantieel heeft afgebroken. Bovendien is niet komen vast te staan, zoals hiervoor geoordeeld, dat [verweerder] gebruik gemaakt heeft van kennis en gegevens die hij bij Quatro vertrouwelijk heeft gekregen. Er zijn ook geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die de nevenwerkzaamheden van [verweerder] die aanleiding waren voor het ontslag op staande voet, buiten het concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding onrechtmatig doen zijn ten opzichte van Quatro. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20</nr>
      <para>Quatro heeft aan het ontslag ook ten grondslag gelegd dat [verweerder] bij de uitoefening van zijn nevenwerkzaamheden gebruikmaakte van de bedrijfsauto en de gereedschappen die hem door [verweerder] ter beschikking werden gesteld. Naar het oordeel van het hof is dit verwijt in zichzelf niet ernstig genoeg om als geldige dringende reden voor ontslag op staande voet te kwalificeren. Daarbij is ook van belang dat het [verweerder] was toegestaan de auto voor privédoeleinden te gebruiken (met een maximum van 5.000 kilometer per jaar).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21</nr>
      <para>Als laatste heeft Quatro [verweerder] verweten dat hij structureel minder werkte dan overeengekomen. Dit verwijt is in de ontslagbrief niet geconcretiseerd. Quatro schrijft hierover: “Tot slot hebben wij moeten vaststellen dat u structureel minder werkte dan de overeengekomen arbeidstijd dan wel onder werktijd veelvuldig met privézaken bezig was.” Op basis van deze mededeling was [verweerder] redelijkerwijs niet in staat zijn standpunt met betrekking tot dit onderdeel van het ontslag te bepalen. Daarbij komt nog het volgende. Tijdens deze procedure heeft Quatro toegelicht dat het verwijt ziet op het feit dat [verweerder] tijdens werktijd bezig was met (kort gezegd) de (administratieve) voorbereiding van eigen klussen. Naar het oordeel van het hof is dit verwijt echter van onvoldoende gewicht om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22</nr>
      <para>Gezien de aard en de ernst van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen kwalificeert geen van die redenen in zichzelf als dringende reden in de zin van art. 7:678 BW. Ook in samenhang bezien is geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23</nr>
      <para>De conclusie van het voorafgaande is dat de grieven 1 tot en met 5 en grief 12 ongegrond zijn.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24</nr>
      <para>De bewijsaanbiedingen die Quatro in verband met het ontslag op staande heeft gedaan, worden gepasseerd. </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Quatro heeft aangeboden de medewerkers van Netxpecs BV te Rotterdam te horen die verantwoordelijk zijn geweest naar het forensisch IT-onderzoek naar het handelen van [verweerder] binnen de systemen van Quatro. Quatro heeft onvoldoende toegelicht waarom het horen van deze medewerkers relevant zou kunnen zijn in het kader van het ontslag op staande voet.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Quatro heeft aangeboden [naam 2] , vertegenwoordiger KZM bij de Technische Unie, te horen. Hij kan volgens Quatro verklaren over het feit dat [verweerder] eind januari heeft getracht met gebruikmaking van de bedrijfsnaam van Quatro een eigen onderneming en debiteurennummer aan te vragen. Nu deze omstandigheid niet ten grondslag is gelegd aan het ontslag op staande voet, is het bewijsaanbod in zoverre niet ter zake dienend. Verder kan [naam 2] volgens Quatro bevestigen dat hij [verweerder] in januari 2023 heeft gezien in een groothandel tijdens het doen van diverse aankopen. Dit aanbod is onvoldoende concreet, noch daargelaten dat onvoldoende is toegelicht waarom dit ter zake dienend zou zijn.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het aanbod van Quatro om (vertrouwelijke en geheime) documenten in het geding te brengen die [verweerder] volgens Quatro heeft weggenomen, is voor het ontslag op staande voet niet relevant. Quatro heeft het wegnemen van documenten niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Overigens is het voor het hof niet duidelijk hoe Quatro documenten in het geding wil brengen die [verweerder] heeft weggenomen. De implicatie van “wegnemen” is immers dat Quatro de documenten niet langer heeft. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>In nr. 21 van de pleitnota van 5 juni 2023 heeft Quatro aangeboden een aantal stukken in het geding te brengen. Als Quatro deze stukken van belang acht voor de beslissing van het hof, had het op haar weg gelegen deze al in een eerder stadium van de procedure over te leggen.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Quatro heeft aangeboden te bewijzen dat [verweerder] nooit klachten heeft geuit over het niet functioneren van zijn werkmail. Dit aanbod heeft Quatro gedaan naar aanleiding van een verweer van [verweerder] over het gebruik van een privé e-mailadres waarin de naam van Quatro voorkwam. Voor het ontslag op staande voet is dit bewijsaanbod niet ter zake dienend.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25</nr>
      <para>Tot slot merkt het hof nog het volgende op. Hoewel een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbreekt, neemt dit niet weg dat [verweerder] door zijn handelwijze het vertrouwen van Quatro kan hebben beschadigd. [verweerder] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep tot op zekere hoogte ook erkend. Van een goed werknemer, die werkzaam is in een functie waar geheimhouding en vertrouwen van groot belang zijn, kan verlangd worden dat hij openheid van zaken geeft over zijn nevenwerkzaamheden, zeker wanneer deze (enigszins) op het terrein komen waarop de werkgever werkzaam is. [verweerder] heeft door zijn handelwijze een situatie in het leven geroepen waarbij een oneigenlijke vermenging tussen eigen werkzaamheden en de werkzaamheden voor Quatro op de loer lag. Denkbaar is dat hierin een grond zou zijn gelegen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar dit verzoek ligt in hoger beroep niet meer voor.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Boete wegens (niet melden van) nevenwerkzaamheden (grief 8)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.26</nr>
      <para>Volgens Quatro is [verweerder] een boete verschuldigd omdat hij vier keer tijdens de looptijd van zijn arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden heeft verricht en verzuimd heeft dit aan Quatro te melden. Dit resulteert volgens Quatro in een boete van 5 x € 5.000,- = € 25.000,-.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.27</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] het nevenwerkzaamhedenbeding niet heeft overtreden. De stelling van Quatro dat er ook op het niet-melden van nevenwerkzaamheden een boete van € 5.000,- staat, wordt verworpen. Een redelijke uitleg van art.10 van de arbeidsovereenkomst brengt mee dat de boete geen betrekking heeft op het niet melden van nevenwerkzaamheden, zeker niet als het gaat om het niet melden van nevenwerkzaamheden waarvoor Quatro redelijkerwijs haar toestemming niet kan onthouden. Grief 8 is dus ongegrond.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Boete wegens het niet-inleveren van bedrijfseigendommen (grief 9)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.28</nr>
      <para>Quatro is van mening dat [verweerder] een boete is verschuldigd wegens het (te laat) inleveren van bedrijfseigendommen. Hij heeft volgens Quatro twaalf dagen te laat bedrijfskleding ingeleverd. Verder heeft hij nog altijd digitale bestanden van Quatro in zijn bezit. De boete bedraagt € 500,- per gebeurtenis en per dag.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.29</nr>
      <para>Ter zake van de bedrijfskleding geldt het volgende. Bij brief van 16 februari 2023 heeft Quatro [verweerder] (onder meer) geschreven dat [verweerder] nog bedrijfskleding (een aantal passen en een hoedenplank) in zijn bezit heeft. Quatro heeft [verweerder] verzocht deze spullen uiterlijk 22 februari 2023 om 12.00 uur in te leveren. Uit de eigen stellingen van Quatro volgt dat [verweerder] deze spullen op 20 februari 2023 heeft ingeleverd en daarmee aan dit verzoek heeft voldaan. [verweerder] is hiervoor dan ook geen boete verschuldigd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.30</nr>
      <para>Wat betreft de digitale bestanden geldt het volgende. Art. 12 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat [verweerder] bij het einde van het dienstverband “alle materialen, spullen en gereedschappen” teruggeeft die eigendom zijn van Quatro. Dat geldt ook voor “schriftelijke bescheiden”. Naar het oordeel van het hof vallen de digitale bestanden niet in de categorie “materialen, spullen en gereedschappen”. Zij kunnen in dit geval redelijkerwijs ook niet worden aangemerkt als “terug te geven schriftelijke bescheiden”, reeds omdat niet is gebleken dat Quatro de bestanden waar het hier om gaat, niet langer in haar bezit heeft. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.31</nr>
      <para>Grief 9 is dus ongegrond.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Boete wegens het niet-naleven van het concurrentiebeding (grief 10)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.32</nr>
      <para>Volgens Quatro heeft [verweerder] na afloop van het dienstverband met Quatro het overeengekomen concurrentiebeding geschonden. [verweerder] heeft vijf keer een eigen klus uitgevoerd waarmee hij in concurrentie is getreden met Quatro. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd voor:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [naam 3] , handelend onder de naam “ [handelsnaam] ” voor wie [verweerder] “Elektra werkzaamheden” heeft verricht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [bedrijfsnaam 2] , voor wie [verweerder] op verschillende momenten en voor verschillende projecten “Elektra werkzaamheden” heeft verricht;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>A.S. Beveiligingstechniek B.V., waarvoor [verweerder] werkzaam is geweest in de storingsdienst voor door deze onderneming aangelegde en beheerde beveiligingssystemen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Secuallgroup te Dordrecht: de werkzaamheden voor deze klant heeft [verweerder] omschreven als “Camping den Inkel, Uitzoeken/Adviseren camerasysteem en alarmsysteem”, “internet storing Spijkernisse Chem i call” en “Cigo Ambachtsplein, Codes veranderen van het camerasysteem en het opnieuw het camerasysteem inregelen”;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam 4] , voor wie [verweerder] “Elektrawerkzaamheden” heeft verricht.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Verder is [verweerder] in april 2023 bij RTHA in dienst getreden. RTHA was een klant van Quatro en moet tevens worden aangemerkt als concurrerend, aldus Quatro.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.33</nr>
      <para>Hiervoor onder rov. 5.17 heeft het hof overwogen dat het concurrentiebeding zo moet worden begrepen dat het [verweerder] niet is toegestaan om concurrerende werkzaamheden te verrichten waarbij hij vertrouwelijke informatie die hij heeft verkregen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij Quatro, zou kunnen inzetten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.34</nr>
      <para>Quatro heeft in dit verband het volgende bewijs aangeboden:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [verweerder] heeft vanaf 8 februari 2023 werkzaamheden verricht voor A.S. Beveiligingstechniek. Quatro biedt bewijs aan van haar stelling dat dit bedrijf een directe concurrent van haar is.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Quatro biedt bewijs aan dat RTHA een relatie van Quatro is en dat [verweerder] namens Quatro veelvuldig voor RTHA werkzaam was.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Tot slot biedt Quatro bewijs aan van haar stelling dat hetgeen [verweerder] nu in loondienst voor RTHA doet, hetzelfde is als hij voorheen deed voor RTHA, dat hij in zijn nieuwe functie veelvuldig rechtstreeks contact heeft met zijn oud-collega’s en dat hij daarbij niet schroomt misbruik te maken van zijn kennis van werkwijzen, kosten en prijsstellingen van Quatro.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.35</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof is RTHA geen concurrent in de zin van het concurrentiebeding. RTHA is immers een luchthaven. De omstandigheid dat [verweerder] al eerder, toen hij nog in dienst was bij Quatro, werkzaamheden heeft verricht voor RTHA maakt dit niet anders. Als Quatro had willen verhinderen dat [verweerder] in dienst zou treden bij een relatie van haar, had zij een relatiebeding in de arbeidsovereenkomst moeten opnemen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.36</nr>
      <para>Voor de werkzaamheden voor [naam 3] , [bedrijfsnaam 2] en [naam 4] geldt dat Quatro niet heeft toegelicht waarom het hier zou gaan om concurrerende werkzaamheden waarbij [verweerder] vertrouwelijke informatie die hij heeft verkregen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij Quatro, heeft kunnen inzetten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.37</nr>
      <para>De twee overige opdrachtgevers zijn kennelijk bedrijven op het gebied van beveiligingssystemen. Het hof gaat ervan uit dat het gaat om directe concurrenten van Quatro. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om te oordelen dat [verweerder] het concurrentiebeding heeft geschonden. Dat [verweerder] tijdens deze werkzaamheden vertrouwelijke informatie die hij heeft verkregen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij Quatro, heeft kunnen inzetten, is immers niet gebleken. Quatro heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende toegelicht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.38</nr>
      <para>De conclusie is dat grief 10 niet gegrond is en dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schadevergoeding (grief 11)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.39</nr>
      <para>Quatro heeft aangevoerd dat zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [verweerder] schade heeft geleden. Het gaat – kort gezegd – om de kosten die zij heeft gemaakt om de handelwijze van [verweerder] te onderzoeken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.40</nr>
      <para>Uit het voorafgaande volgt dat het hof van oordeel is dat [verweerder] niet toerekenbaar tekort is geschoten en ook niet onrechtmatig heeft gehandeld. Er is dan ook geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding bestaande uit de (redelijke) kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verlofsaldo (grief 6)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.41</nr>
      <para>Quatro is van mening dat de kantonrechter is uitgegaan van een te hoog verlofsaldo. Er resteerde slechts 5,5 dagen, wat neerkomt op een bedrag van € 785,66 bruto.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.42</nr>
      <para>In eerste aanleg heeft [verweerder] verzocht om uitbetaling van twintig opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen, wat neerkomt op een vordering van € 3.072,60 bruto. Quatro is van mening dat er nog 5,5 vakantiedagen openstonden en dat het daarmee corresponderende bedrag (€ 785,66 bruto) is verrekend met diverse vorderingen die Quatro op [verweerder] heeft. Als bewijs heeft Quatro de verlofkaart 2023 overgelegd, waaruit blijkt dat [verweerder] nog 6,5 vakantiedagen over 2022 over had, dat er in 2023 twee vakantiedagen zijn opgebouwd en dat [verweerder] in 2023 drie dagen heeft opgenomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Quatro het door haar genoemde bedrag niet heeft onderbouwd met de door haar bij te houden verlofadministratie, zodat het door [verweerder] genoemde bedrag als onvoldoende betwist is toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.43</nr>
      <para>In hoger beroep heeft Quatro de verlofkaarten van [verweerder] vanaf 2022 overgelegd. Deze bevestigen volgens Quatro dat [verweerder] nog slechts 5,5 vakantiedagen had. Uit de verlofkaart 2022 volgt dat [verweerder] zeven dagen heeft meegenomen uit 2021 en dat hem voor 2022 twintig vakantiedagen zijn toegekend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.44</nr>
      <para>
        [verweerder] heeft daar het volgende tegenin gebracht. Op grond van de toepasselijke cao heeft [verweerder] recht op 25 vakantiedagen per jaar, waarbij de cao uitgaat van een werknemer die gemiddeld 38 uur per week werkt. De cao bepaalt verder dat de opgebouwde vakantiedagen pas na vijf jaar verjaren. Quatro heeft structureel vijf verlofdagen per jaar te weinig toegekend. Inclusief de 5,5 dagen die uit de verlofkaart 2023 volgen, heeft [verweerder] dus nog recht op 30,5 dagen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.45</nr>
      <para>Quatro heeft dit weersproken. Zij stelt dat [verweerder] voorafgaand aan het ontslag (vanaf 21 februari 2022 tot en met 19 december 2022) ouderschapsverlof heeft opgenomen, waardoor hij in dat jaar 20% minder werkte, wat correspondeert met 20 vakantiedagen per jaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.46</nr>
      <para>In de door Quatro aan [verweerder] verstrekte “verklaring ouderschapsverlof 2022” van 17 februari 2022 staat het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Hierbij bevestigen wij dat je, op jouw verzoek, vanaf maandag 21 februari tot en met maandag 19 december 2022 ouderschapsverlof opneemt. Bij een fulltime dienstverband (40 uur) heb je recht op 26 weken = 1040 uur.</para>
        <para>Je hebt aangegeven de maandagen vrij te willen zijn en de overige dagen (dinsdag/woensdag/donderdag/vrijdag) te willen werken.</para>
        <para>Het ouderschapsverlof is onbetaald, je loon, vakantiedagen en vakantiegeld zal in deze periode naar rato verlaagd worden.</para>
        <para> Kalenderjaar van het ouderschapsverlof: 		2022</para>
        <para> Periode van het ouderschapsverlof:			21-02-2022 t/m 19-12-2022</para>
        <para> Aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar: 	168” </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.47</nr>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] in 2022 gedurende (ongeveer) tien maanden 168 uur ouderschapsverlof heeft genoten. Dat komt neer op 16,8 uur per maand, oftewel (afgerond) vier uur per week. Hij werkte dus 36 uur in plaats van de overeengekomen 40 uur. Dat betekent dat hij in 2022 niet, zoals Quatro aanvoert, 20% minder werkte, maar slechts 10% gedurende tien maanden. De stelling van Quatro dat [verweerder] in 2022 recht had op (slechts) twintig vakantiedagen, is dus onjuist.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.48</nr>
      <para>Quatro heeft nagelaten de verlofkaarten van 2021 en eerder over te leggen. Naar het oordeel van het hof heeft Quatro nog steeds niet onderbouwd dat [verweerder] aan het eind van zijn dienstverband een verlofsaldo van 5,5 dagen had. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.49</nr>
      <para>Dit betekent dat grief 6 faalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige vorderingen (grief 7)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.50</nr>
      <para>Quatro maakt aanspraak op betaling van (1) een verkeersboete van € 74,13; (2) schadevergoeding wegens beschadiging van de bedrijfsauto (€ 500,-) en (3) studiekosten ten bedrage van € 3.599,- (exclusief btw).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.51</nr>
      <para>
        [verweerder] heeft in zijn verweerschrift in beroep aangevoerd dat hij de verkeersboete en de schadevergoeding voor de bedrijfsauto inmiddels heeft betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Quatro erkend dat zij van [verweerder] inmiddels een bedrag heeft ontvangen dat correspondeert met het bedrag dat zij te vorderen heeft ter zake van de verkeersboete en de bedrijfsauto. Bij gebrek aan wetenschap betwist zij echter dat de betaling van [verweerder] op deze posten betrekking heeft. Het hof passeert dit verweer. Gelet op de door [verweerder] gegeven toelichting kan er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat [verweerder] de verkeersboete en de schade aan de bedrijfsauto heeft betaald.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.52</nr>
      <para>Over de studiekosten hebben partijen een overeenkomst gesloten die inhoudt dat Quatro de kosten van de studie draagt en dat op [verweerder] een terugbetalingsverplichting rust als (voor zover hier van belang) het dienstverband op grond van een dringende reden wordt beëindigd. Hiervoor is vastgesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zodat op [verweerder] geen terugbetalingsverplichting rust. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.53</nr>
      <parablock>
        <para>De conclusie is dat grief 7 ongegrond is.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.54</nr>
      <para>De conclusie is dat het hoger beroep van Quatro niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof zal Quatro als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, een en ander zoals vermeld in de beslissing.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.55</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 15 februari 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt Quatro in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 349,- aan verschotten, € 8.856,- aan salaris advocaat en € 178,- aan nakosten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat als Quatro niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze beschikking heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Quatro de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Quatro deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, J.S. Honée en M.B. Kerkhof en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a5823bd9-f70a-427f-9574-7f5a0107b833" label="1">
    <para> Bijv. HR 12 februari 1999, NJ 199/643 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17286d01-c9a0-4df5-83e7-0594c85ad762" label="2">
    <para> HR 27 april 2001, NJ 2001/ 421.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d718ed70-a1b5-4312-9a3f-b66a444390d0" label="3">
    <para> Bijv. HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1008.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>