<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2024:645</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-19T13:56:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200292423</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:645">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:645</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-19T13:55:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2024:645 Gerechtshof Den Haag , 17-04-2024 / 2200292423</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2024:645:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvang van de termijn voor verzet tegen een strafbeschikking. De verdachte vervoert beroepsmatig lachgascontainers. Omdat de verdachte niet alle voor dat vervoer geldende regels in acht zou hebben genomen vaardigt de officier van justitie een strafbeschikking uit wegens overtreding van art. 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De verdachte doet verzet tegen deze strafbeschikking. De economische politierechter verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet, omdat het te laat zou zijn gedaan. De verdachte gaat van dit vonnis in hoger beroep. Het hof beslist in een tussenbeslissing (in het arrest weergegeven onder het kopje ‘Procesgang’) dat de economische politierechter ten onrechte de dag waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd bepalend heeft geacht voor de aanvang van de verzetstermijn. Het hof overweegt dat uit art. 257e lid 1 Sv voortvloeit dat de aanvang van de verzetstermijn wordt bepaald door hetzij het moment waarop een afschrift van de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is betekend, hetzij het moment waarop zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking aan de verdachte bekend is. In het geval van deze verdachte betekent dit dat hij wel tijdig verzet heeft gedaan en daarin dus ontvankelijk is. Op de voet van het bepaalde in art. 423 lid 2 Sv doet het hof vervolgens zelf de zaak af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2024:645:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-002924-23 </para>
  <para>Parketnummer:		83-292238-22 </para>
  <para>Datum uitspraak:	17 april 2024</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], </para>
      <para>BRP-adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking d.d. 23 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 3 april 2024 heeft het hof, gehoord de verdediging en de advocaat-generaal, als zijn tussenbeslissing uitgesproken dat het bestreden vonnis in elk geval vernietigd dient te worden omdat naar zijn oordeel het dictum daarvan onjuist is. </para>
      <para>Aan deze tussenbeslissing heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bestreden vonnis is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen een op 23 november 2022 uitgevaardigde strafbeschikking. Als (enige) motivering wordt in de aantekening van het mondeling vonnis vermeld dat “het verzet niet binnen de wettelijke termijn is ingediend”. De redenering van de economische politierechter is daarbij vermoedelijk geweest dat, met toepassing van artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de veertiendagentermijn van artikel 257e lid 1 Sv heeft geduurd tot en met 7 december 2022. Het verzet, dat dateert van 10 januari 2023, zou, bij die stand van zaken, te laat zijn gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge laatstgenoemde bepaling is voor het aanvangsmoment van de verzetstermijn echter niet bepalend de dag waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd, doch het moment dat het afschrift van de strafbeschikking aan de verdachte in persoon is uitgereikt, dan wel het moment waarop zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Nu in de zaak van de verdachte geen afschrift van de strafbeschikking in persoon aan hem is uitgereikt, dient vastgesteld te worden wanneer zich voor het eerst een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking aan de verdachte bekend was. Uit het in het dossier opgenomen zaakoverzicht van 18 januari 2023 van het CJIB valt af te leiden dat zo’n omstandigheid zich voor het eerst heeft voorgedaan op 7 januari 2023 (“Datum betekening”). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij op die datum inderdaad voor het eerst van het bestaan van de strafbeschikking op de hoogte raakte. Aanwijzingen dat een dergelijke omstandigheid zich op een (veel) eerdere datum zou hebben voorgedaan bevinden zich niet in het dossier en vallen evenmin te ontlenen aan de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. De conclusie moet derhalve zijn dat de verdachte tijdig tegen de strafbeschikking verzet heeft gedaan en dat, bijgevolg, de economische politierechter de verdachte ten onrechte niet daarin heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vaststelling, vervat in de zojuist bedoelde tussenbeslissing van het hof, heeft de situatie doen intreden van artikel 423 lid 2 Sv. Ingevolge die bepaling heeft het hof aan de verdachte en de advocaat-generaal gevraagd of een van hen terugwijzing naar de rechtbank verlangde. Dit bleek niet het geval te zijn. Hierop heeft het hof zelf op 3 april 2024 de hoofdzaak onderzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 10 augustus 2022 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onder b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft hij met een door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid (bestelauto) een gevaarlijke stof, te weten 31 stuks, in elk geval meerdere drukhouders inhoudende Distikstofoxide (lachgas), UN-nummer 1070, vervoerd over de Boompjeskade, in elk geval over land, terwijl de bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen terzake gestelde regels niet in acht waren genomen, immers </para>
    </parablock>
    <para>- werd in de transporteenheid geen vervoerdocument die alle vervoerde gevaarlijke goederen dekte meegevoerd (voorschrift 8.1.2.1 onder a van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen) en/of - waren colli die gevaarlijke goederen bevatten niet vastgezet met geschikte middelen die in staat waren de goederen in het voertuig of de container in bedwang te houden (zoals bevestigingsbanden, schuifwanden, verstelbare steunen) op een wijze die bewegingen die de stand van de colli zouden kunnen wijzigen, voorkwam of die zouden kunnen leiden tot beschadiging van de colli (voorschrift 7.5.7.1 van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen) en/of </para>
    <para>- was/waren voor het voorwerp of stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2, te weten 2 drukhouders, de in kolom (5) getoonde etiketten niet aangebracht (voorschrift 5.2.2.1.1 van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen); </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder de eerste twee gedachtestreepjes tenlastegelegde, te weten - kort en zakelijk weergegeven - het niet meevoeren van een vervoerdocument dat alle vervoerde gevaarlijke goederen dekte en het niet deugdelijk en met geschikte middelen vastzetten van de vervoerde colli die gevaarlijke goederen bevatten. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het onder het derde gedachtestreepje tenlastegelegde, te weten – kort en zakelijk weergegeven – het niet aanbrengen van de voorgeschreven etiketten op een tweetal drukhouders, tot een geldboete ter hoogte van € 500,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt (zie daaromtrent hetgeen hierboven is overwogen onder het kopje ‘<emphasis role="underline">Procesgang’</emphasis>) en omdat van het vonnis, ondanks de toepasselijkheid van artikel 378 lid 2 aanhef en onder c Sv, slechts aantekening is gemaakt op de wijze zoals bedoeld in artikel 378a lid 1 Sv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> 10 augustus 2022 te Rotterdam<emphasis role="strike-through">, al dan niet opzettelijk,</emphasis> handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onder b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft hij met een door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid (bestelauto) een gevaarlijke stof, te weten 31 <emphasis role="strike-through">stuks, in elk geval meerdere</emphasis> drukhouders inhoudende <emphasis role="strike-through">D</emphasis><emphasis role="italic">d</emphasis>istikstofoxide (lachgas), UN-nummer 1070, vervoerd over de Boompjeskade<emphasis role="strike-through">, in elk geval over land,</emphasis> terwijl <emphasis role="strike-through">de bij of</emphasis> krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen <emphasis role="strike-through">terzake </emphasis><emphasis role="italic">ter zake</emphasis> gestelde regels niet in acht waren genomen, immers </para>
    </parablock>
    <para>- werd in de transporteenheid geen vervoerdocument <emphasis role="strike-through">die </emphasis><emphasis role="italic">dat</emphasis> alle vervoerde gevaarlijke goederen dekte meegevoerd (voorschrift 8.1.2.1 onder a van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen) en<emphasis role="strike-through">/of </emphasis></para>
    <para>- waren colli die gevaarlijke goederen bevatten niet vastgezet met geschikte middelen die in staat waren de goederen in het voertuig <emphasis role="strike-through">of de container</emphasis> in bedwang te houden (zoals bevestigingsbanden, schuifwanden, verstelbare steunen) op een wijze die bewegingen die de stand van de colli zouden kunnen wijzigen<emphasis role="strike-through">, voorkwam</emphasis> of die zouden kunnen leiden tot beschadiging van de colli, <emphasis role="italic">voorkwam</emphasis> (voorschrift 7.5.7.1 van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen) en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> - was/waren voor het voorwerp of stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2, te weten 2 drukhouders, de in kolom (5) getoonde etiketten niet aangebracht (voorschrift 5.2.2.1.1 van Bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen)<emphasis role="strike-through">;</emphasis><emphasis role="italic">. </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan overtreding van voorschriften gesteld bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze voorschriften beogen de veiligheid van het vervoer van dergelijke gevaarlijke stoffen te waarborgen. Door op de bewezenverklaarde wijze te handelen heeft de verdachte deze veiligheid en daarmee ook de veiligheid van andere personen in gevaar gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beginsel kan bij dergelijke feiten niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een relatief forse geldboete. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is echter gebleken dat de verdachte de handel in en daarmee het vervoer van distikstofoxide (lachgas) heeft gestaakt toen het verbod op recreatief gebruik daarvan werd aangekondigd en hij zich daarom met zijn bedrijf op andere werkzaamheden heeft gericht. Mede gelet hierop heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte zich naar alle waarschijnlijkheid niet nogmaals schuldig zal maken aan het bewezenverklaarde feit. Het hof ziet dan ook reden om de op te leggen geldboete te matigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 maart 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 november 2022 onder CJIB-nummer 5132 5420 0491 8092.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 500,00 (vijfhonderd euro)</emphasis>, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door <emphasis role="bold">10 (tien) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, mr. Th.P.L. Bot en mr. R.K. Pijpers, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. R.K. Pijpers en mr. E.C. Sjardin zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>