<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2024:2917</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T17:49:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-002791-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:117" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:117</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2917">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2917</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T17:43:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2024:2917 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2024 / 22-002791-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2024:2917:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en geweld tegen beroepsbeoefenaars politie en mishandeling. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2024:2917:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-002791-23 </para>
  <para>Parketnummer:	     10-263819-22 </para>
  <para>Datum uitspraak:	24 april 2024</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 6 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, </para>
      <para>adres: [woonadres] , [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, subsidiair 30 dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de verdachte is tegen het vonnis beperkt hoger beroep ingesteld, namelijk uitsluitend gericht tegen de feiten 2, 3 en 4.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, omdat de verdachte afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan. Subsidiair stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de zaak dient te worden aangehouden zodat een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg bij de rechtbank kan worden opgevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de akte instellen hoger beroep heeft de verdachte op 19 september 2023 verklaard hoger beroep in te stellen tegen voornoemd vonnis. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij geen afstand heeft gedaan van haar recht om hoger beroep in te stellen en in elk geval niet heeft begrepen dat zij hier afstand van heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aantekening van het mondeling uitgesproken vonnis van de politierechter van 6 september 2023 is vermeld dat de verdachte en de officier van justitie ter terechtzitting afstand hebben gedaan van rechtsmiddelen. Dit levert in beginsel volledig bewijs op dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen. Ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad kan, indien de verdachte afstand heeft gedaan van haar recht hoger beroep in te stellen, geen hoger beroep meer worden ingesteld, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van artikel 381, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat er inderdaad bijzondere omstandigheden zijn die met zich brengen dat de verdachte in haar hoger beroep ontvankelijk is. Het hof is evenwel van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting daarvan niet is gebleken. De verdediging heeft zich ter onderbouwing van haar standpunt immers beperkt tot een verwijzing naar de bewering van de verdachte dat zij geen afstand heeft gedaan van hoger beroep dan wel niet heeft begrepen dat zij dat deed. Dat is onvoldoende om bijzondere omstandigheden in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad aan te nemen. Voor een nader onderzoek op dat punt is het hof de noodzakelijkheid niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, </para>
      <para>mr. J.W. du Pon en mr. C.J. van Buuren, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2024.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>