<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2024:2607</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-01T18:08:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-23/722</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2023:11758" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:11758, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025022603</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/387</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-0466</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/0562</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/12.18.18</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/452</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/588 met annotatie van mr. A.S. van Middelkoop</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2607">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2607</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-25T17:02:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2024:2607 Gerechtshof Den Haag , 12-12-2024 / BK-23/722</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2024:2607:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 69 Wet MRB. De Inspecteur mag op grond van artikel 69 Wet MRB twee naheffingsaanslagen opleggen omdat met betrekking tot twee verschillende voertuigen op dezelfde kalenderdag een overtreding is begaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2024:2607:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>meervoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-23/722</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 12 december 2024</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juni 2023, nummer SGR 22/7292.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende zijn twee naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 50 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para>- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 22/7291 ongegrond:</para>
      <para>- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 22/7292 gegrond;</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot aanslagvolgnummer [aanslagnummer] en</para>
      <para>vernietigt de naheffingsaanslag met aanslagvolgnummer [aanslagnummer] ;</para>
      <para>- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft voorts medegedeeld dat hij de verzuimboete ambtshalve heeft verminderd tot 50% van de nageheven belasting, conform het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst per 1 juli 2023.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 november 2024. Belanghebbende is fysiek verschenen. Als gevolg van een misverstand aan de zijde van het Hof heeft de Inspecteur per telefoon deelgenomen aan de zitting. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Belanghebbende is vanaf 22 januari 2019 houder van een handelaarskenteken met kenteken [kenteken 1] . In de bedrijfsvoorraad van belanghebbendes onderneming zijn vanaf 16 oktober 2019 een Fiat Panda met het kenteken [kenteken 2] (auto 1) en een Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken 3] (auto 2) opgenomen. Op 26 mei 2022 is met beide auto's gebruik gemaakt van de openbare weg zonder dat de handelaarskentekenplaten over de originele kentekenplaten waren aangebracht. Naar aanleiding van deze constateringen zijn de naheffingsaanslagen en de verzuimboete opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangemerkt als eiser en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">De naheffingsaanslagen</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>3. Bij de zogenoemde handelaarsregeling van de Wet op de motorrijtuigenbelasting</para>
    <parablock>
      <para>1994 (Wet Mrb) wordt de motorrijtuigenbelasting geheven voor het opgegeven</para>
      <para>handelaarskenteken. [1] Voor de handelaarsregeling gelden voorwaarden [2] (de voorwaarden).</para>
      <para>Een van die voorwaarden is dat bij het gebruik van een auto die tot de bedrijfsvoorraad</para>
      <para>behoort, het handelaarskenteken moet worden gebruikt [3] en dat de handelaarskentekenplaten</para>
      <para>op de daartoe bestemde plaats zijn aangebracht aan de voor- en de achterkant van de auto. [4]</para>
      <para>Als niet aan de voorwaarden van de handelaarsregeling wordt voldaan kan de</para>
      <para>motorrijtuigenbelasting voor de desbetreffende auto worden nageheven over een tijdsduur</para>
      <para>van twaalf maanden waarbij als laatste dag geldt de dag waarvan wordt geconstateerd dat op</para>
      <para>die dag niet wordt voldaan aan de voorwaarden. [5] Verweerder heeft de naheffingsaanslagen</para>
      <para>daarom in beginsel kunnen en mogen opleggen over het tijdvak 27 mei 2021 tot en met 26</para>
      <para>mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Gezien het feit dat in artikel 69. tweede lid Wet Mrb wordt gesproken over "dat op</para>
    <parablock>
      <para>die dag niet wordt voldaan aan de (...) voorwaarden” kan naar het oordeel van de rechtbank</para>
      <para>slechts één naheffingsaanslag worden opgelegd, ook wanneer er op die dag meerdere keren</para>
      <para>wordt vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden.[6] Niet in geschil is dat in</para>
      <para>onderhavig geval beide waarnemingen zeer kort na elkaar op dezelfde dag hebben</para>
      <para>plaatsgevonden. Verweerder heeft dan ook ten onrechte twee naheffingsaanslagen opgelegd.</para>
      <para>Dat de waarnemingen betrekking hebben op twee verschillende voertuigen, maakt dat niet</para>
      <para>anders. De belasting wordt immers niet nageheven ter zake van het gebruik van de weg</para>
      <para>maar ter zake van het niet nakomen van de voorwaarden die aan de handelaarsregeling zijn</para>
      <para>verbonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verzuimboete</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Verweerder kan vanwege het gebruik van de weg met een auto uit een</para>
    <parablock>
      <para>bedrijfsvoorraad waarbij niet is voldaan aan de voorwaarden, een verzuimboete opleggen</para>
      <para>van maximaal 100%. [7] Wanneer eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat hij de</para>
      <para>verschuldigde belasting niet heeft betaald en dus sprake is van afwezigheid van alle schuld,</para>
      <para>wordt de verzuimboete niet opgelegd. [8]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft verzocht de handelaarsregeling te mogen toepassen en heeft daarom het</para>
    <parablock>
      <para>handelaarskenteken gekregen. Hij had dan ook zonder meer op de hoogte kunnen en moeten</para>
      <para>zijn van de daaraan gestelde voorwaarden. Van afwezigheid van alle schuld is dan ook geen</para>
      <para>sprake. Eiser heeft met zijn stelling dat de handelwijze van verweerder tot gevolg heeft dat</para>
      <para>mensen verder in de schulden worden gewerkt, niet aannemelijk gemaakt dat vanwege zijn</para>
      <para>financiële omstandigheden de verzuimboete zou moeten worden verminderd. Andere</para>
      <para>omstandigheden die reden zouden kunnen zijn om de verzuimboete te matigen, zijn niet</para>
      <para>gebleken. De rechtbank acht de boete daarmee passend en geboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep met zaaknummer SGR 22/7291</para>
    <para>ongegrond verklaard en het beroep met zaaknummer SGR 22/7292 gegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat geen kosten</para>
    <para>zijn gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen..</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat sprake is van</para>
    <para>een ambtshalve verlaging van de boete.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Artikel I, tweede lid. van de Wet Mrb.</para>
    <para>2 Artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 3 van het</para>
    <para>Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.</para>
    <para>3 Artikel 37. derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 44, vierde lid, van het</para>
    <para>Kentekenreglement.</para>
    <para>4 Artikel 7, eerste lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten.</para>
    <para>5 Artikel 69 Wet Mrb.</para>
    <para>6 Vergelijk Hoge Raad 17 februari 2006, ECL1:NL:HR:2OO6:AVI7I7.</para>
    <para>7 Artikel 70 en 69 van de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake</para>
    <para>rijksbelastingen en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.</para>
    <para>8 Paragraaf 4 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.”</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In geschil is of de Rechtbank de naheffingsaanslag met aanslagvolgnummer [aanslagnummer] terecht heeft vernietigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De naheffingsaanslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In geschil is hoe de wijziging van artikel 69, lid 2, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1992 dient te worden uitgelegd. Tot 1 juli 2008 luidde de tekst als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van 12 maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na de wijziging luidt de tekst als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarvan wordt geconstateerd dat op die dag niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, gestelde voorwaarden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In de memorie van toelichting wordt de wijziging als volgt toegelicht:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Artikel XXII, onderdeel H (artikel 69 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)</emphasis></para>
        <para>Ingevolge deze wijziging vervalt in artikel 69 Wet MRB de eis van geconstateerd weggebruik als voorwaarde voor naheffing. De zogenoemde handelaarsregeling voorziet in een lager tarief voor auto’s die onderdeel zijn van een bedrijfsvoorraad. Artikel 69 Wet MRB ziet op de naheffing bij misbruik van deze regeling. Dat misbruik kan bestaan uit het gebruiken van de weg met het voertuig, terwijl niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Wanneer dat weggebruik wordt geconstateerd, kan worden nageheven. Misbruik kan echter ook op andere wijze blijken, bijvoorbeeld uit een boekenonderzoek. Op dit moment kan dan niet worden nageheven. Het laten vervallen van de eis van geconstateerd weggebruik leidt ertoe dat in alle gevallen waarin niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling, naheffing met boete op basis van artikel 69 kan plaatsvinden. Een voorbeeld is een motorrijtuig dat ten onrechte in de bedrijfsvoorraad staat geregistreerd, omdat het als leenauto wordt ingezet.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het Hof leidt uit de toelichting af dat met de wijziging geen beperking is beoogd, maar een uitbreiding van de mogelijkheid tot naheffen. Ook bij een constatering van gebruik van de weg kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. Aangezien tweemaal is geconstateerd dat gebruik is gemaakt van de weg, mocht tweemaal een naheffingsaanslag worden opgelegd. Hierbij is niet van belang dat de constateringen op dezelfde dag hebben plaatsgevonden. Het gebruik van de woorden “met het voertuig” is ook een aanwijzing dat per voertuig een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Bij een andersluidende uitleg zou een handelaar met zijn hele bedrijfsvoorraad tegen betaling van één maal motorrijtuigenbelasting gebruik van de weg kunnen maken. De Inspecteur heeft er voorts op gewezen dat belanghebbende slechts over één handelaarskenteken beschikt, en dat het niet is toegestaan om eigen handelsvoorraad met een handelaarskenteken van een andere garagehouder te verplaatsen. Ook dit is een schending van de voorwaarden die aan het handelaarskenteken zijn verbonden, aldus de Inspecteur. Het Hof volgt de Inspecteur ook op dit punt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het Hof begrijpt dat belanghebbende het opleggen van twee naheffingsaanslagen onredelijk vindt, aangezien hij zich heeft vergist. Het Hof heeft alle begrip voor belanghebbende en gaat ook uit van zijn goede bedoelingen, maar ziet geen mogelijkheid om de naheffingsaanslag te vernietigen of te matigen om deze reden. Het verkeerd (of niet) aanbrengen van de handelaarskentekenplaten is iets waarmee de regelgever rekening heeft gehouden. Het is immers verplicht om deze platen zichtbaar en op de voorgeschreven plekken op de auto te bevestigen. Hieruit volgt dat het verkeerd aanbrengen van de platen, zoals belanghebbende heeft gedaan, geen reden is om de naheffing achterwege te laten of te vernietigen. Voor het heffen van belasting geldt dat schuld of verwijtbaarheid geen rol speelt. Dat belanghebbende het niet opzettelijk heeft gedaan gelooft het Hof, maar dit maakt de uitkomst van de procedure niet anders. Het gelijk is dus aan de Inspecteur.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzuimboete</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft zelf geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzuimboete. Het Hof voegt ten overvloede toe dat voor een verzuimboete niet nodig is dat sprake is van opzet bij de belastingplichtige. Een verzuimboete kan ook worden opgelegd als aan de voorwaarden niet is voldaan zonder dat de belastingplichtige het opzet had om geen belasting te betalen, zoals in dit geval. Het Hof ziet geen aanleiding om de verzuimboete verder te verminderen dan 50% van de nageheven belasting, conform de ambtshalve beslissing van de Inspecteur.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het hoger beroep is gegrond.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over het griffierecht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 12 december 2024 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>