<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2024:1992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-17T08:59:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-23/454</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1992">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1992</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-17T08:58:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2024:1992 Gerechtshof Den Haag , 10-10-2024 / BK-23/454</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2024:1992:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet bpm. VWEU. Voldoening op aangifte. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Heffingsmodaliteiten niet in strijd met Unierecht. Voorwaarden taxatierapporten. Geen aansluiting waarde in onbeschadigde staat bij waarde van ex-rental. Geen verlaging CO2-uitstoot. Extra leeftijdskorting; beroep op interne compensatie slaagt. Vergoeding immateriële schade. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Wettelijke rente. Cessieverbod. Uitbetaling proceskostenvergoeding beroep door Inspecteur.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2024:1992:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Belastingrecht</para>
      <para>enkelvoudige kamer</para>
      <para>nummer BK-23/454</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 10 oktober 2024</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,</bridgehead>
    <para>(vertegenwoordiger: […] ) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 april 2023, nr. SGR 21/7405.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte € 503 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan bpm. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 360. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
        <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
        <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;</para>
        <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837;</para>
        <para>- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden;</para>
        <para>- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 16 augustus 2024 een nader stuk (pleitnota) ingekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 augustus 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 503 aan bpm voldaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk BMW 5-serie 530i xDrive Executive (de auto). Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De datum eerste toelating van de auto is 29 november 2017. In de aangifte heeft belanghebbende een CO2-uitstoot van de auto vermeld van 143 gr/km.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De aangegeven en betaalde bpm bedraagt voor de auto € 503 en is bepaald met inachtneming van voormelde CO2-uitstoot.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft dat bezwaar bij de bestreden uitspraak op bezwaar afgewezen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para>5. Eiseres heeft primair aangevoerd dat de voorwaarden die worden gesteld aan taxatierapporten in bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitvoeringsregeling) in strijd zijn met het Unierecht. Zij heeft dit toegespitst op onderdeel 3.4 van deze bijlage. Hierin staat dat op basis van de handelsinkoopwaarden van de referentiemotorrijtuigen gemotiveerd wordt aangegeven welke waarde als uitgangspunt dient voor het te taxeren motorrijtuig. Indien geen van de referentiemotorrijtuigen 100% overeenkomt met het te taxeren motorrijtuig, wordt een gemiddelde waarde van de referentiemotorrijtuigen aangemerkt als handelsinkoopwaarde die gebruikt wordt bij het te taxeren motorrijtuig. Hierdoor is het volgens eiseres niet uit te sluiten dat op de ingevoerde auto meer Bpm rust dan op een zich al op de Nederlandse markt bevindende auto. Dit betoog faalt reeds nu uit het taxatierapport niet blijkt dat de handelsinkoopwaarde is vastgesteld aan de hand van de gemiddelde waarde van referentievoertuigen.</para>
    <para />
    <para>6. Eiseres stelt verder dat moet worden uitgegaan van de laagst mogelijke handelsinkoopwaarde en dat daarom, anders dan in het taxatierapport is gebeurd, moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een verhuurverleden (ex-rental). Er moet daarom een waardevermindering van 10% worden toegepast. Het zijn van een ex-rental is echter een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013.[1] Eiseres heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden.[2]</para>
    <para />
    <para>7. Ook stelt eiseres dat zij als gevolg van de overgang van de NEDC meetmethode naar de WLTP meetmethode is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot van de auto. Zij wijst in dat kader op TNO-onderzoek en onderzoek van KPMG (de onderzoeken) waaruit volgt dat de uitstoot volgens de WLTP meetmethode structureel hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in onderhavig geval teveel Bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld.</para>
    <para />
    <para>8. Aangezien verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond heeft verklaard, heeft verweerder terecht geen kostenvergoeding voor bezwaar toegekend. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan al hetgeen eiseres daaromtrent heeft aangevoerd.</para>
    <parablock>
      <para>De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar stelling dat in de uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op de gronden die zij bij het hoorgesprek heeft aangevoerd. In de e-mail die de gemachtigde voorafgaand aan het hoorgesprek aan verweerder heeft gezonden staat voor onderhavige zaak het volgende vermeld:</para>
      <para>“Ex-rental</para>
      <para>WLTP</para>
      <para>TNS 22-2-2020”</para>
      <para>Al deze onderwerpen zijn, hoewel summier, behandeld in de uitspraak op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>10. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[3] Eiseres heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is dit niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.</para>
    <para />
    <para>12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 24 februari 2020 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 13 april 2023 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase drie jaar en (naar boven afgerond) twee maanden heeft geduurd. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Aangezien verweerder op 20 oktober 2021 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom de schade te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>13. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat de kostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van eiseres dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiseres heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het haar onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.</para>
    <para />
    <para>14. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Slechts indien de vergoeding niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, heeft zij recht op vergoeding van de wettelijke rente.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[1] ECLI:EU:C:2013:857.</para>
      <para>[2] Zie Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331.</para>
      <para>[3] Vgl EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In hoger beroep is in geschil of voor de auto te veel bpm is voldaan. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerend effect van het griffierecht en maakt hij aanspraak op een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggave dan wel vermindering van het op aangifte voldane bedrag aan bpm. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, alles vermeerderd met een passende rentevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar de grieven die hij in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd. Het Hof overweegt, in aanvulling op de uitspraak van de Rechtbank, het volgende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoorgesprek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat niet is ingegaan op de gronden die zij bij het hoorgesprek heeft aangevoerd. Gelijk de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak heeft overwogen, faalt die stelling. De onderwerpen die voorafgaand aan het hoorgesprek door gemachtigde aan de Inspecteur zijn gezonden, zijn alle (summier) behandeld in de uitspraak op bezwaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heffingsmodaliteiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet Bpm leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorwaarden taxatierapporten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat de voorwaarden die gesteld worden aan taxatierapporten in bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitvoeringsregeling) in strijd zijn met het Unierecht (zie overweging 5 van de Rechtbank). Het Hof sluit zich aan bij de beslissing van de Rechtbank. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere conclusie kan leiden. Deze stelling faalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vermindering waarde in onbeschadigde staat (ex-rental)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt ook in hoger beroep weer dat de waarde in onbeschadigde staat van de auto moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het Hof sluit zich aan bij overweging 6 van de Rechtbank. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende niet gesteld en is ook anderszins niet duidelijk geworden dat de auto een ex-rental betreft. Deze stelling faalt derhalve. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">CO2-uitstoot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot met 50 gr/km moet worden verlaagd, nu de auto een eerste toelating heeft van 2017 en de auto binnen het bereik van de zogenoemde WLTP-heffing valt. Dit teneinde de volle werking van het Unierecht te kunnen waarborgen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Belanghebbende heeft niets concreets aangevoerd om dit standpunt te onderbouwen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Extra leeftijdskorting en beroep op interne compensatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op € 9 extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft zich ter zitting beroepen op interne compensatie, omdat belanghebbende 100% van de schade heeft afgetrokken terwijl dit 72% had mogen zijn. Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur zich op interne compensatie mag beroepen. Dit beroep is, anders dan belanghebbende bepleit, niet tardief. Belanghebbende is pas in een pleitnota, kort voor de zitting, met dit standpunt gekomen. Aan de Inspecteur kan dan niet worden tegengeworpen dat hij pas op zitting een beroep doet op interne compensatie. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de gedachte tot het innemen van dit nieuwe standpunt veel eerder bij belanghebbende had kunnen opkomen. Zij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om de korting te berekenen. De Inspecteur heeft ter zitting voorgerekend hoe het beroep op interne compensatie uitwerkt. De conclusie is dat het standpunt van belanghebbende wel juist is, maar niet leidt tot een teruggaaf. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat 100% van de schade in aftrek dient te komen. Belanghebbende mag blij zijn dat de Inspecteur geen naheffingsaanslag heeft opgelegd.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie voldoening op aangifte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voor de auto niet te veel bpm voldaan. De Inspecteur heeft terecht het bezwaar afgewezen. Er bestaat geen aanleiding voor een vermindering van het verschuldigde bedrag aan bpm. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzoek vergoeding van immateriële schade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden en zoals belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, nog niet is verstreken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoogte proceskostenvergoeding beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Belanghebbende komt op tegen de hoogte van de in verband met de schadevergoeding door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 837. De Rechtbank heeft een vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) toegekend, terwijl belanghebbende stelt dat hij op grond van het Unierecht aanspraak heeft op een hogere vergoeding ofwel vergoeding van de werkelijke proceskosten (een integrale proceskostenvergoeding). De Rechtbank heeft dat verzoek in overweging 13 van haar uitspraak op goede gronden afgewezen. Het Hof sluit zich daarbij aan. De door de Rechtbank toegekende vergoeding is gelet op de aanleiding voor de toekenning hiervan niet te laag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende klaagt dat de heffing van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171).</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige geschilpunten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>Het Hof sluit zich aan bij de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling. Of de betaling al dan niet tijdig is geschied, is voor de onderhavige procedure niet relevant. Dat is een civiele kwestie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen dat het per 1 januari 2024 geldende cessieverbod (voor bpm- en WOZ-zaken) in strijd is met het Unierecht. Het Hof volstaat met de constatering dat het cessieverbod een civiele aangelegenheid is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>Hetgeen de gemachtigde van belanghebbende ter zitting heeft gesteld over de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632) is, zoals de gemachtigde heeft erkend, niet van belang voor dit hoger beroep.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>Het hoger beroep is ongegrond. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 10 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">     a. - de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     b. - de dagtekening;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     d. - de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>