<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2024:1363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-04T10:07:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.343.258/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2024:6318" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:6318</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2024/381</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1363">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-06T10:34:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2024:1363 Gerechtshof Den Haag , 11-07-2024 / 200.343.258/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2024:1363:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verzoeker tot wraking niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen afwijzende beslissing van rechtbank,  nu wegens gewijzigde rechtspraak van de Hoge Raad niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep kan </para>
        <para>worden ingesteld van een afzonderlijke beslissing op een verzoek tot wraking</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2024:1363:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.343.258/01<?linebreak?>rekestnummer rechtbank 	: HA RK 24-590</para>
      <para>zaaknummer rechtbank 	: C/10/681349</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 11 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het hoger beroep van de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam, als bedoeld in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met hiervoor genoemd zaaknummer van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] , </para>
      <para>Wonende te Rotterdam, </para>
      <para>Hierna te noemen: de verzoeker, </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure </title>
    <para />
    <para>1. Bij de rechtbank Rotterdam zijn onder zaaknummers C/10/679499 / KG ZA 24-469 en C/10/679512 / KG ZA 24-471 procedures gevoerd tussen [verzoeker] als verweerder en [gedaagde] als gedaagde (hierna ook: de hoofdzaak). </para>
    <para />
    <para>2. In de hoofdzaak heeft op 25 juni 2024 een mondelinge behandeling bij de rechtbank Rotterdam plaatsgevonden, waarbij onder meer de verzoeker en zijn advocaat aanwezig waren. </para>
    <para />
    <para>3. Op 25 juni 2024 heeft de verzoeker (in persoon) een verzoek tot wraking gedaan van mr. J. van den Bos, de behandeld rechter in de hoofdzaak (hierna: de gewraakte rechter). Voorts heeft de verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking, mr. M.G.L. de Vette, voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam, gewraakt. Dit verzoek is door  de wrakginskamer buiten behandeling gesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Bij beslissing van de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2024 is het wrakingsverzoek van de verzoeker afgewezen.  </para>
    <para />
    <para>5. Bij e-mails van 2 juli 2024 is de verzoeker van deze beslissing van de wrakingskamer in hoger beroep gekomen bij de wrakingskamer van het hof (hierna: het hof). Op diezelfde dag heeft de gewraakte rechter in de hoofdzaak einduitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>6. De wrakingskamer van het hof heeft de stukken van het hoger beroep beoordeeld en besloten uitspraak te doen zonder behandeling van het verzoek op zitting, om reden dat de verzoeker kennelijk niet ontvankelijk is in het hoger beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ontvankelijkheid </title>
    <para />
    <para>6. Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de verzoeker ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam. </para>
    <para />
    <para>7. Ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv staat tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open. Dit was op grond van vaste rechtspraak slechts anders indien de wrakingskamer van de rechtbank de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken (hierna ook: de doorbrekingsgronden). </para>
    <para />
    <para>8. De Hoge Raad heeft in zijn recente arrest van 21 juni 2024 echter aanleiding gezien om van de onder r.o. 7 genoemde rechtspraak terug te komen. In het geval een partij een wrakingsverzoek heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft die partij  de mogelijkheid in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van rechters geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Hoge Raad oordeelt  dat niet langer op  doorbrekingsgronden hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking. Het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen legt immers onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang bij voortgang van de procedure (zie ECLI:NL:HR:2024:918). Deze nieuwe rechtspraak geldt voor alle zaken waarin op of na 21 juni 2024 een rechtsmiddel is ingesteld tegen een beslissing op een verzoek tot wraking (rov. 3.6 van genoemd arrest), dus ook in deze zaak.</para>
    <para />
    <para>9. Gelet op voornoemde rechtspraak kan niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep worden ingesteld van een afzonderlijke beslissing op een verzoek tot wraking. Nu het verzoek een hoger beroep behelst tegen de beslissing van de wrakingskamer gebaseerd  op de doorbrekingsgronden, zal het hof de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het hoger beroep;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker en diens advocaat alsmede aan de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam, de gewraakte rechter en de wederpartij in de hoofdzaak. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J. van Boven, J.W. Frieling en E.C. van Veen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2024, in aanwezigheid van mr. I. Tol,  griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>