<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2022:3014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-03T19:13:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-000115-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:1668" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1668, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:3014">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:3014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-03T19:11:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2022:3014 Gerechtshof Den Haag , 19-10-2022 / 22-000115-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2022:3014:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2022:3014:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-000115-21 PO</para>
  <para>Parketnummer:		10-750197-15</para>
  <para>Datum uitspraak:	19 oktober 2022 </para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], </para>
      <para>adres:[woonadres], [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag van 25 september 2019 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">witwassen, meermalen gepleegd,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van </para>
      <para>8 maanden, met aftrek van voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van </para>
      <para>7 januari 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op </para>
      <para>€ 110.583,52 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van </para>
      <para>€ 105.583,52.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 117.093,52 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 110.583,52 en dat aan de betrokkene een betalingsverplichting zal worden opgelegd ter hoogte van datzelfde bedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het vonnis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e 2e lid Sr van 27 november 2017 met nummer PL17179/2015 (de ontnemingsrapportage). In dit proces-verbaal is een kasopstelling gemaakt waarbij is uitgegaan van de contante uitgaven door de betrokkene over de periode van 11 april 2012 tot en met 1 december 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kasstortingen [bank]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de ontnemingsrapportage komt naar voren dat de betrokkene in de periode vanaf 17 augustus 2012 tot en met 9 oktober 2015 in totaal een bedrag van € 130.778,93 aan kasstortingen heeft gedaan op zijn rekening bij de [bank] te Marokko.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van deze kasstortingen heeft de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een bedrag van (omgerekend) € 100.000,- had geleend van de heer [persoon 1] en met dat geld heeft gehandeld in valuta’s. Betrokkene kocht euro’s in en verkocht deze vervolgens zodra de koers was gestegen. Hierdoor heeft betrokkene naar eigen zeggen veel contante stortingen gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene heeft niet eerder dan ter terechtzitting in hoger beroep (in onderhavige ontnemingszaak) verklaard dat hij zich heeft beziggehouden met valutahandel. Bovendien is deze verklaring niet onderbouwd. De betrokkene heeft geen concrete, verifieerbare gegevens verstrekt waaruit dergelijke handel zou blijken en ook overigens zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden. Bovendien komt de verklaring van de betrokkene niet overeen met de resultaten uit het onderzoek, waaruit blijkt dat betrokkene niet ‘veel’, maar slechts drie contante stortingen van in totaal € 130.778,93 heeft gedaan. Dit betekent dat betrokkene naar het oordeel van het hof voor de kasstortingen geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Deze kasstortingen worden derhalve meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Contante uitgaven huurauto’s [bedrijf]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de contante betalingen aan [bedrijf] is door de verdediging naar voren gebracht dat betrokkene deze betalingen in opdracht en voor rekening van [persoon 2] heeft verricht, hetgeen door [persoon 2] bij de raadsheer-commissaris is bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij (onherroepelijk) arrest van 25 september 2019 in de strafzaak van de verdachte heeft het hof overwogen dat de door [persoon 2]bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring niet geloofwaardig is, nu deze verklaring met betrekking tot de verdachte naar het oordeel van het hof onvoldoende steun vindt in het dossier en afwijkt van [persoon 2]’s eerdere, andersluidende verklaring die wel steun vindt in het dossier en de bewijsmiddelen. Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat die verklaring van [persoon 2] niet kan dienen ter onderbouwing van hetgeen betrokkene in deze ontnemingszaak naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat het hof niet aannemelijk acht dat de betalingen die betrokkene voor huurauto’s heeft gedaan, in opdracht en voor rekening van [persoon 2] zijn verricht. Deze betalingen worden meegenomen bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Huurwoning [adres]en aangetroffen kleding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is in navolging van de verdediging van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene in de woning aan de [adres] woonde en dientengevolge de huur contant heeft betaald. Evenmin is aannemelijk geworden dat de in die woning aangetroffen kleding door betrokkene is aangeschaft. Het hof zal deze bedragen niet meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het voorgaande in ogenschouw genomen zal het hof het aan betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van, € 99.275,00, namelijk € 16.850 + € 130.778 + € 6.749 minus € 55.102.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. In eerste aanleg is de te beoordelen termijn aangevangen op 9 juni 2016 en heeft de rechtbank eindvonnis gewezen op 7 januari 2021. Daarmee is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg overschreden met 2 jaar en 7 maanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet in deze omstandigheid aanleiding het door de betrokkene te betalen bedrag – mede gelet op de hoogte van het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel – met € 9.275,00 te verminderen en vast te stellen op € 90.000,- (negentigduizend euro). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 99.275,00 (negenennegentigduizend tweehonderdvijfenzeventig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 90.000 (negentigduizend euro). </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de <emphasis role="bold">gijzeling</emphasis> die ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">1080 dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, </para>
      <para>mr. J.W. van den Hurk en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffier mr. N. Bruins-van Burgsteden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. J.W. van den Hurk en mr. N. Bruins-van Burgsteden zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>