<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2022:2694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T15:18:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AV00126922</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T17:08:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2022:2694 Gerechtshof Den Haag , 18-11-2022 / AV00126922</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art 512 Sv. Afwijzing verzoek wraking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <parablock>
      <para>Zaaknummer					: AV 001269-22			</para>
      <para>Kenmerk beklagzaken (ex artikel 12 Sv.)	: K21/220407, K21/220434, K21/220501, </para>
      <para>	         				  K21/220509, K21/220548 en K22/220013</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de beklagzaken met voormeld kenmerk, ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[klager],</title>
    <para>hierna te noemen: [klager].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer beslist zonder behandeling ter zitting, dit op grond van het bepaalde in</para>
      <para>artikel 4.2 van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Het geding</title>
    <para />
    <para>1. In de beklagzaken is [klager] bij brief van 5 januari 2022 opgeroepen om te verschijnen op de raadkamerzitting van 23 maart 2022 te 14:15 uur.</para>
    <para />
    <para>2. Bij e-mailbericht van 25 februari 2022 heeft [klager] te kennen gegeven wegens persoonlijke omstandigheden verhinderd te zijn om op de zitting van 23 maart 2022 te verschijnen.</para>
    <para />
    <para>3. Op de zitting van 23 maart 2022 is de behandeling van de beklagzaken voor onbepaalde</para>
    <para>tijd aangehouden. </para>
    <para />
    <para>4. Aan klager is voorgesteld om de zaken medio oktober 2022 te behandelen. </para>
    <para />
    <para>5. Op verzoek van klager is de inhoudelijke behandeling van het beklag vastgesteld op 11 januari 2023. </para>
    <para />
    <para>6. Bij brief van 5 oktober 2022 is [klager] bericht dat de zitting op 11 januari 2023 om 09:30 uur zal plaatsvinden, dat het een besloten zitting zal zijn en dat de beklagzaken inhoudelijk zullen worden behandeld. </para>
    <para />
    <para>7. Bij e-mailbericht van 2 november 2022 heeft [klager] een verzoek tot wraking van de (zittings)raadsheren mrs. T.E. van der Spoel,  Th.P.L. Bot en O.M. Harms ingediend. </para>
    <para />
    <para>8. De raadsheren hebben in een e-mailbericht d.d. 3 november 2022 laten weten niet in de wraking te berusten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Het wrakingsverzoek houdt in dat [klager] geen eerlijke kans krijgt op een gedegen voorbereiding van de beklagzaken nu aan hem, in tegenstelling tot aan de advocaat-generaal, geen afschriften worden verstrekt van de stukken die deel uitmaken van de klachtdossiers. Ook is zijn verzoek om de beklagzaken op verschillende data te behandelen, in plaats van alle beklagzaken in één keer op 11 januari 2023, afgewezen. Dit wekt de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <para>10. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de jurisprudentie geldt deze bevoegdheid ook voor een klager/beklaagde in een artikel 12 Sv-procedure.</para>
    <para />
    <para>11. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter een jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In dit geval zou het dan gaan om een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de rechter jegens [klager] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [klager] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
    <para />
    <para>12. De wrakingskamer stelt voorop dat de wettelijke mogelijkheid van wraking niet bedoeld is als een - verkapt - rechtsmiddel tegen (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing noch over een verzuim te beslissen. Wat betreft de motivering van een (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).</para>
    <para />
    <para>13. In dit geval is het wrakingsverzoek in de kern gebaseerd op de stelling dat geen sprake is van een eerlijk proces, omdat de beklagkamer (i) het verzoek van [klager] om hem een afschrift van alle beklagdossiers te verstrekken heeft afgewezen en (ii) heeft geweigerd om de beklagzaken op afzonderlijke zittingen te behandelen. De bij de afwijzing gemaakte opmerking, te weten dat de dossiers niet omvangrijk zijn en [klager] nog twee maanden de tijd heeft om de zaak voor te bereiden, bevestigt volgens [klager] de schijn van vooringenomenheid. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Het gaat in dit geval dus om procedurele beslissingen van de beklagkamer. Uit de onder 12 genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat dergelijke beslissingen geen grond voor wraking opleveren. </para>
      <para>14. Naar het oordeel van de wrakingskamer is ook geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de genoemde raadsheren jegens [klager] een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij [klager] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De opmerking dat de dossiers niet omvangrijk zijn en dat [klager] nog twee maanden de tijd heeft, kan niet als zodanig gelden.<?linebreak?></para>
      <para>14. Voormelde procedurele beslissingen kunnen kortom niet worden opgevat als vooringenomenheid of de schijn daarvan. <?linebreak?></para>
      <para>14. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking af;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [klager], genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 18 november 2022 door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, H. Wiersinga en I. Reijngoud, in aanwezigheid van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>