<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2022:2406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-19T09:18:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-001916-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:813" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:813</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2406">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-15T16:17:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2022:2406 Gerechtshof Den Haag , 21-11-2022 / 22-001916-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2406:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep (tardief appel). Op basis van f en o’s stelt het hof vast dat de verdachte niet binnen 14 dagen nadat hij op ieg op 17 aug. 2011 op de hoogte is gekomen van het vonnis hoger beroep heeft ingesteld. De f en o’s betreffen een brief van de OvJ d.d. 18 april 2011 aan de verdachte, inhoudende een bevel tot afname van celmateriaal/DNA bij de verdachte “ivm een veroordeling van 9/3/2011 door de rechtbank Rotterdam terzake van art. 3B jo 11 Opiumwet” alsmede een proces-verbaal afname DNA-materiaal van de verdachte d.d. 17 aug. 2011 ingevolge het voornoemde bevel. Verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2406:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-001916-20 </para>
  <para>Parketnummer(s):	10-812224-10 </para>
  <para>Datum uitspraak:	21 november 2022</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, </para>
      <para>adres: [woonadres] [woonplaats] ([land]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2022 gevorderd dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2011 ter zake van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“feit  1: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">T.a.v. feit 2: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is op 27 juli 2020 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het dossier bevindt zich een aan de verdachte gericht bevel van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam van 18 april 2011. </para>
      <para>In de desbetreffende brief staat onder meer het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="687898cc-b6ea-4e7f-87ed-1ba368252cf6" depth="295" width="433" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van afname van DNA-materiaal, d.d. 17 augustus 2011, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], inhoudende dat, ingevolge het hiervoor genoemde bevel, op 17 augustus 2011 te 13:35 wangslijm van de verdachte is afgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte gehoor heeft gegeven aan het bevel van de officier van justitie, zoals neergelegd in de hierboven gedeeltelijk weergegeven brief van 18 april 2011. Dit brengt mee dat de verdachte kennis heeft genomen van de in de brief opgenomen mededelingen, waaronder ook de mededeling dat hij op 9 maart 2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve was de verdachte in ieder geval (uiterlijk) op 17 augustus 2011, toen van hem in verband met deze veroordeling wangslijm is afgenomen, op de hoogte van dat vonnis, althans van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard van de bij het vonnis van 9 maart 2011 opgelegde straf (max straf 2 jaar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte had derhalve op grond van artikel 408, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, uiterlijk binnen 14 dagen na 17 augustus 2011 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. K. Versteeg en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffier mr. E. Mulder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>