<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2022:2342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-09T16:22:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-000320-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:485" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:485, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2342">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-09T16:05:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2022:2342 Gerechtshof Den Haag , 08-11-2022 / 22-000320-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2342:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2342:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-000320-20 PO</para>
  <para>Parketnummer:  	10-996661-16</para>
  <para>Datum uitspraak:	8 november 2022 </para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, </para>
      <para>adres: [woonadres], [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 8 november 2022 is de betrokkene, ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, </para>
      <para>gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf.<footnote-ref linkend="_88d5e257-7a08-476c-aa2b-30749c46ced0" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 januari 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 1.045.803,65 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 522.901,82.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 1.114.421,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie deze vordering beperkt tot een bedrag van </para>
      <para>€ 996.368,40 (= € 1.114.421,- -/- € 118.052,60) en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 498.184,20.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 1.027.426,65 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 513.713,32.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het vonnis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van de meervoudige kamer van dit gerechtshof van 8 november 2022 is de betrokkene veroordeeld ter zake van – kort en zakelijk weergegeven – het medeplegen van gewoontewitwassen en valsheid in geschrift. Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een en ander zoals vereist voor toepassing van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof is, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, aannemelijk dat de valsheid in geschrift en andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e Sr op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene financieel voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel ex artikel 36e d.d. 8 november 2017, opgemaakt en ondertekend door M.J. Merkun van de Inspectie SZW, directie Opsporing te Eindhoven (hierna: het ontnemingsrapport).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit dit ontnemingsrapport volgt dat minder omzet is besteed aan personeelskosten dan redelijkerwijs viel te verwachten. Het verschil tussen de daadwerkelijk vastgestelde personeelskosten en het bedrag aan personeelskosten dat als reëel wordt gezien (70% van de omzet), wordt door de rapporteur aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof volgt de berekening uit het ontnemingsrapport, maar beperkt zich voor de vaststelling van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel tot de jaren 2012 tot en met 2016, waarbij het hof in ogenschouw heeft genomen dat artikel 36e lid 3 Sr, zoals van toepassing, pas op 1 juli 2011 in werking is getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Wederrechtelijk voordeel				€ 948.477,00<footnote-ref linkend="_9c915496-d68f-4186-a45c-e71390e46453" /></para>
      <para>Toegerekend aan medeveroordeelde   -/- <emphasis role="underline">€  13.576,05</emphasis><footnote-ref linkend="_c3da1c84-a1a3-4e8b-9184-3141716f991c" /></para>
      <para>(vader)							€ 934.900,95</para>
      <para>Kosten 5%							<emphasis role="underline">€  46.745,05</emphasis></para>
      <para>								€ 888.155,90</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel <emphasis role="bold">€ 888.155,90.</emphasis></para>
      <para>Gelet op het verhandelde ter terechtzitting kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontvangen. Aannemelijk is dat de medebetrokkene, te weten zijn moeder, heeft gedeeld in dit voordeel. Nu beiden hier geen openheid van zaken over hebben gegeven, zal hof  uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">verweer</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit, zakelijk weergegeven, dat de betrokkene hogere loonkosten heeft gehad dan is opgenomen in de berekening in het ontnemingsrapport. De betrokkene gaf zijn cliënten contante gelden, zodat zij het door henzelf ingeschakelde personeel konden betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof is het verweer van de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd en derhalve niet aannemelijk geworden, zodat het hof dit verweer verwerpt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar hetgeen het hof in het arrest in de hoofdzaak heeft overwogen met betrekking tot de schending van de redelijke termijn, is het hof van oordeel dat in de ontnemingszaak kan worden volstaan met de constatering van die schending, in aanmerking genomen dat in de hoofdzaak de overschrijding van de redelijke termijn reeds heeft geleid tot oplegging van een lagere straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag van (€ 888.155,90 : 2 =) <emphasis role="bold">€ 444.077,95</emphasis> aan de Staat te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">444.077,95 (vierhonderdvierenveertigduizend zevenenzeventig euro en vijfennegentig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 444.077,95 (vierhonderdvierenveertigduizend zevenenzeventig euro en vijfennegentig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, </para>
      <para>mr. A.L. Frenkel en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. A.L. Frenkel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_88d5e257-7a08-476c-aa2b-30749c46ced0" label="1">
    <para> Hof Den Haag, arrest d.d. 8 november 2022 inzake rolnummer </para>
    <para>22-004532-18.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c915496-d68f-4186-a45c-e71390e46453" label="2">
    <para> € 75.488 (2012) + € 85.278 (2013) + € 300.332 (2014) + € 191.129 (2015) + € 296.250 (2016). Zie ook pagina 19 van het ontnemingsrapport.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3da1c84-a1a3-4e8b-9184-3141716f991c" label="3">
    <para> Vonnis rechtbank Rotterdam gewezen op 23 januari 2020 in de zaak van de vader van de veroordeelde Muzaffer Dervisoglu.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>