<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2022:2031</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-09T13:34:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200313918</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2031">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:2031</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T10:42:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2022:2031 Gerechtshof Den Haag , 23-09-2022 / 2200313918</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2031:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens het na tussenarrest niet langer handhaven van grieven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2022:2031:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-003139-18 </para>
  <para>Parketnummer:		10-700458-17 </para>
  <para>Datum uitspraak:	23 september 2022</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],</para>
      <para>thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan, te Alphen aan den Rijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2018 is de verdachte integraal vrijgesproken van het aan hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 1 augustus 2018 heeft de officier van justitie onbeperkt hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting van 2 december 2020 heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld en het onderzoek is gesloten. Op 16 december 2020 heeft het hof een tussenarrest gewezen en het onderzoek heropend en geschorst, opdat alsnog een drietal getuigen kon worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting van 23 september 2022 heeft de advocaat-generaal na hervatting van het geschorste onderzoek kenbaar gemaakt dat de grieven van de officier van justitie tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde – mede naar aanleiding van de recente getuigenverhoren - niet langer worden gehandhaafd. De advocaat-generaal heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de niet-ontvankelijkheid van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep - gezien de inhoudelijke behandeling van de zaak op 2 december 2020 en het op </para>
      <para>16 december 2020 gewezen tussenarrest - inmiddels een gepasseerd station is en dat de zaak dient te resulteren in een (inhoudelijke) einduitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep wegens het inmiddels ontbreken van grieven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK0910, r.o. 2.6.2) overwogen dat noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van artikel 416, derde lid, Sv volgt dat de rechter uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de officier van justitie kan uitspreken. Een dergelijke beslissing kan dus ook na dat onderzoek worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft geconstateerd dat van de zijde van het openbaar ministerie thans geen grieven meer tegen het vonnis waarvan beroep bestaan. Het hof ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve evenmin redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv, niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. W.M. Limborgh, mr. D.M. Thierry en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>