<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:2933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-25T14:17:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.291.405/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2023:416" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2023:416</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2933">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-25T14:15:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:2933 Gerechtshof Den Haag , 03-08-2021 / 200.291.405/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2933:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>hoger beroep tegen rolbeslissing, bindende eindbeslissing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2933:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 200.291.405/01</para>
      <para>Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/520565 / HA ZA 16-1204</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest van 3 augustus 2021</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [appellante] Holding B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Capelle aan den IJssel,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante],</para>
      <para>advocaat: mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. <emphasis role="bold">mr. Roland Slotboom</emphasis> in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van ECP Finance B.V.,</para>
    <parablock>
      <para>kantoorhoudende te Rotterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: de curator,</para>
      <para>niet verschenen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. <emphasis role="bold">Dynniq Nederland B.V.</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amersfoort,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: Dynniq,</para>
      <para>advocaat: mr. P.C. Tennekes te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding<?linebreak?></title>
    <para>Bij exploot van 5 maart 2021 is [appellante] in hoger beroep gekomen van de rolbeslissing van de rechtbank Den Haag van 9 december 2020.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij rolbeslissing van 11 mei 2021 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] heeft vervolgens een akte genomen waarop Dynniq bij antwoordakte heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte is arrest bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van de ontvankelijkheid<?linebreak?></title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Ingevolge artikel 337 lid 1 Rv kan van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, hoger beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv kan van andere tussenvonnissen hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De rolbeslissing van 9 december 2020 waartegen het onderhavige beroep is gericht, is geen vonnis als bedoeld in artikel 337 lid 1 Rv. Voorts is gesteld noch gebleken dat de rechter anders heeft bepaald als bedoeld in artikel 337 lid 2 Rv.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>3. [appellante] heeft in haar akte aangevoerd dat met de rolbeslissing van 9 december 2020 een einde is gemaakt aan het geding voor zover het haar deelname daaraan betreft aangezien de rechtbank daarin heeft overwogen dat de door [appellante] aangezegde schorsing en hervatting geen effect sorteert. Het geding is hiermee voor [appellante] geëindigd zodat de rolbeslissing voor haar heeft te gelden als een eindvonnis. [appellante] kan hiertegen niet tegelijk met het eindvonnis in de hoofdzaak in hoger beroep gaan omdat zij tegen dat vonnis geen hoger beroep kan instellen aangezien zij daarbij geen procespartij is en hoger beroep alleen voor procespartijen openstaat. [appellante] heeft voor haar standpunt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat door een uitdrukkelijk dictum waarin is geoordeeld dat een vordering tot tussenkomst op de voet van art. 3 Onteigeningswet wordt afgewezen, definitief wordt beslist dat de partij die tussenkomst verlangt, geen rechthebbende, mede-rechthebbende of derde-belanghebbende is als bedoeld in die bepaling en dat dat vonnis in zoverre een eindvonnis is.<?linebreak?></para>
    <para>4. Naar het oordeel van het hof slaagt het betoog van [appellante]. Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 30 januari 2015 ten aanzien van de afwijzing van een incidentele vordering tot tussenkomst, heeft mutatis mutandis ook te gelden ten aanzien van de afwijzing van een incidentele vordering tot schorsing van het geding op grond van artikel 225 Rv. Ook een dergelijke afwijzing heeft tot gevolg dat definitief wordt beslist dat de partij die de grond tot schorsing inroept, geen procespartij wordt in de hoofdzaak zodat een dergelijke beslissing voor die partij heeft te gelden als een eindvonnis.<?linebreak?></para>
    <para>5. De slotsom is dat [appellante] ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing<?linebreak?></title>
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>- verklaart [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep;</para>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak naar de rol van 14 september 2021 voor het indienen van een memorie van grieven door [appellante].</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, C.J. Verduyn en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>