<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:2651</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-04T15:35:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">001086-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2651">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2651</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-04T15:35:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:2651 Gerechtshof Den Haag , 05-03-2021 / 001086-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2651:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep tegen beschikking ex artikel 530 WvSv. Uitleg billijkheidsoordeel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2651:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Parketnummer		09-122156-19</para>
  <para>Datum uitspraak	5 maart 2021</para>
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para>meervoudige raadkamer</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESCHIKKING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 december 2019 op een verzoekschrift, op grond van artikel 530 (oud: artikel 591a) van het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] op [geboortedatum],</para>
      <para>adres: [adres],</para>
      <para>in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, [naam], [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>Bij schriftelijke kennisgeving van 15 juli 2019 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat de strafzaak tegen hem met het in de koptekst genoemde parketnummer is geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verzoeker is bij een op 2 september 2019 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem een schadevergoeding toe te kennen van een bedrag van € 2.979,63 ter zake van de door hem in zijn strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, alsmede van € 280,- dan wel € 550,00 ter zake van kosten van het door zijn advocaat opstellen en eventueel in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van </para>
      <para>24 december 2019 dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verzoeker is op 7 januari 2020 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadkamer van het hof heeft dit hoger beroep op </para>
      <para>22 januari 2021 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van verzoeker en de advocaat-generaal mr. W. Bos. De verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.<?linebreak?></para>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die de verzoeker op grond van artikel 530, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.<?linebreak?></para>
      <para>Het hof overweegt in dat verband als volgt. In deze zaak is sprake van een beleidssepot wegens ‘inmiddels gewijzigde omstandigheden’ onder gelijktijdige  intrekking van een strafbeschikking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
      <para>Uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv (oud) de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding) volgt dat de beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding haar antwoord vindt “in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.” (Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3)<footnote-ref linkend="_bbb83bca-1359-43f6-b68a-54141bf68c94" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De waarschijnlijkheid van een veroordeling bij een vervolging die niet is voortgezet, is op zichzelf geen bruikbaar criterium voor het billijkheidsoordeel </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>over de toekenning of afwijzing van schadevergoeding op de voet van artikel 530 Sv<footnote-ref linkend="_5ed799d7-92b1-4c44-ae3a-92d3f1a36756" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door de Advocaat-generaal in raadkamer gehanteerde criterium te weten dat er voor een schadevergoeding sprake moet zijn van ‘een zaak die, indien tot (verdere) vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel’ is naar het oordeel van het hofhof niet in lijn met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot de onschuldpresumptie en het gestelde in met name artikel 4 van de EU-Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.<?linebreak?></para>
      <para>Het hof acht geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak. Het hof heeft daarbij alle omstandigheden in aanmerking genomen waaronder de volgende:</para>
      <para>In deze zaak werd verzoeker verdacht van mishandeling van zijn partner. De partner van verzoeker heeft daarvan melding gedaan bij de politie, die ter plaatse is gegaan en verzoeker en zijn partner, met een rode wang, aldaar heeft aangetroffen. </para>
      <para>Verzoeker heeft na aanhouding verklaard hulp te zullen zoeken. De zaak is daarop geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het door de advocaat in het kader van het verzoek om schadevergoeding betrokken stelling dat in geval van vervolging geenszins is uit te sluiten dat verzoeker een beroep op een schulduitsluitingsgrond zou toekomen als gevolg van bij hem vastgestelde PTSS en depressieve stoornis, en hem daarom schadevergoeding toekomt voor kosten rechtsbijstand, overweegt het hof als volgt.</para>
      <para>Uit het dossier kan weliswaar worden afgeleid dat verzoeker ten tijde van de gebeurtenis mentale problemen ondervond, maar onvoldoende volgt uit het dossier dat zijn geestesgesteldheid aan de toerekenbaarheid van het feit zou hebben afgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het sepot is, gelet op de sepotomschrijving, ook niet ingegeven door de (geestelijke)gezondheidstoestand van de verzoeker en betreft geen bewijssepot.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder die omstandigheden is het hof – met de rechtbank - van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand gedurende het opsporingsonderzoek voor rekening van verzoeker dienen te blijven en dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot een vergoeding van deze kosten te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verlengde hiervan is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat ook de kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift dienen te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep te worden afgewezen.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het hoger beroep af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gewezen door </para>
      <para>mr. T.B. Trotman, voorzitter,</para>
      <para>mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. J.T.C. Leliveld, leden,</para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef, </para>
      <para>en op 5 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bbb83bca-1359-43f6-b68a-54141bf68c94" label="1">
    <para> Zie: Hof Amsterdam 20/1/2017, ECLI:NL: GHAMS:2017:610</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ed799d7-92b1-4c44-ae3a-92d3f1a36756" label="2">
    <para> ( zie ook Hof Amsterdam, 6 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1199)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>