<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:2517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-16T09:35:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-002481-19PO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2517">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-16T09:34:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:2517 Gerechtshof Den Haag , 16-11-2021 / 22-002481-19PO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2517:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming, hennepkwekerij, investeringskosten, overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2517:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Rolnummer: 	 	22-002481-19 PO </para>
    <para>Parketnummer:		09-042096-18 </para>
    <para>Datum uitspraak: 	16 november 2021</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 juni 2018 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] op [datum] 1959, </para>
      <para>BRP-adres: [adres[.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 16 november 2021 is de betrokkene, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van een jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 28.101,96, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 27 juni 2018 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 28.101,96 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 28.101,96.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 28.101,96 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd – althans zo begrijpt het hof de vordering en de toelichting daarop - dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 28.101,96 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter hoogte van </para>
      <para>€ 14.050,98.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het vonnis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere berekening en een ander ontnemingsbedrag komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vaststelling van de het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Uitgangspunten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr (hierna: het ontnemingsrapport) en het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 en de update van dat rapport van het Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 (hierna: BOOM-rapport) gaat het hof uit van de volgende uitgangspunten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengsten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 24 februari 2017 is in de toenmalige woning van de betrokkene, gelegen aan de [adres] in [plaats], een hennepkwekerij aangetroffen. Volgens het ontnemingsrapport en de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft op deze locatie één geslaagde oogst plaatsgevonden. Het hof zal derhalve uitgaan van één geslaagde oogst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu er geen hennepplanten zijn aangetroffen, zal het hof bij de berekening op basis van het ontnemingsrapport en de standaardberekeningen en normen van het BOOM-rapport uitgaan van 15 hennepplanten per vierkante meter, een opbrengst van 28,2 gram per hennepplant en een minimale verkoopprijs van € 4.070,00 per kilogram hennep. Volgens het ontnemingsrapport was kweekruimte 1 12 vierkante meter groot en kweekruimte 2 6 vierkante meter groot. Het hof volgt het ontnemingsrapport en gaat bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel uit van 270 planten. Dat is in het voordeel van de verdachte, gelet op diens eigen verklaring tegenover de politie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van het ontnemingsrapport stelt het hof vast dat de betrokkene de gemaakte elektriciteitskosten voor de hennepplantage aan Westland Infra heeft voldaan. Deze kosten zullen per kweekruimte op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht naar ratio van de grootte van de ruimte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het BOOM-rapport volgt dat de inkoopprijs van de stekken € 3,81 per stek bedraagt en de overige variabele kosten € 3,88 per stek bedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Opbrengst beide kweekruimtes</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van bovenstaande uitgangspunten komt het hof tot de volgende berekening van de opbrengsten van de hennepkwekerij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengsten kweekruimte 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>12 m2 x 15 planten x 28,2 gram = 5,076 kilogram</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>5,076 kilogram x € 4.070,00 = € 20.659,32</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">Totaal opbrengsten kweekruimte 1: € 20.659,32</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten kweekruimte 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>180 hennepplanten x € 3,81 inkoopprijs = € 685,80</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>180 hennepplanten x € 3,88 variabele kosten = </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>€ 698,40 </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>2/3e van de € 510,64 elektriciteitskosten = € 340,42</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">Totaal kosten kweekruimte 1: € 1.724,62</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opbrengsten kweekruimte 2</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>6 m2 x 15 planten x 28,2 gram = 2,538 kilogram</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>2,538 kilogram x € 4.070,00 = € 10.329,66</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">Totaal opbrengsten kweekruimte 2: € 10.329,66</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten kweekruimte 2</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>90 hennepplanten x 3,81 inkoopprijs = € 342,90</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>90 hennepplanten x 3,88 variabele kosten = € 349,20</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>1/3e van de € 510,64 elektriciteitskosten = € 170,21</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">Totaal kosten kweekruimte 2: € 862,31</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Totale opbrengst beide kweekruimtes</emphasis>: € 20.659,32 - € 1.724,62 + € 10.329,66 - € 862,31 = <emphasis role="bold">€ 28.402,05</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu, zoals hierna wordt overwogen, het hof de betrokkene volgt waar het de investeringskosten betreft, worden de in het ontnemingsrapport opgenomen afschrijvingskosten van in totaal € 300,00 in de berekening niet in mindering gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verdeling van de opbrengst</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft met een ander van een strafbaar feit geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in wie de andere persoon is met wie hij de opbrengsten zou delen, en evenmin hoe de opbrengsten tussen hem en de ander concreet verdeeld zouden worden. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Het hof schat het aandeel van de betrokkene in de opbrengst derhalve op de helft van € 28.402,05, te weten <emphasis role="bold">€ 14.201,03. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Investeringskosten van de betrokkene</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat hij geld heeft geïnvesteerd in het opzetten van de hennepkwekerij. Die investering zou volgens de betrokkene enkele duizenden euro’s groot zijn. Het hof ziet in de verklaring van de betrokkene aanleiding om de investeringskosten van de betrokkene te schatten en mee te wegen in de berekening van het wederrechtelijk vergreken voordeel. Nu het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs heeft toegerekend, zal het ook de investeringskosten pondspondsgewijs toerekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van het BOOM-rapport (blz. 18, tabel 5) gaat het hof uit van een investering van € 3.000,00 per kweekruimte van ten hoogste 199 planten. Voor beide kweekruimtes hanteert het hof derhalve een totaal investeringsbedrag van 2 x € 3.000,00 = € 6.000,00. Het aandeel van de verdachte in de investeringskosten schat het hof gelet op het bovenstaande derhalve op de helft van € 6000,00, te weten <emphasis role="bold">€ 3000,00. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 14.201,02 - € 3.000,00 = <emphasis role="bold">€ 11.201,03.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Overschrijding redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ten aanzien van de inzendtermijn in hoger beroep is overschreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als uitgangspunt heeft immers – met betrekking tot onderhavige zaak - te gelden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Namens de betrokkene is op 3 juni 2019 tijdig hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis waarvan beroep van 27 juni 2018. Het dossier is op 7 september 2020 bij het hof binnengekomen. De inzendtermijn van 8 maanden na het instellen van het hoger beroep is derhalve met ruim 7 maanden overschreden. Voorts constateert het hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep is afgerond met een eindarrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is, gelet op genoemd procesverloop, van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het hof zal derhalve de betalingsverplichting matigen met 10%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal de betrokkene – na korting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en na afronding in het voordeel van de betrokkene – verplichten tot betaling aan de Staat van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 10.000,-. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 11.201,03 (elfduizend tweehonderdéén euro en drie cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat </emphasis>ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van <emphasis role="bold">€ 10.000,00 (tienduizend euro).</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer, mr. L.A. Pit en mr. M.A.C.L.M. Bonn, in bijzijn van de griffier mr. P.M. Smit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. M.A.C.L.M. Bonn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>