<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:2341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T12:18:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200447519</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2341">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:2341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T12:18:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:2341 Gerechtshof Den Haag , 03-11-2021 / 2200447519</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2341:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak van mishandeling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook vrijspraak van vernieling, nu hof de feitelijke gang van zaken niet kan vaststellen en niet uitgesloten kan worden dat sprake was van een burgeraanhouding. Voor zover daarvan sprake was, is gehandeld in overeenstemming met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:2341:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-004475-19 </para>
  <para>Parketnummer:		09-188365-19 </para>
  <para>Datum uitspraak:	3 november 2021</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 17 september 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] op [datum] 1982, </para>
      <para>adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Omtrent de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.<?linebreak?></para>
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te 's-Gravenhage </para>
      <para>[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het jukbeen, althans in het gezicht te slaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.<?linebreak?></para>
    <para>hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een t-shirt en een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. In dit verband heeft de advocaat-generaal aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de verklaring van de aangever steun vindt in de opmerking van de verbalisant die de aangifte van het slachtoffer heeft opgemaakt, dat foto’s van het letsel van de aangever zijn gemaakt, in de foto’s van het letsel en in de verklaring van de verdachte dat hij op het bewuste tijdstip op de plaats delict was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dat de verdachte de aangever zou hebben mishandeld, volgt immers alleen uit de verklaring van de aangever. Enig steunbewijs voor die verklaring is niet voorhanden. Aan de hand van de foto’s kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van letsel, terwijl de verdachte van meet af aan heeft ontkend de aangever te hebben mishandeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu het hof uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Bij dit oordeel betrekt het hof de omstandigheid dat het hof aan de hand van de zich in het dossier bevindende foto’s niet kan vaststellen dat de aangever letsel had. Voorts neemt het hof daarbij in aanmerking dat op basis van de enkele opmerking van de verbalisant dat zij foto’s van het letsel heeft gemaakt, niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van letsel veroorzaakt door de verdachte. </para>
      <para>Voor zover de advocaat-generaal heeft aangevoerd dat in ieder geval bewezen kan worden verklaard dat de aangever als gevolg van de aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde gedragingen pijn heeft ondervonden, gaat het hof ook hieraan voorbij. Dat zulks het geval is, volgt immers alleen uit de verklaring van aangever. De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat hij op de plaats delict was, vormt onvoldoende steunbewijs, nu hij heeft ontkend het slachtoffer te hebben geslagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Genoemde omstandigheden bezien in het licht van de ontkennende verklaring van de verdachte, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte van de hem onder 1 tenlastegelegde mishandeling moet worden vrijgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft betoogd dat de verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde, te weten de vernieling van het T-shirt en de tas van de aangever, dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht dat er sprake was van een burgeraanhouding waarmee de wederrechtelijkheid aan de vernieling is komen te ontvallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is het een burger toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft de verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke ‘burgeraanhouding’ mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om de verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, teneinde hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke ‘burgeraanhouding’ mogen worden verricht teneinde de verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar, dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof kan op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet voldoende vaststellen wat er feitelijk is gebeurd. Met name kan het hof niet uitsluiten dat er sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 53 Sv. Zowel [slachtoffer] als de verdachte hebben immers verklaard dat de verdachte naar het politiebureau wilde gaan. Voor zover sprake was van een burgeraanhouding acht het hof het trekken aan de kleding van de aangever - gezien de omstandigheden zoals die volgen uit het dossier - niet disproportioneel. Ook overigens staat het optreden van de verdachte in die situatie niet in onredelijke verhouding tot het te bereiken doel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte wederrechtelijk was. Dit brengt mee dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en </para>
    </parablock>
    <para>2 tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal </para>
    <para>€ 342,46, bestaande uit een bedrag van € 42,46 aan materiële schade en een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is de vordering van rechtswege aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van </para>
      <para>€ 42,46. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42,46, te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, </para>
      <para>mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. E.J. van As, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2021.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>