<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:1613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-15T10:11:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200385218</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1613">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-15T10:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:1613 Gerechtshof Den Haag , 02-09-2021 / 2200385218</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1613:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verwerping verweer dat gemeten THC-gehalte in verdachtes bloed is veroorzaakt door langdurig dagelijks gebruik van drie druppels CBD-olie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1613:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-003852-18 </para>
  <para>Parketnummer:		96-129144-18 </para>
  <para>Datum uitspraak:	2 september 2021</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>13 september 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] op [datum] 1973, </para>
      <para>adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>hij, op of omstreeks 2 mei 2018, te Zoetermeer, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 17 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 34 uren met een proeftijd van 2 jaren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het vonnis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt met de advocaat-generaal vast dat het bloedonderzoek niet binnen twee weken na ontvangst van het bloedblok is verricht. Er is daarmee niet voldaan aan de termijn genoemd in artikel 16, eerste lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit). Deze termijn strekt er evenwel niet toe de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek te waarborgen. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep in het verlengde hiervan verklaard niet aan de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek te twijfelen. Het hof zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek kunnen raken. Nu gesteld noch gebleken is welk nadeel de verdachte door dit vormverzuim heeft ondervonden, zal het hof volstaan met de constatering van dit vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsverweer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gemeten hoeveelheid THC per liter bloed van de verdachte is veroorzaakt door het jarenlange medicinale gebruik van 3 druppels CBD-olie per dag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dienaangaande als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het NFI rapport van 18 juni 2018 blijkt dat het gemeten THC-gehalte in het bloed van de verdachte 17 mg/l bloed van de verdachte bedroeg. Uit het aanvullend toxicologisch consult van 5 januari 2021 blijkt dat het gebruik van 3 druppels CBD-olie per dag niet kan leiden tot de gemeten hoeveelheid THC per liter bloed nu dat slechts tot een THC-gehalte van 0,007 mg/l bloed zou hebben geleid. Voorts blijkt uit dat consult dat deze veronderstelde inname per dag niet zal leiden tot “waterige/wazige bloeddoorlopen ogen” en dat de geur van CBD-olie (met of zonder THC) waarschijnlijk niet vergelijkbaar is met de geur van hennep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande en de bijkomende omstandigheden waaronder de verdachte in de auto is aangetroffen – de verdachte had bloeddoorlopen ogen en er werd op het moment van aanspreken door de politie een cannabisgeur geroken – is niet aannemelijk geworden dat de gemeten hoeveelheid THC per liter bloed is veroorzaakt door het jarenlange gebruik van 3 druppels CBD-olie per dag. Het verweer wordt dan ook verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij, op <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> 2 mei 2018, te Zoetermeer, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd <emphasis role="strike-through">of als bestuurder heeft doen besturen</emphasis> na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 17 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft gereden onder invloed van cannabis. Het gehalte in zijn bloed was aanzienlijk hoger dan wettelijk toegestaan. Door zijn handelwijze heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. </para>
      <para>5 augustus 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – zij het langere tijd geleden - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de verdachte wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte sinds de vrijspraak in eerste aanleg niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat de recidivekans als laag moet worden ingeschat nu de verdachte goed wordt begeleid door de reclassering. Voorts is de verdachte fysiek niet in staat om een taakstraf te verrichten en heeft hij zijn rijbewijs nodig om zijn dochter naar school te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is – alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een geldboete van € 850,= en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden een passende en geboden reactie zou vormen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken dit niet anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn van berechting is immers in hoger beroep overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De termijn in hoger beroep is aangevangen op </para>
      <para>27 september 2018 toen het hoger beroep door de officier van justitie werd ingesteld. Omdat het hof uitspraak doet op 2 september 2021 is deze termijn met ongeveer 11 maanden overschreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop zal het hof de eerder genoemde straffen geheel voorwaardelijk opleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 850,00 (achthonderdvijftig euro)</emphasis>, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door <emphasis role="bold">17 (zeventien) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de <emphasis role="bold">bevoegdheid motorrijtuigen te besturen</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">6 (zes) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, </para>
      <para>mr. K.I. de Jong en mr. A.M. Hol, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>