<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:1376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-29T12:24:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.294.976/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2021-0214</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1376">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-21T11:14:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:1376 Gerechtshof Den Haag , 28-06-2021 / 200.294.976/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1376:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep door failliet tegen opheffing faillissement. Stand van de boedel geeft geen aanleiding faillissement voort te zetten. Een faillissement heeft niet als doel de schuldenaar te beschermen tegen schuldeisers en/of hulp te bieden bij het oplossen van financiële problemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1376:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG    </title>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.294.976/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer rechtbank	: C/10/17/173 F </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>beschikking van 28 juni 2021</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het faillissement van </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [appellant],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>advocaat: mr. Chr.E. Pfeiffer te Hellevoetsluis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 21 mei 2021 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank Rotterdam de opheffing van het faillissement van [appellant] bevolen. Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 31 mei 2021, is [appellant] van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht deze te vernietigen. Op 8 respectievelijk 17 juni 2021 heeft [appellant] nog ingezonden het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de (nadere) producties 13 tot en met 15. Bij brief met bijlagen van 18 juni 2021 heeft de curator in het faillissement van [appellant] mr. J.H. Huybens (hierna: de curator) gereageerd op het beroepschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juni 2021. Verschenen zijn:</para>
      <para>
        [appellant], vergezeld van zijn advocaat, en de curator.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <para>1. [appellant] bestrijdt de bestreden beschikking en voert daartoe - samengevat – het volgende aan.</para>
    <parablock>
      <para>De curator heeft in het faillissement van [appellant] een bedrag van ongeveer € 8.100,- in ontvangst genomen en aan de boedel toegevoegd dat afkomstig is van de verkoop van goederen die niet aan [appellant], maar aan zijn echtgenote [echtgenote] (hierna: [echtgenote]) toebehoorden. Ondanks dat de curator hier meerdere malen op is gewezen, heeft de curator geweigerd deze verkoopopbrengst aan [echtgenote] te restitueren of anderszins de schade aan haar te vergoeden. [echtgenote] is om deze reden een procedure tegen de curator gestart. Deze procedure is thans aanhangig bij de rechtbank. [echtgenote] is volgens [appellant] bereid om het haar toekomende bedrag (dus de opbrengst van deze procedure) beschikbaar te stellen voor een crediteurenakkoord in het faillissement van [appellant].</para>
      <para>
        [appellant] heeft verder aangevoerd dat [echtgenote] zich daarnaast bereid heeft verklaard een bedrag van € 50.000,- beschikbaar te stellen om in het faillissement van [appellant] tot een crediteurenakkoord te komen. Indien dit bedrag wordt vermeerderd met het bedrag uit de boedel waar [echtgenote] recht op heeft, dan maakt een crediteurenakkoord meer kans van slagen, aldus [appellant]. Daarbij is [appellant] van mening dat bij opheffing van het faillissement het bedrag van circa € 8.100,- ten onrechte ten gunste van de curator komt in de vorm van salarisbetaling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De curator stelt zich - samengevat - op het standpunt dat [appellant] in dit hoger beroep in essentie bezwaar maakt tegen de vaststelling van het salaris van de curator door de rechtbank. Tegen een dergelijke beslissing staat echter geen rechtsmiddel open: [appellant] behoort daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans behoort zijn beroep ongegrond te worden verklaard of afgewezen te worden. De curator heeft verder aangevoerd dat ook al zou de procedure die [echtgenote] tegen hem heeft aangespannen ongunstig uitvallen voor de boedel, dit geen (negatief) verschil zou uitmaken voor de vaststelling van het salaris van de curator. </para>
    <para />
    <para>4. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.</para>
    <para />
    <para>5. Ingevolge artikel 16 lid 1 Faillissementswet kan de rechtbank de opheffing van het faillissement bevelen indien niet voldoende baten beschikbaar zijn voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden. Met deze bepaling wordt voorkomen dat een faillissement wordt voortgezet, terwijl verdere voortzetting daarvan uit financieel oogpunt zinloos is. [appellant] heeft in hoger beroep niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt dat de toestand van de boedel aanleiding geeft tot voortzetting van het faillissement. Dat de echtgenote van [appellant] zich bereid heeft verklaard € 50.000,- en een eventuele (schade)vergoeding  uit de tegen de curator aanhangig gemaakte procedure beschikbaar te stellen voor het aanbieden een crediteurenakkoord, maakt dit niet anders. Deze bedragen komen immers niet toe aan de boedel. </para>
    <para>
      [appellant] heeft verder ter zitting van het hof verklaard dat hij belang heeft bij voortzetting van het faillissement, omdat er één schuldeiser is die niet wenst mee te werken aan een crediteurenakkoord. Wat daar ook van zij, een faillissement heeft niet als doel de schuldenaar te beschermen tegen zijn schuldeisers en/of hulp te bieden bij het oplossen van zijn financiële problemen. Daarbij komt dat bij voortzetting van het faillissement ook de faillissementskosten blijven doorlopen. Ten overvloede wordt nog overwogen dat een eventueel betalingsvoorstel van [appellant] aan zijn schuldeisers ook na opheffing van het faillissement tot de mogelijkheden behoort. </para>
    <para />
    <para>6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Nijhuis, G.C. de Heer en J.J. Kuipers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>