<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2021:1075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-14T14:19:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">118219</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2019:4234" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4234</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1075">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2021:1075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-14T14:18:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2021:1075 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2021 / 118219</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1075:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beschikking ex art artikel 533 Sv (hoger beroep)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2021:1075:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AV-nummer 001182-19</para>
  <para>Parketnummer		10-960303-17</para>
  <para>Datum uitspraak	14 april 2021</para>
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para>meervoudige raadkamer</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESCHIKKING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, van 30 april 2019 op een verzoekschrift, op grond van artikel 533 (oud: artikel 89) van het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[betrokkene],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] (Marokko) op [dag] 1986.</para>
      <para>adres: [adres],</para>
      <para>in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.Y. Kekik, aan de [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 vrijgesproken van het aan hem in de strafzaak met parketnummer 10-960303-17 tenlastegelegde.<?linebreak?></para>
      <para>Dit vonnis is onherroepelijk geworden.<?linebreak?></para>
      <para>Namens de verzoeker is bij een op 8 oktober 2018 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem een schadevergoeding toe te kennen van een bedrag van € 17.275,- ter zake van immateriële schade als gevolg van de door hem in zijn strafzaak ondergane voorlopige hechtenis, alsmede van € 15.904,- als vergoeding voor loonderving.<?linebreak?></para>
      <para>De rechtbank, enkelvoudige raadkamer, heeft bij beschikking van 30 april 2019 dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verzoeker is op 14 mei 2019 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadkamer van het hof heeft dit hoger beroep op 3 maart 2021 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord – waarnemend voor de advocaat van de verzoeker -  mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam, en de advocaat-generaal mr. H.P. Klaver. De verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.<?linebreak?></para>
      <para>In raadkamer is het verzoek om schadevergoeding als volgt gewijzigd:</para>
    </parablock>
    <para>- het verzochte bedrag ter zake van immateriële schade bedraagt thans € 11.835,- (voor 147 dagen, van </para>
    <para>10 november 2017 tot en met 6 april 2018, waarvan drie dagen in een politiecel en voor het overige in een Huis van Bewaring);</para>
    <para>- het verzochte bedrag ter zake van loonderving bedraagt thans € 11.360,-. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 533, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem ondergane voorlopige hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het hier toepasselijke artikel 534, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het hof die gronden van billijkheid – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - aanwezig acht, zal het hof, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep, aan de verzoeker voor de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten van 10 november 2017 tot en met 6 april 2018, een schadevergoeding toekennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande kent het hof aan de verzoeker een schadevergoeding toe van in totaal een bedrag van € 11.835,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Loonderving</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzochte schadevergoeding ter zake van loonderving is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het verzoek in zoverre dient te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beschikking waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal € 11.835,- (elfduizend achthonderdvijfendertig EURO).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gewezen door mr. J.M. Reinking, voorzitter, mr. C.M. Derijks en mr. I.M. Abels, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef, en op 14 april 2021 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>