<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2020:2867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T14:47:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200080516.533</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2867">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-26T09:45:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2020:2867 Gerechtshof Den Haag , 17-12-2020 / 2200080516.533</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2867:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek art 533 Sv na voorlopige hechtenis art 197 Sr.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2867:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AV-nummer:		000224-20</para>
  <para>Rolnummer:		22-000805-16</para>
  <para>datum uitspraak: 	17 december 2020</para>
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <bridgehead role="bold">meervoudige raadkamer</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESCHIKKING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 533 (artikel 89, oud) van het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [plaats] (Suriname) op [datum] 1965,</para>
      <para>hierna te noemen verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. F.H. Bruggink, aan de Calandstraat 1 te 2521 AD 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit gerechtshof heeft bij arrest van 12 december 2019 met rolnummer 22-000805-16 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 17 februari 2016 in de strafzaak tegen de verzoekster met parketnummer 09-817279-16 vernietigd en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opgelegd en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verzoekster is vervolgens bij een op 4 februari 2020 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift gevraagd om toekenning van een schadevergoeding van € 4.850,- vermeerderd met wettelijke rente ter zake van het door haar in haar strafzaak ondergane voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadkamer van het hof heeft het verzoek in het openbaar op 3 december 2020 behandeld. Daarbij zijn gehoord de verzoekster, bijgestaan door mr. F.H. Bruggink, advocaat te </para>
      <para>'s-Gravenhage en de advocaat-generaal mr. L.H.M. Jager-Huiskens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat volgens haar gronden van billijkheid daartoe ontbreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak tegen de verzoekster is geëindigd met een beslissing, waarmee zij op grond van artikel 533, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan verzoeken om toekenning van een vergoeding voor de schade, die zij heeft geleden als gevolg van de door haar ondergane verzekering en voorlopige hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het hier toepasselijke artikel 534, eerste lid, (artikel 90, eerste lid oud) van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt daarover als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoekster is in eerdergenoemd vonnis van 17 februari 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden, met aftrek van voorarrest, omdat zij, voor zover hier van belang, als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard, dan wel tegen haar vanwege een strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste 3 jaar of het vormen van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid, een inreisverbod was uitgevaardigd, een en ander zoals strafbaar gesteld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Weliswaar is dit vonnis bij het eerdergenoemde arrest van dit hof van 12 december 2019 vernietigd en is het openbaar ministerie ter zake van dit feit, zoals onder 2 ten laste was gelegd, alsnog niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verzoekster, maar die beslissing was slechts ingegeven door de overweging dat het niet waarschijnlijk werd geacht dat een door de Hoge Raad enkele maanden daarvoor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) nader gestelde prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van artikel 197 Sr met Richtlijn 2008/115/EG, PbEG L 348/98 (Terugkeerrichtlijn) op afzienbare termijn zou zijn beantwoord, terwijl sinds het tenlastegelegde voorts al langere tijd was verstreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inmiddels heeft het HvJ EU bij arrest van 17 september 2020 (ECLI:EU:C:2020:724) op de gestelde vraag voor recht verklaard, zakelijk samengevat, dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen de strafbaarstelling van een illegaal verblijvende derdelander die het grondgebied van de lidstaat nog niet heeft verlaten, mits de betrokkene weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem vanwege zijn strafrechtelijke antecedenten of vanwege het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid een inreisverbod is uitgevaardigd, alsmede onder de voorwaarde dat de desbetreffende regeling aangaande de strafbaarstelling ervan voldoende toegankelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar. In zijn arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1893) heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 197 Sr ziet op illegaal verblijf in Nederland in weerwil van de uitvaardiging van een inreisverbod en niet slechts op dergelijk verblijf na daadwerkelijke schending van een inreisverbod, en dat genoemd artikel daarom, mede gelet op de bewoordingen en de wetsgeschiedenis ervan, voorziet in een toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare strafbaarstelling van ‘gekwalificeerd illegaal verblijf’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoekster is vanwege haar strafrechtelijke antecedenten bij beschikking van 9 november 2005 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Deze beschikking is haar op 13 januari 2006 in persoon uitgereikt, waarbij haar tevens is aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Ondanks herhaalde aanzegging tot vertrek is de verzoekster illegaal in Nederland gebleven. Op de grond van een aldus jegens haar ontstane verdenking van gekwalificeerd illegaal verblijf als bedoeld in artikel 197 Sr heeft de verzoekster vanaf 7 februari 2016 60 dagen in voorlopige hechtenis gezeten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de verzoekster ervan op de hoogte was dat zij vanwege haar strafrechtelijke antecedenten tot ongewenst vreemdeling was verklaard en dat zij Nederland om die reden onmiddellijk diende te verlaten. Zij wist derhalve, dan wel kon redelijkerwijs vermoeden, dat zij zich als illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling schuldig maakte aan het misdrijf als omschreven in artikel 197 Sr. Naar het oordeel van het hof zijn daarom geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een schadevergoeding voor het door de verzoekster ondergane voorarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">BESLISSING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gewezen door</para>
      <para>mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter,</para>
      <para>mr.  H.P.Ch. van Dijken mr. C.H.M. Royakkers, raadsheren,</para>
      <para>in bijzijn van de griffier M. van der Mark, en op 17 december 2020 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>