<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2020:2758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-29T11:17:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2200528419</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2758">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-29T11:17:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2020:2758 Gerechtshof Den Haag , 16-12-2020 / 2200528419</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2758:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof verklaart de oproeping in eerste aanleg nietig, nu de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven en derhalve niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv. Het hof overweegt dat in de tenlastelegging voor de opgave van de feiten slechts is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 257a, zesde lid, Sv. Deze opgave van feiten had volgens het hof – gelet op het bepaalde in artikel 314a, eerste lid, Sv – alsnog in overeenstemming gebracht moeten worden met de gestelde eisen in artikel 261, eerste en tweede lid, Sv. Nu zulks niet heeft plaatsgevonden en artikel 314a, eerste lid, Sv niet van toepassing is op de behandeling in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de inleidende oproeping nietig behoort te worden verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2758:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-005284-19 </para>
  <para>Parketnummer:		09-097514-19 </para>
  <para>Datum uitspraak:	16 december 2020</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[naam],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, </para>
      <para>adres: [woonadres] te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 84,00 en een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, inhoudende – kort gezegd – een meldplicht, ambulante behandeling en het zich onthouden van het gebruik van alcohol en/of drugs en dat hij ten behoeve van de naleving van dit verbod zal meewerken aan adem- en urineonderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.<?linebreak?>vernieling, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk;</para>
    <para />
    <para>2.<?linebreak?>wederspannigheid – enig lichamelijkletsel, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk;</para>
    <para />
    <para>3.<?linebreak?>niet voldoen aan een ambtelijk bevel, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geldigheid van de inleidende oproeping</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de inleidende oproeping nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, nu de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven en derhalve niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tenlastelegging is voor de opgave van de feiten slechts volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 257a, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave van de feiten had – gelet op het bepaalde in artikel 314a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – alsnog in overeenstemming moeten worden gebracht met de gestelde eisen in artikel 261, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Nu zulks niet heeft plaatsgevonden en artikel 314a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de behandeling van de zaak in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de inleidende oproeping nietig behoort te worden verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de oproeping in eerste aanleg nietig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking, </para>
      <para>mr. W.J. van Boven en mr. M. van der Horst, in bijzijn van de griffier mr. N. van Burgsteden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>