<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2020:2234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:53:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BK-20/00566</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verwijzingNaHogeRaad">Verwijzing na Hoge Raad</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2020:1110" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/verwijzing" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2020:1110</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/3249</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2021/10.21.7</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-3876</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020122208</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2234">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-22T11:35:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2020:2234 Gerechtshof Den Haag , 26-11-2020 / BK-20/00566</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2234:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Compromis na verwijzing; vermindering aanslag IB/PVV 2015</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2020:2234:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team Belastingrecht</para>
    <para>meervoudige kamer</para>
    <para>nummer BK-20/00566</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Uitspraak van 26 november 2020</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [X] te [Z] , belanghebbende,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 11 oktober 2018, nr. HAA 18/287.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.406 opgelegd en bij beschikking € 19 aan belastingrente berekend. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.806 en de beschikking belastingrente gewijzigd en de belastingrente vastgesteld op € 15.</para>
    <para />
    <para>2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Van de uitspraak van de Rechtbank is belanghebbende in hoger beroep gekomen bij het Hof Amsterdam. Een griffierecht van € 126 is geheven. Dat hof heeft bij uitspraak van 5 november 2019, nr. 18/00664, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 26 juni 2020, nr. 19/05651, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof Amsterdam vernietigd, het geding verwezen naar het Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest, de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de aan belanghebbende voor het geding in cassatie te betalen proceskosten van € 1.050 en de Staatssecretaris van Financiën gelast belanghebbende het in cassatie betaalde griffierecht van € 128 te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>5. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het verwijzingsarrest.</para>
    <para>6. De mondelinge behandeling van het hoger beroep na verwijzing heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 19 november 2020. Partijen zijn verschenen.</para>
    <para />
    <para>7. Op de zitting is tussen partijen komen vast te staan dat de aanslag IB/PVV 2015 wordt verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.686 met dienovereenkomstige aanpassing van de beschikking belastingrente en dat belanghebbende enkel een vergoeding van in hoger beroep gemaakte proceskosten wordt toegekend van € 1.050: 2 punten à € 525 x 1 (gewicht).</para>
    <para />
    <para>8. Het Hof volgt partijen, ook met dien verstande dat de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 172 aan belanghebbende vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,</para>
    <para>- vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.686 met dienovereenkomstige aanpassing van de beschikking belastingrente,</para>
    <para>- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten ter zake van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.050, en</para>
    <para>- gelast de Inspecteur de griffierechten van € 172 aan belanghebbende te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, J.T. Sanders en U.E. Tromp, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 26 november 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Tromp</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>aangetekend aan</para>
      <para>partijen verzonden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">binnen zes weken</emphasis>
        <emphasis role="italic"> na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:</bridgehead>
    <para>
      <emphasis role="italic">a. de naam en het adres van de indiener;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b. de dagtekening;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">d. de gronden van het beroep in cassatie.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>