<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-13T20:15:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-002071-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:472">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-07T11:45:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:472 Gerechtshof Den Haag , 27-02-2019 / 22-002071-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:472:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veroordeling wegens omkoping van ambtenaar (art. 177 Sr) in de zogenoemde rijbewijszaak. Een voormalige rijschoolhouder heeft een examinator van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) herhaaldelijk betaald om leerlingen te laten slagen van examenkandidaten. Vrijspraak van het medeplegen van oplichting van het CBR. Het is in de kern telkens de examinator geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt en daarvan geprofiteerd. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht. Verwerping verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de examinator heeft betaald ‘met het oogmerk om hem (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten'.</para>
      <para />
      <para>Overschrijding redelijke termijn. Het hof legt een werkstraf op van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, alsmede een beroepsverbod voor de duur van 3 jaar. Benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:472:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-002071-16 </para>
  <para>Parketnummer:		09-857469-14 </para>
  <para>Datum uitspraak:	27 februari 2019</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1968, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het op 13 december 2016, 30 januari 2019 en 13 februari 2019 gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 5 jaren. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1:<?linebreak?>hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een groot aantal, in ieder geval meerdere, rijbewijzen en/of documenten/bewijzen van rijvaardigheid en/of geschiktheid voor de categorie B-rijbewijzen (personenauto), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de volgende gedragingen verricht:</para>
      <para>-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich aan het CBR (telkens) voorgedaan als een bonafide rijbewijs examinator,</para>
      <para>en/of</para>
      <para>-hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft (telkens) data, tijden en/of locaties afgesproken waar rijexamen(s) zouden worden afgenomen, en/of</para>
      <para>-hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] hebben/heeft een of meer examenkandidaten laten slagen voor het rijexamen, ook in gevallen waarin niet of niet voldoende gebleken was dat die kandida(a)t(en) over het gewenste of noodzakelijke niveau van rijvaardigheid beschikte(n),</para>
      <para>en/of</para>
      <para>-medeverdachte [medeverdachte 1] heeft na de afgesproken examendata/datum via een communicatiemiddel medegedeeld aan het CBR dat die kandida(a)t(en) waren/was geslaagd voor dat/die rijexamen(s);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door welke gedraging(en) het CBR (telkens) werd bewogen tot afgifte, zoals hiervoor omschreven;</para>
      <para>
        <?linebreak?>2:<?linebreak?>hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) aan ambtenaar [medeverdachte 1], te weten als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) giften en/of beloften heeft/hebben gedaan en/of aangeboden, namelijk een geldbedrag van (telkens) 500 euro, in elk geval van enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van één of meerdere kandidaten voor het rijexamen, ook als de betreffende kandidaten niet voldoen aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij-instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in verenging met anderen en/of een ander, althans alleen, dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven en/of aangeboden, door </para>
    </parablock>
    <para>- het geldbedrag in de koffer en/of tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die koffer en/of tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of </para>
    <para>- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in de portierszijde te leggen van de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen en/of </para>
    <para>- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder, rijinstructeur en rij-examinator voor de duur van 5 jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan oplichting van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie – op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting, zoals dat onder 1 is ten laste gelegd. De raadsman heeft vrijspraak van dat feit bepleit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3474), voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. </para>
      <para>Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. </para>
      <para>De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal van voldoende gewicht moeten zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof komen de handelingen die aan de verdachte worden verweten, ook na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, neer op het gelegenheid bieden aan rijexaminator [medeverdachte 1], medeverdachte, om het CBR op te lichten en zijn deze daarmee hooguit in verband te brengen met medeplichtigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de aan de verdachte ten laste gelegde uitvoeringshandelingen heeft alleen hetgeen is opgenomen bij het tweede gedachtestreepje betrekking op handelingen van de verdachte. De andere verweten uitvoeringshandelingen zijn enkel te herleiden tot [medeverdachte 1]. Gelet daarop en op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is het in de kern telkens [medeverdachte 1] geweest die zich heeft voorgedaan als bonafide examinator, kandidaten heeft laten slagen en dat heeft doorgegeven aan het CBR, waarmee hij het CBR heeft bewogen tot afgifte van rijbewijzen. De verdachte heeft dit door zijn betrokkenheid slechts bevorderd en/of vergemakkelijkt. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 1 ten laste gelegde oplichting van het CBR te komen. Dat de verdachte, althans zijn rijschool, baat had bij de door medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegde oplichting, doet daar niet aan af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van oplichting van het CBR. De verdachte zal daarvan dan ook wederom worden vrijgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen impliceert dat  er uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin aanwijzingen naar voren zijn komen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde alleen, als pleger, heeft begaan. De verdachte zal, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, ook daarvan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Nadere overweging ten aanzien van feit 2</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Discretionaire bevoegdheid van [medeverdachte 1]?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie bepleit dat ‘een oogje dichtknijpen’ en ‘milder oordelen’ door medeverdachte [medeverdachte 1] tijdens het afnemen van het rijexamen vallen onder zijn discretionaire bevoegdheid als rijexaminator. Derhalve kan, aldus de raadsman, niet worden bewezen: ‘met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten'.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt hieromtrent als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld dient te worden dat art. 177 (oud) Sr niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (HR 11 april 2017, NJ 2017/425). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bekend onder meer makkelijkere routes te hebben gereden en moeilijke kruispunten te hebben vermeden om het kandidaten tijdens hun rijexamen makkelijker te maken. Tegelijkertijd heeft [medeverdachte 1] bekend geld te hebben aangenomen van de verdachte met als doel kandidaten te laten slagen en dat hij zich daarmee heeft laten omkopen. Ook de verdachte bekent hetgeen aan hem onder feit 2 is verweten: het telkens aan [medeverdachte 1] geven van een geldbedrag, dat geldbedrag achterlaten in de auto waarin het rijexamen werd afgelegd, alles (kennelijk) met het oogmerk [medeverdachte 1] in strijd met zijn plicht te bewegen iets te doen of na te laten en met als uiteindelijk doel het laten slagen van kandidaten voor hun rijexamen. </para>
      <para>Het hof is dan ook van oordeel dat met deze verklaringen, in onderling verband met de andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen beschouwd, wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegde en dat de verdachte zich daarmee meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van omkoping van een ambtenaar als bedoeld in artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betrouwbaarheid van verklaringen afgelegd door getuige [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van getuige [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] niet betrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs. </para>
      <para>Nu het hof deze verklaringen niet voor het bewijs zal bezigen, behoeft het door de raadsman gevoerde verweer geen verdere bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft het gebruik voor het bewijs van de verklaring van medeverdachten is het hof – met de raadsman – van oordeel dat met de verklaringen van een andere verdachte in dezelfde zaak behoedzaam en met enige terughoudendheid dient te worden omgegaan, gelet op diens belang om, ook in het geval van een bekennende verklaring, de eigen schuld te verlichten en gelet op de omstandigheid dat hij als verdachte niet is gehouden naar waarheid te verklaren. Voor zover het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van een medeverdachte is de genoemde behoedzaamheid uitgangspunt geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2:<?linebreak?>hij <emphasis role="strike-through">op één of meerdere tijdstippen</emphasis> in <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> de periode van 7 februari 2011 tot en met 3 oktober 2014 <emphasis role="strike-through">in Amsterdam en/of Hoorn en/of Eemnes en/of Leusden en/of Amstelveen en/of Haarlem en/of Zaandam en/of Lijnden en/of Den Helder en/of Akersloot en/of Alkmaar en/of Rijswijk, in ieder geval in verschillende plaatsen in de provincie Noord-Holland en/of in de provincie Utrecht en/of de gemeente Rijswijk, in ieder geval</emphasis> in Nederland, <emphasis role="strike-through">(telkens)</emphasis> tezamen en in vereniging met <emphasis role="strike-through">anderen of</emphasis> een ander<emphasis role="strike-through">, althans alleen, (</emphasis>telkens<emphasis role="strike-through">)</emphasis> aan ambtenaar [medeverdachte 1], <emphasis role="strike-through">te weten</emphasis> als examinator werkzaam zijnde bij het CBR, (telkens) <emphasis role="italic">een </emphasis>gift<emphasis role="strike-through">en en/of beloften</emphasis> heeft<emphasis role="strike-through">/hebben</emphasis> gedaan <emphasis role="strike-through">en/of aangeboden</emphasis>, namelijk een geldbedrag van <emphasis role="strike-through">(telkens)</emphasis> 500 euro, in elk geval <emphasis role="strike-through">van</emphasis> enig geldbedrag, met het oogmerk om die [medeverdachte 1] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, namelijk het laten slagen van <emphasis role="strike-through">één of meerdere </emphasis><emphasis role="italic">een </emphasis>kandida<emphasis role="italic">a</emphasis>t<emphasis role="strike-through">en</emphasis> voor het rijexamen, ook als de betreffende kandida<emphasis role="italic">a</emphasis>t<emphasis role="strike-through">en</emphasis> niet voldoe<emphasis role="strike-through">n</emphasis><emphasis role="italic">t</emphasis> aan de rijgeschiktheidsnorm voor het behalen van dat examen, immers heeft hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als rij<emphasis role="strike-through">-</emphasis>instructeur en/of rijschoolhouder, tezamen en in veren<emphasis role="italic">i</emphasis>ging met <emphasis role="strike-through">anderen en/of</emphasis> een ander, <emphasis role="strike-through">althans alleen,</emphasis> dat geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) aan die [medeverdachte 1] gegeven <emphasis role="strike-through">en/of aangeboden,</emphasis> door </para>
    </parablock>
    <para>- het geldbedrag in de <emphasis role="strike-through">koffer en/of</emphasis> tas van die [medeverdachte 1] te stoppen, terwijl die <emphasis role="strike-through">koffer en/of</emphasis> tas op de achterbank van de auto stond waarin het rijexamen werd gehouden en/of </para>
    <para>- het geldbedrag voor die [medeverdachte 1] in <emphasis role="strike-through">de portierszijde te leggen van </emphasis>de auto waarin het rijexamen werd gehouden te leggen <emphasis role="strike-through">en/of </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="strike-through">- het geldbedrag contant (rechtstreeks en/of via een examenkandidaat) aan die [medeverdachte 1] te overhandigen voor/tijdens/na een rijexamen</emphasis>.</para>
    <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezen verklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">medeplegen van een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
      <para>De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan omkoping van een ambtenaar, namelijk van een rijexaminator die in dienst was bij het CBR, met als doel kandidaten van de rijschool van de verdachte te laten slagen voor het rijexamen. Door aldus te handelen is de verdachte getreden in het objectief, onafhankelijk en zuiver functioneren van een ambtenaar en daarmee in het goed functioneren van het openbaar bestuur. Door zijn handelen heeft de verdachte voorts de verkeersveiligheid  in gevaar gebracht, terwijl de verkeersveiligheid in zijn werk nou juist voorop staat.</para>
      <para>Hij heeft ook de goede naam van zijn collega’s in de branche schade toegebracht. De feiten zijn voorts  gedurende een lange periode en vele keren gepleegd. </para>
      <para>Het hof beoordeelt dit alles als ernstig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht het dan ook passend om een onvoorwaardelijke taakstraf met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anderzijds houdt het hof rekening met de meewerkende proceshouding van de verdachte en het feit dat hij, onder meer ter terechtzitting in hoger beroep, heeft laten blijken inzicht te hebben in het laakbare van zijn handelen. Voorts neemt het hof de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten in overweging. Deze factoren werken bij het bepalen van de op te leggen straf strafmatigend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft ook kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2019, op grond waarvan het hof de verdachte beschouwt als een first offender.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof onderschrijft echter het standpunt van de raadsman, inhoudende dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 2 mei 2016 en het wijzen van dit arrest op 27 februari 2019 meer dan 2 jaren zijn verstreken. Het hof zal, dat in aanmerking genomen, de duur van de duur van de taakstraf verlagen naar 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.</para>
      <para>Het hof acht het voorts passend en geboden, deels overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aan de verdachte, gelet op de aard en ernst van de feiten, een bijkomende straf op te leggen, namelijk de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een uitgebreider beroepsverbod, aangezien het hof er – net als de rechtbank – van uitgaat dat de verdachte zelf geen rijexamens meer mag aanvragen en geen examinator mag zijn, terwijl het opleggen van een verbod tot het uitoefenen van zijn beroep, dat van rijinstructeur, onevenredig grote gevolgen zou hebben voor de verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering tot schadevergoeding van het CBR</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige strafproces heeft het CBR zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 75.542,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 75.542,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot </para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de benadeelde partij is door de raadsman, namens de verdachte, overeenkomstig de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 47, 57 en 177 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">180 (honderdtachtig) uren</emphasis>, indien niet naar behoren verricht te vervangen door <emphasis role="bold">90 (negentig) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van rijschoolhouder voor de duur van 3 (drie) jaren.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de <emphasis role="bold">benadeelde partij CBR niet-ontvankelijk</emphasis> in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, </para>
      <para>mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer,</para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>