<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:4001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T14:44:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AV001815-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:4001">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:4001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T14:05:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:4001 Gerechtshof Den Haag , 31-12-2019 / AV001815-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:4001:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wrakingsverzoek gedeeltelijk gehonoreerd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:4001:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para>Zaaknummer	: 001815-19<?linebreak?>Parketnummer hoofdzaak	: 23-002521-19</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>thans verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zich noemende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[alias verzoeker]]</para>
      <para>geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als verzoeker in de zaak met parketnummer 23-002521-19 in voorlopige hechtenis gesteld en gedagvaard als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoeker],</para>
      <para>geboren op [geboortedatum 2] 1982 te [geboorteplaats 2] ([geboorteland),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>thans gedetineerd in de [verblijfplaats],</para>
      <para>verzoeker,<?linebreak?>raadsman mr. Y Moszkowicz, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Het geding </title>
    <para />
    <para>1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd parketnummer heeft op 5 november 2019 een als pro forma aangeduide terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden, alwaar mr. N.A. Schimmel, voorzitter,  en mrs. M.M.H.P. Houben en V. Mul, leden, zitting hadden. </para>
    <para />
    <para>2. Ter terechtzitting van 5 november 2019 heeft de raadsman namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan.<?linebreak?></para>
    <para>3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.<?linebreak?></para>
    <para>4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 18 december 2019 ter openbare terechtzitting behandeld, waar de raadsman van verzoeker is gehoord. De advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol heeft namens het Openbaar Ministerie zijn standpunt uiteengezet.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het wrakingsverzoek  <?linebreak?></title>
    <para>5. Het wrakingsverzoek komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat de voorzitter zich op voorhand heeft uitgelaten over de inzet van het hoger beroep in de strafzaak, te weten dat verzoeker [alias verzoeker] (hierna ook: [alias verzoeker]) is, dat hij ten onrechte als [verzoeker] (hierna ook: [verzoeker]) is veroordeeld en dat hij op basis van de jurisprudentie daarom onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld. De voorzitter heeft, door verzoeker herhaaldelijk aan te spreken als meneer [verzoeker], ook nadat door de raadsman ter terechtzitting met stukken nader was onderbouwd dat verzoeker niet [verzoeker] is, feitelijk al een beslissing genomen. De overige raadsheren hebben zich onthouden van het stellen van vragen aan verzoeker en hebben zich, omdat zij geen afstand namen van het gebruik van de naam [verzoeker] door de voorzitter, hier niet van gedistantieerd, waarmee zij, aldus de raadsman, blijk hebben gegeven van eenzelfde vooringenomenheid.<?linebreak?></para>
    <para>6. Via de griffier van hun gerecht hebben de raadsheren op wie het verzoek betrekking heeft de wrakingskamer te kennen gegeven niet in de wraking te berusten, ervan af te zien op het verzoek te worden gehoord en er eveneens van af te zien een schriftelijke reactie in te dienen. <?linebreak?></para>
    <para>7. Het tot advies aan de wrakingskamer strekkende standpunt van de advocaat-generaal komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat het enkel aanspreken van verzoeker met de naam [verzoeker], mede gelet op de door de voorzitter gegeven motivering dat de enige reden om verzoeker met [verzoeker] aan te spreken het feit is dat hij zo in het strafdossier wordt genoemd, nog niet het door de raadsman gestelde gebrek aan onpartijdigheid oplevert en evenmin de schijn van partijdigheid kan rechtvaardigen. Wat betreft de andere twee raadsheren stelt de advocaat-generaal dat evenmin sprake is van een grond voor wraking,  nu zij niets aan verzoeker hebben gevraagd en evenmin ter terechtzitting iets hebben gezegd.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <para>8. Bij deze beoordeling staat voorop dat op verzoek van de verzoeker elk van de rechters die een zaak behandelen, op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, wordt gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. </para>
    <para>9. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die</para>
    <para>zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. <?linebreak?></para>
    <para>10. De wrakingskamer vat hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd aldus op dat het verzoeker in het hoger beroep van de hoofdzaak te doen is om de bewezenverklaring uit het vonnis teniet te laten doen en dat hij met het oog daarop betwist dat hij [verzoeker] is, degene die in de inleidende dagvaarding en het daaropvolgende vonnis als verzoeker wordt aangeduid. Nu de voorzitter heeft volgehouden dat verzoeker kan worden aangesproken als meneer [verzoeker], vreest hij voor een partijdige beoordeling van de voor zijn procespositie relevante vraag of hij al dan niet [verzoeker] is.</para>
    <para />
    <para>11. Ofschoon summier, acht de wrakingskamer het verzoek in het licht van het dossier daarmee voldoende feitelijk onderbouwd. </para>
    <para>Blijkens het proces-verbaal van de in de hoofdzaak voorafgaand gehouden terechtzitting van het hof op 13 augustus 2019 immers is daar door verzoeker, over wiens identiteitsgegevens in eerste aanleg al discussie ontstond, verklaard dat hij niet [verzoeker] is maar [alias verzoeker]. Nadat de voorzitter (eveneens mr. Schimmel voornoemd) vervolgens had meegedeeld dat deze zitting zoals aangekondigd een pro forma karakter droeg en dat de behandeling van de zaak onmiddellijk zou worden aangehouden, liet de voorzitter daarop  volgen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Wel is de vraag of het hoger beroep überhaupt ontvankelijk is nu de verzoeker verplicht is om zijn werkelijke naam op te geven en er in de akte (…rechtsmiddel, zoals de wrakingskamer begrijpt) een andere naam staat dan die wie hij nu stelt te zijn.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afwijzing van het verzoek tot onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis dat de raadsman op genoemde identiteitsdiscrepantie baseerde, vervolgde de voorzitter blijkens meergenoemd proces-verbaal van de terechtzitting:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Wel gelast het hof de advocaat-generaal uit te zoeken wat de werkelijke identiteit is van de verzoeker. De beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt aangehouden in afwachting van de uitslag van het onderzoek.”  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Ter terechtzitting van 5 november 2019 was inmiddels, kennelijk als voorlopige uitkomst van dit onderzoek, een mailbericht van 24 oktober 2019 aan het dossier toegevoegd, onder meer inhoudende dat was gebleken dat de justitiële documentatie onder het aan de naam [verzoeker] gekoppelde S(trafrecht) K(eten) N(ummer) is samengesteld uit veroordelingen van (minimaal) twee fysiek verschillende personen en dat extra zekerheid uit nader onderzoek zou kunnen volgen.</para>
    <para />
    <para>13. Nu het gelaste onderzoek naar de identiteit van de verzoeker, dat het hof op 13 augustus 2019 als relevant voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep beschouwde, blijkbaar nog geen uitsluitsel had opgeleverd, mocht verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer verwachten dat de voorzitter zich nog geen overtuiging had gevormd over de naam en identiteit van verzoeker. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2019 bevat - direct na een weergave van de indiening van een hernieuwd verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het standpunt van de verdediging over de identiteit van verzoeker - het volgende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“De voorzitter richt zich tot de verzoeker:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Meneer [verzoeker], wilt U hier nog iets aan toevoegen?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman geeft aan dat zijn cliënt geen [verzoeker] heet en dat hij aangesproken dient te worden met [alias verzoeker].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter geeft aan dat de verzoeker bij het hof is geregistreerd als [verzoeker] en derhalve dat hij met die naam wordt aangesproken.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Doordat de voorzitter, die op de zitting van 13 augustus 2019 het verband tussen de uitkomst van het onderzoek naar de naam en identiteit van verzoeker en de ontvankelijkheid van het hoger beroep had gelegd, verzoeker op 5 november 2019 desondanks aansprak met meneer [verzoeker] kon, behoudens in geval van een verspreking, bij de verzoeker dan ook de vrees ontstaan dat de voorzitter niet meer over de onbevangenheid beschikte die voor een onpartijdige beoordeling van zijn standpunt is vereist, met als consequentie dat in ieder geval het oordeel van de voorzitter over het zojuist ingediende verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en over de ontvankelijkheid van het hoger beroep reeds vaststond. </para>
    <parablock>
      <para>Dat daarbij sprake was van een verspreking behoefde verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer niet meer aan te nemen toen de voorzitter desgevraagd meedeelde waarom hij verzoeker aldus aansprak. Het ligt immers niet voor de hand om bij een kwestie van zo eminent belang voor de ontvankelijkheid en de kansen van het hoger beroep de wijze van aanspreken te laten bepalen door een administratieve werkelijkheid. </para>
      <para>Mogelijk heeft bij de voorzitter een andere overweging meegespeeld, welke hij om hem moverende redenen voor zich hield, maar het proces-verbaal van de zitting biedt daarover geen uitsluitsel, terwijl bij gebreke van enige andere reactie op het wrakingsverzoek dan de mededeling daarin niet te berusten de wrakingskamer geen andere interpretatie rest dan dat de volharding van de voorzitter, ook nadat de raadsman opnieuw, met nadere stukken onderbouwd, had betoogd dat verzoeker niet de veroordeelde was, helaas het karakter kreeg van een bron voor objectief gerechtvaardigde vrees voor de onpartijdigheid van het rechterlijk oordeel dat van het hof mocht worden verwacht. </para>
      <para>Dat aan de discussie over de identiteit van verzoeker inmiddels kennelijk een zodanig gewicht voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep was toegekend dat naar maatstaven van goede rechtspleging eigenlijk zou dienen te worden overwogen de beoordeling daarvan op te schorten tot de inhoudelijke behandeling van het appel, is een notie die de door het wrakingsverzoek getroffen uitlatingen van de voorzitter van een andere betekenis zou kunnen voorzien, maar die de verzoeker als leek van wie dergelijk inzicht niet mag worden verwacht niet kan worden tegengeworpen en die, gelet op het gestelde in het proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2019, waarin het tegendeel lijkt te worden beleden, een toelichting van de voorzitter zou vergen welke evenwel ontbreekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene brengt met zich mee dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek ten aanzien van de voorzitter, mr. N.A. Schimmel, gegrond acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Ten aanzien van mr. M.M.H.P. Houben en mr. V. Mul overweegt de wrakingskamer dat ten aanzien van hen geen uitzonderlijke omstandigheid is gebleken die een zwaarwegende aanwijzing  oplevert voor het oordeel dat zij jegens verzoeker dan wel aangaande een standpunt in een zaak een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat zij zich van de voorzitter niet hebben gedistantieerd is daarvoor geen toereikende grond. Immers, zij hebben ter terechtzitting geen vragen gesteld, noch iets gezegd en verzoeker derhalve niet aangesproken met de naam [verzoeker]. Ten aanzien van deze raadsheren acht de wrakingskamer het verzoek dan ook ongegrond.</para>
    <para />
    <para>16. Het hiervoor overwogene brengt met zich mee dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. N.A. Schimmel zal toewijzen en ten aanzien van mr. M.M.H.P. Houben en mr. V. Mul zal afwijzen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking van mr. M.M.H.P. Houben en mr. V. Mul af;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking van mr. N.A. Schimmel toe;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. Bouritius, mr. T.G. Lautenbach en mr. F.R. Salomons, in aanwezigheid van de griffier mr. H. van den Hove, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. Lautenbach is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.</para>
      <para>De griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>