<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:3288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-13T15:24:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.233.664</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3288">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-13T15:21:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:3288 Gerechtshof Den Haag , 10-12-2019 / 200.233.664</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:3288:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitleg van overeenkomst inzake onderhoud van printers.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:3288:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.233.664/01<?linebreak?>Zaaknummer rechtbank	: 5224601 CV EXPL 16-28665</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 10 december 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam] Holding B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Vlaardingen,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [naam B.V.],</para>
      <para>advocaat: mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IPG Holland B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Eindhoven,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: IPG,</para>
      <para>advocaat: mr. A.J. Flipse te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam B.V.] en IPG hierna tezamen ook aan te duiden als “partijen”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het eerdere verloop van de procedure verwijst het hof naar het tussenarrest van 27 maart 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen. De comparitie heeft op 17 mei 2018 plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal gemaakt. Vervolgens heeft [naam B.V.] een memorie van grieven met producties genomen, waarin zij zes grieven tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft IPG de grieven bestreden. Daarop hebben partijen arrest gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>De door de rechtbank weergegeven feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof die tot </para>
        <para>uitgangspunt neemt. Het hof vult deze feiten aan met hetgeen in hoger beroep is komen vast </para>
        <para>te staan. Met inachtneming daarvan gaat het in deze zaak om het volgende.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 2 maart 2010 is door IPG een offerte gezonden aan [naam B.V.] voor het plaatsen </para>
        <para>van nieuwe apparatuur. Deze offerte vermeldt onder meer:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	“<emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">Kosten</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Door een betere manier van controle zullen de kosten niet te groeien, sterker nog, kostenreductie is meer regel dan uitzondering. (…)</emphasis>”</para>
        <para>En: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“●	Conversie </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Binnen de Printflow© overeenkomst bestaat de mogelijkheid tot omruilen, bijplaatsen of een totaal van 25%, welke evenredig verdeelt wordt over de looptijd in jaren, van het door IPG Holland beheerde machinepark te laten weghalen of om te ruilen welke u per ingangdatum van retour name of omruiling gecrediteerd krijgt. Hierdoor hebt u altijd up-to-date apparatuur in huis, een optimale TCO verhouding die volledig is afgestemd op uw behoeften. Op deze wijze wordt er niet onnodig met apparatuur geschoven. Tevens staan uw investeringen niet in een magazijn te wachten, zonder compensatie, tot zij ooit weer kunnen worden ingezet. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het voordeel van deze overeenkomstvorm is, dat iedere 12 maanden de actuele stand van zaken nauwkeurig, in overleg met u, wordt bekeken en waar nodig aangepast. Zo kan bijplaatsing of conversie van de machines plaatsvinden, evenals een tussentijdse aanpassing van afdrukprijs en contractvolume worden doorgevoerd, waarna het contract wederom voor de oorspronkelijke afgesproken looptijd wordt aangegaan. Zo zal de afdrukprijs dalen bij een toename van het totaalvolume en bij een afname van het totaalvolume zal het jaarbedrag dalen. Hierdoor bent u te allen tijde goedkoper uit dan wanneer het afgesproken volume wordt gehandhaafd. Zo bent u verzekerd van een scherpe afdrukprijs, een reëel volume en optimaal op uw organisatie afgestemde apparatuur. Het reëel jaarlijkse afdrukvolume zal 12 maanden na ingang van de overeenkomst met u geëvalueerd worden. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op basis van deze offerte heeft [naam B.V.] met IPG op 3 mei 2010 een koop- en</para>
        <para>onderhoudsovereenkomst gesloten, waarbij zij een kopieermachine/printer (hierna te noemen: de printer) heeft gekocht van IPG voor een bedrag van € 5.600,-, en met IPG is overeengekomen dat IPG voor de duur van 36 maanden vanaf 1 april 2010 het onderhoud van de printer uitvoert tegen betaling van € 152,50 excl. BTW per maand door [naam B.V.] (hierna te noemen: de overeenkomst van 2010). De tekst ervan beslaat één pagina, op de achterzijde zijn de toepasselijke algemene voorwaarden van IPG afgedrukt. De overeenkomst van 2010 is gebaseerd op een contractvolume van 2500 zwart/wit- en 2500 kleurafdrukken/scans per maand. Overschrijding van het contractvolume leidt tot een meerprijs van € 0,0129 voor een zwart/wit afdruk/scan en € 0,052 voor een kleurafdruk/scan, die door middel van nacalculatie in rekening wordt gebracht. Onder “Kleurentoner” staat in de overeenkomst van 2010 handgeschreven “inclusief”. Verder vermeldt de overeenkomst van 2010: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Indien gekozen wordt voor kleurentoner exclusief zal de levering en afdrukken exclusief kleurentoner zijn.</emphasis>”<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Bij e-mail van 11 februari 2011 heeft [X] van IPG (hierna te noemen: </para>
        <para>
          [X]) [naam B.V.] erop gewezen, dat er meer afdrukken/scans werden gemaakt dan het contractvolume van de overeenkomst van 2010: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Jullie zitten fors boven het afgesproken volume en wij kunnen jullie een korting geven als we het volume mogen aanpassen.(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Het voorstel voor de volumeverhoging staat hieronder gemeld. Als je het mee eens bent zal ik de nieuwe overeenkomst opstellen en het in laten gaan per 1 januari van 2011 met terugwerkende kracht.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In antwoord daarop heeft [Y] namens [naam B.V.] onder meer het volgende geschreven bij e-mail van 7 maart 2011:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) Het lijkt me inderdaad handig dit aan te passen. Als nou blijkt dat we minder hebben verbruikt dit jaar kunnen we dan ook weer bijstellen.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarop heeft [X] bij e-mail van 7 maart 2011 gereageerd als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) uiteraard kunnen we het dan weer aanpassen. Ik zal een nieuwe overeenkomst opstellen en naar je toe laten sturen.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Hierop is een vervangende onderhoudsovereenkomst (hierna te noemen: de </para>
        <para>onderhoudsovereenkomst van 2011) gesloten. Deze overeenkomst is door partijen kort na 7 maart 2011 ondertekend. De tekst ervan bestaat weer uit één pagina met op de achterzijde de algemene voorwaarden van IPG. Er staat een looptijd vermeld van 60 maanden vanaf 1 januari 2011 en een contractvolume van 12.600 zwart/wit- en 2.950 kleur afdrukken/scans per maand. Ten aanzien van het gebruik van kleurentoner is de onderhoudsovereenkomst van 2011 gelijk aan die van 2010. [naam B.V.] is, zolang het contractvolume niet wordt overschreden, maandelijks een vergoeding verschuldigd van € 338,83 (excl. BTW). Boven het contractvolume is de meerprijs € 0,01171 per zwart/wit afdruk/scan en € 0,052 per kleur afdruk/scan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>De algemene voorwaarden luiden, voor zover in dit verband relevant, als volgt: </para>
        <para>
          <?linebreak?>Art. 1.2: “<emphasis role="italic">De looptijd van de onderhoudsovereenkomst bedraagt het aan de ommezijde vermelde aantal maanden. Deze overeenkomst wordt bij het eindigen van de looptijd stilzwijgend verlengd met de oorspronkelijke looptijd, tenzij deze overeenkomst twaalf maanden voor het verstrijken van de contractsperiode door een van de partijen aan de andere partij door middel van een aangetekend schrijven is opgezegd. </emphasis><?linebreak?>Art. 3 lid 1: <emphasis role="italic">“In de prijs (onderhoudsovereenkomst multifunctionele producten) zijn inbegrepen de kosten van service (voorrijkosten en arbeidsloon) consumables zoals drum developer en toners op basis van 5% vlaksvulling, met uitzondering van papier, faxtoners, nietjes en overige supplies, tenzij bij additionele afspraken anders vastgesteld. (…)</emphasis>”</para>
        <para>
          <?linebreak?>Art. 6 lid 3 regelt dat na de vervaltermijn een contractuele rente van 1,5% per maand verschuldigd is over dan nog niet betaalde bedragen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Art. 7.1 geeft IPG de mogelijkheid om jaarlijks de overeengekomen prijs te wijzigen als sprake is van “<emphasis role="italic">kostenstijgingen en/of wijzigingen ten gevolge van door de Nederlandse Overheid genomen maatregelen, zoals loonontwikkelingen, gestegen grondstofprijzen, valutaontwikkelingen e.d.” </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft haar (handels)naam op enig moment gedurende deze procedure gewijzigd in </para>
        <para>“Lucendis”. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft de onder de onderhoudsovereenkomst van 2011 te betpalen prijs in december </para>
        <para>2012, 2014 en 2015 in stappen verhoogd van € 338,83 naar € 399,09. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft onder de onderhoudsovereenkomst van 2011 in de periode van 1 januari 2011 </para>
        <para>tot en met 31 december 2016 op basis van door [naam B.V.] aan haar toegezonden tellerlijsten </para>
        <para>(waarop de aantallen afdrukken en scans van het afgelopen jaar) facturen gestuurd met</para>
        <para>inachtneming van de in 2.6 vermelde prijswijzigingen, waaronder de factuur voor het jaar </para>
        <para>2014, verzonden op 2 januari 2014. IPG heeft voorts een factuur gestuurd ter zake van extra</para>
        <para>tonerkosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.] heeft eind 2013 vastgesteld dat zij veel minder afdrukken/scans maakte dan het</para>
        <para>contractvolume. In telefonisch contact en mails van eind 2013 en van 30 januari 2014 heeft</para>
        <para>
          [naam B.V.] aangedrongen op uitleg en op aanpassing van de onderhoudsovereenkomst aan het</para>
        <para>feitelijk gebruik door [naam B.V.] met ingang van 1 januari 2014. IPG heeft [naam B.V.] daarop in een</para>
        <para>mail van 30 april 2014, 12:53 aangeboden een nieuwe overeenkomst aan te gaan met onder</para>
        <para>meer de volgende uitgangspunten: ingangsdatum 1 januari 2014, looptijd 5 jaar, prijs per jaar</para>
        <para>€ 3.744,- contractvolume 30.000 zwart/wit- en 36.000 kleurafdrukken/scans, prijzen voor</para>
        <para>meerafdrukken en de voorwaarde dat [naam B.V.] de reeds verzonden factuur over 2014 ad </para>
        <para>€ 5.577,24 per ommegaande zou betalen. [naam B.V.] heeft dit aanbod afgewezen en partijen</para>
        <para>hebben over een aanpassing geen overeenstemming bereikt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.], die de van IPG ontvangen facturen – ook de twee facturen voor toner - tot en</para>
        <para>met 2013 had voldaan, heeft nadien ontvangen rekeningen – als eerste de jaarfactuur voor</para>
        <para>2014 – onbetaald gelaten. IPG heeft in reactie daarop geen onderhoud meer uitgevoerd en</para>
        <para>geen toner meer geleverd en een verzoek tot het leveren van toner door [naam B.V.] bij e-mail van</para>
        <para>10 april 2014 afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg<?linebreak?></title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Conventie</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft in eerste aanleg gevorderd (i) een verklaring voor recht dat IPG op grond van </para>
        <para>art. 6:60 BW tegenover [naam B.V.] bevrijd is van al haar verplichtingen, en (ii) een veroordeling </para>
        <para>tot betaling van € 17.166,76 (onbetaald gelaten facturen over 2014, 2015 en 2016) te </para>
        <para>vermeerderen met de contractueel bedongen rente van 1,5% per maand vanaf de vervaldata </para>
        <para>tot de dag der voldoening. IPG heeft tevens vergoeding van de buitengerechtelijke </para>
        <para>incassokosten ter hoogte van € 946,67 gevorderd en veroordeling van [naam B.V.] in de</para>
        <para>proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, inclusief de nakosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.] heeft verweer gevoerd tegen deze vorderingen. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Reconventie</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.] heeft – na wijziging van haar eis bij akte van 25 januari 2017 - in reconventie </para>
        <para>vernietiging van de onderhoudsovereenkomst van 2011 gevorderd, primair wegens bedrog en subsidiair wegens dwaling. Verder heeft [naam B.V.] gevorderd IPG te veroordelen tot betaling van € 12.241,98, zijnde het verschil tussen het bedrag van € 20.577,80 dat [naam B.V.] in totaal heeft betaald aan IPG en het bedrag van € 8.335,82 dat IPG volgens [naam B.V.] toekomt op grond van de overeenkomst van 2010. Tot slot heeft [naam B.V.] in reconventie veroordeling van IPG in de proceskosten gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en inclusief nakosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft verweer gevoerd in reconventie.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter heeft na tussenvonnissen van 24 maart en 8 september 2017 (de </para>
        <para>tussenvonnissen) in zijn eindvonnis van 1 december 2017 (het eindvonnis) de vorderingen van IPG in conventie toegewezen en [naam B.V.] veroordeeld tot betaling aan IPG van € 17.166,76, vermeerderd met de contractuele rente ad 1,5% per maand over de respectieve factuurbedragen vanaf de vervaldata van iedere factuur tot de dag van betaling, alsmede tot betaling van € 946,67 ter zake van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. Daarbij is de kantonrechter ervan uitgegaan dat de onderhoudsovereenkomst van 2011 eind 2016 tot een einde is gekomen omdat zij toen (ook) door IPG als beëindigd werd beschouwd. Ten aanzien van de reconventionele vordering tot vernietiging van de onderhoudsovereenkomst van 2011 en tot terugbetaling van hetgeen [naam B.V.] op grond van die overeenkomst aan IPG heeft betaald heeft de kantonrechter in rov. 5.10 e.v. van zijn tussenvonnis van 24 maart 2017 overwogen dat deze niet voor toewijzing in aanmerking komen. De vorderingen zijn niet met zoveel woorden afgewezen in het dictum van één van de bestreden vonnissen, maar in het dictum van het eindvonnis is wel opgenomen dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vorderingen en de grieven in hoger beroep.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>In de appeldagvaarding vordert [naam B.V.] vernietiging van het eindvonnis van 1 december</para>
        <para>2017 en afwijzing van de vorderingen van IPG met veroordeling van IPG in de kosten in </para>
        <para>beide instanties. Hoewel [naam B.V.] noch in de appeldagvaarding noch in de memorie van </para>
        <para>grieven expliciet verzoekt haar reconventionele vorderingen alsnog toe te wijzen, heeft </para>
        <para>zij wel grieven gericht tegen de overwegingen van de rechtbank die inhouden dat die </para>
        <para>vorderingen niet toewijsbaar zijn. Het hof gaat er daarom vanuit dat het hoger beroep gericht </para>
        <para>is tegen het oordeel van de rechtbank in conventie én in reconventie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.] ontbindt in de memorie van grieven – voor zover nodig – de </para>
        <para>onderhoudsovereenkomst van 2011 omdat IPG haar verplichtingen niet is nagekomen </para>
        <para>doordat IPG</para>
      </parablock>
      <para>- heeft verzuimd [naam B.V.] te waarschuwen, dat zij minder afdrukken maakte dan waar zij voor had gecontracteerd;</para>
      <para>- heeft geweigerd de onderhoudsovereenkomst van 2011 aan te passen;</para>
      <para>- sinds het najaar van 2013 geen goederen of diensten heeft geleverd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>Subsidiair vernietigt [naam B.V.] in de memorie van grieven de onderhoudsovereenkomst van</para>
        <para>2011 op grond van bedrog of dwaling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>Meer subsidiair stelt [naam B.V.], dat een beroep op een dergelijke looptijd naar maatstaven </para>
        <para>van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met als gevolg dat de </para>
        <para>onderhoudsovereenkomst van 2011 eindigt per 31 december 2013. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam B.V.] stelt verder dat de onderhoudsovereenkomst van 2011 niet zo mag worden </para>
        <para>uitgelegd, dat scans op dezelfde voet zouden mogen meetellen als afdrukken, en dat </para>
        <para>(kleuren)toner afzonderlijk in rekening kan worden gebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>Met de eerste grief bestrijdt [naam B.V.] het oordeel van de kantonrechter in rovv. 5.2 en 5.3</para>
        <para>van het tussenvonnis van 24 maart 2017 dat haar vorderingen tot vernietiging wegens bedrog</para>
        <para>of dwaling zouden zijn verjaard. Verder stelt zij, dat IPG naar maatstaven van redelijkheid</para>
        <para>en billijkheid geen beroep kan doen op de looptijd van 60 maanden van de</para>
        <para>onderhoudsovereenkomst van 2011, zodat deze overeenkomst in ieder geval is geëindigd per</para>
        <para>1 januari 2014.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <parablock>
        <para>In de tweede grief stelt [naam B.V.] dat de kantonrechter in rovv. 5.4 tot en met 5.8 van het</para>
        <para>tussenvonnis van 24 maart 2017 heeft miskend, dat IPG op eigen initiatief na iedere twaalf</para>
        <para>maanden vanaf de aanvangsdatum van het onderhoudsovereenkomst contact met [naam B.V.] had</para>
        <para>moeten opnemen bij onderschrijding van het contractvolume en dat IPG mee had moeten</para>
        <para>werken aan een overeenkomstige aanpassing van de onderhoudsovereenkomst.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <parablock>
        <para>Met de derde grief komt [naam B.V.] op tegen rovv. 5.10 tot en met 5.18 van het tussenvonnis</para>
        <para>van 24 maart 2017, waarin de kantonrechter haar vordering tot vernietiging van de onderhoudsovereenkomst van 2011 heeft afgewezen en heeft geoordeeld dat de daarop gebaseerde vorderingen wegens onverschuldigde betaling voor afwijzing gereed liggen. Verder komt [naam B.V.] met deze grief op tegen het in deze rovv. vervatte oordeel dat IPG naast de overeengekomen maandelijkse vergoeding ook kleurentoner in rekening mag brengen.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <parablock>
        <para>Grief IV is gericht tegen rovv. 2.3 e.v. van het tussenvonnis van 8 september 2017</para>
        <para>waarin de kantonrechter het verweer van [naam B.V.] verwerpt dat art. 7.1 van de algemene voorwaarden niet is overeengekomen dan wel onredelijk bezwarend is. [naam B.V.] vernietigt art. 7.1 van de algemene voorwaarden alsnog, stellende dat dit artikel onredelijk bezwarend is, omdat het IPG de bevoegdheid geeft eenzijdig de prijs van de door haar te leveren prestaties te wijzigen. Subsidiair stelt [naam B.V.] dat IPG haar vorderingen niet heeft onderbouwd, nu zij – zonder daarvoor enige uitleg te geven - steeds andere - hogere - tarieven in rekening brengt. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <parablock>
        <para>Met de (door het hof hernummerde) vijfde grief bestrijdt [naam B.V.] het oordeel van de</para>
        <para>kantonrechter in rovv. 2.1 tot en met 2.5 van het eindvonnis van 1 december 2017, dat ervan moet worden uitgegaan dat de onderhoudsovereenkomst van 2011 per 1 januari 2016 in beginsel met 60 maanden is verlengd en per 31 december 2016 is geëindigd omdat IPG de overeenkomst per die datum als beëindigd heeft beschouwd. [naam B.V.] wijst erop dat zij niet de wil heeft gehad de onderhoudsovereenkomst van 2011 met 60 maanden te verlengen, en dat IPG zich er ook zonder uitdrukkelijke opzegging door [naam B.V.] van bewust was dat [naam B.V.] haar rechtsverhouding met IPG zo snel mogelijk wenste te beëindigen. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Met de (door het hof hernummerde) zesde grief bestrijdt [naam B.V.] de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en de veroordeling van [naam B.V.] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <parablock>
        <para>IPG heeft de grieven weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden</para>
        <para>vonnissen en afwijzing van de reconventionele vordering van [naam B.V.], met veroordeling van</para>
        <para>IPG in de kosten.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het geschil betreft de uitleg en uitvoering van de overeenkomst van 2010 en de </para>
        <para>onderhoudsovereenkomst van 2011. Hoe daarin de verhouding tussen partijen is geregeld </para>
        <para>kan niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een taalkundige uitleg van de </para>
        <para>bepalingen van die contracten. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven </para>
        <para>omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op </para>
        <para>hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede </para>
        <para>van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis </para>
        <para>van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1981, 635). </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof zal om redenen van doelmatigheid eerst ingaan op het beroep op de ontbinding</para>
          <para>van de onderhoudsovereenkomst van 2011 door [naam B.V.] en de daarop betrekking hebbende</para>
          <para>tweede grief. Voor de goede orde merkt het hof daarbij het volgende op. IPG voert aan</para>
          <para>(MvA 52) dat [naam B.V.] geen expliciete grief heeft geformuleerd waar het de ontbinding betreft.</para>
          <para>Het hof volgt IPG daarin niet. Uit de stellingen van [naam B.V.] komt voldoende duidelijk naar</para>
          <para>voren dat zij zich in appel op ontbinding beroept en waarom. Het hof volgt IPG evenmin in</para>
          <para>haar stelling dat [naam B.V.] geen belang heeft bij ontbinding omdat de overeenkomst al per 31</para>
          <para>december 2016 is beëindigd en ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Ten eerste kan</para>
          <para>de ontbinding tegen een eerdere datum worden uitgesproken en ten tweede kan een</para>
          <para>ontbinding tot ongedaanmakingsverbintenissen leiden. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof betrekt bij de uitleg van de onderhoudsovereenkomst van 2011 wat staat</para>
          <para>vermeld over aanpassing van die overeenkomst bij onder- of overschrijding van het</para>
          <para>contractvolume in de offerte (zie onder 2.2.), in de mails van partijen van maart 2011</para>
          <para>genoemd in 2.4 en het feit, dat de overeenkomst van 2010 op initiatief van IPG is aangepast</para>
          <para>aan de overschrijding van het contractvolume. Het hof maakt uit dit alles op, dat [naam B.V.]</para>
          <para>terecht stelt dat zij van IPG mocht verwachten dat zij bij over- of onderschrijding van het</para>
          <para>contractvolume in enig jaar de onderhoudsovereenkomst voor de toekomst aan zou passen</para>
          <para>op basis van het werkelijke aantal afdrukken/scans, dit tegen de oorspronkelijke looptijd.</para>
          <para>Deze verplichting van IPG gaat echter niet zo ver dat [naam B.V.] ook van IPG mocht verwachten</para>
          <para>dat zij het initiatief tot zo’n aanpassing zou nemen en evenmin dat IPG dan ook verplicht zou </para>
          <para>zijn het contractvolume met terugwerkende kracht aan te passen. Dit staat nergens en [naam B.V.]</para>
          <para>heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het aannemen van een zo vergaande</para>
          <para>verplichting zouden kunnen rechtvaardigen. [naam B.V.] kende het contractvolume en via de</para>
          <para>tellerlijsten was zij ieder jaar op de hoogte van het werkelijke aantal afdrukken/scans. Met</para>
          <para>die kennis kon [naam B.V.] zelfstandig van jaar tot jaar beoordelen of aanpassing van de</para>
          <para>overeenkomst vanuit haar gezichtspunt wenselijk was. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>Hetgeen onder 5.2.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het enkele feit dat IPG het</para>
          <para>contractvolume eind 2011 of 2012 niet uit eigen beweging naar beneden heeft bijgesteld,</para>
          <para>geen tekortkoming van IPG in de nakoming van haar contractuele verplichtingen kan</para>
          <para>opleveren, zoals [naam B.V.] betoogt (nog daargelaten dat IPG dan ook niet in gebreke is gesteld).</para>
          <para>Dit betekent dat er in zoverre geen grond voor ontbinding bestaat en dat [naam B.V.] dus geen</para>
          <para>recht heeft op terugbetaling van de factuurbedragen over 2011 tot en met 2013. De</para>
          <para>reconventionele vordering kan dus niet op deze grond worden toegewezen (hieronder komen</para>
          <para>het beroep op bedrog en dwaling, alsmede de stellingen omtrent de scans en de toners, nog</para>
          <para>ter sprake). </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.4</nr>
        <parablock>
          <para>IPG is naar het oordeel van het hof eerst tekortgeschoten in de nakoming van haar</para>
          <para>verplichtingen nadat [naam B.V.] eind 2013 om aanpassing van het contractvolume verzocht. Niet</para>
          <para>weersproken is dat inmiddels was gebleken dat er een discrepantie bestond tussen het</para>
          <para>contractvolume en het werkelijke (lagere) volume. Zoals hierboven overwogen kon dat niet</para>
          <para>met terugwerkende kracht tot een neerwaartse aanpassing van het contractvolume leiden,</para>
          <para>maar had [naam B.V.] over het jaar 2014 wel recht op aanpassing. Zij mocht daarom de betaling</para>
          <para>van de factuur van januari 2014 opschorten – zoals zij ook heeft gedaan bij mail van 30</para>
          <para>januari 2014 – in afwachting van een reactie op haar vanaf eind 2013 gedane verzoeken. Het</para>
          <para>aanbod dat IPG vervolgens in haar mail van 30 april 2014 heeft gedaan was onvoldoende</para>
          <para>alleen al nu zij daarin een looptijd stipuleerde van 1 januari 2014 tot 1 januari 2019 en als</para>
          <para>voorwaarde stelde betaling per ommegaande van het op 2 januari 2014 voor het komende </para>
          <para>jaar 2014 gefactureerde bedrag, waarin met aanpassing nog geen rekening was gehouden. </para>
          <para>IPG is aldus tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen. [naam B.V.] heeft IPG niet in </para>
          <para>gebreke gesteld. Het hof oordeelt dat IPG niettemin in verzuim is geraakt daar zij </para>
          <para>ondubbelzinnig heeft geweigerd om de onderhoudsovereenkomst aan te passen (artikel 6:83</para>
          <para>sub c BW). Het hof wijst in dat verband op de brieven/mails van 30 januari 2014, 11, 18 en</para>
          <para>30 april 2014 waarin IPG onder meer opmerkt “uw tegenvoorstel kunnen wij ons simpelweg</para>
          <para>niet veroorloven” (mail van 30 april 2014). Hierboven (in rov. 5.2.3.) is het hof tot de</para>
          <para>conclusie gekomen dat er geen grond bestaat om de overeenkomst reeds voor de jaren 2011</para>
          <para>tot en met 2013 als ontbonden te beschouwen. Het hof is echter van oordeel dat [naam B.V.] de</para>
          <para>overeenkomst wel heeft mogen ontbinden voor de jaren vanaf 2014. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.5</nr>
        <parablock>
          <para>Nu IPG vanaf 1 januari 2014 geen diensten of goederen heeft geleverd en [naam B.V.] sinds</para>
          <para>die datum geen betalingen heeft verricht doet de ontbinding geen  </para>
          <para>ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan. De tweede grief slaagt echter en het vonnis kan – </para>
          <para>voor wat betreft de conventie – niet in stand blijven. De conventionele vordering tot betaling </para>
          <para>van de facturen over 2014 tot en met 2016 moet worden afgewezen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.2.6</nr>
        <para>Na het voorgaande kan buiten bespreking blijven of (ook) de vernietiging door [naam B.V.] van art. 7.1 van de algemene voorwaarden opschorting van de betalingsverplichting van [naam B.V.] rechtvaardigde. Grief IV kan dus onbesproken blijven.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De (door het hof hernummerde) vijfde grief betreft het verweer van [naam B.V.] tegen de</para>
        <para>conventionele vordering voor de periode vanaf 2014. Nu de vordering in conventie is</para>
        <para>afgewezen en de onderhoudsovereenkomst van 2011 is ontbonden, behoeft deze grief</para>
        <para>evenmin behandeling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>De eerste en de derde grief betreffen het oordeel van de kantonrechter over het beroep</para>
        <para>door [naam B.V.] op de vernietiging van de onderhoudsovereenkomst wegens bedrog dan wel</para>
        <para>dwaling. Het hof verwerpt het beroep van [naam B.V.] op bedrog en dwaling. De periode van 60 </para>
        <para>maanden stond vermeld in de onderhoudsovereenkomst van 2011 die door [naam B.V.] is </para>
        <para>ondertekend. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat IPG een </para>
        <para>onjuiste mededeling heeft gedaan, dan wel dat IPG had moeten begrijpen dat [naam B.V.] uitging </para>
        <para>van een andere looptijd van de onderhoudsovereenkomst. Daarmee kan de vraag of een </para>
        <para>rechtsvordering van [naam B.V.] tot vernietiging wegens dwaling of bedrog verjaard is, buiten </para>
        <para>beschouwing blijven.</para>
        <para>Voor zover [naam B.V.] heeft betoogd dat de onderhoudsovereenkomsten redelijkerwijze zo moeten worden uitgelegd, dat er alleen over afdrukken moest worden afgerekend en niet over scans, stuit haar betoog eveneens af op de duidelijke tekst van beide overeenkomsten en de wijze van afrekenen onder de overeenkomst van 2010, waarbij steeds over scans was afgerekend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De derde grief (nrs. 5.3.3. en 5.3.5 van de Memorie van Grieven) betreft tevens de</para>
        <para>leveranties van toner en daarmee de reconventie. Het hof leest in de woorden “toner</para>
        <para>inclusief” en de daarbij gegeven toelichting in de onderhoudsovereenkomst dat voor toner</para>
        <para>geen aparte declaraties zouden worden ingediend. Het hof volgt IPG niet in haar verweer dat</para>
        <para>
          [naam B.V.] op grond van de toevoeging “op basis van 5% vlaksvulling” had moeten begrijpen dat </para>
        <para>extra kosten voor toners in rekening konden worden gebracht. De derde grief slaagt in</para>
        <para>zoverre. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <parablock>
        <para>Afwijzing van de vorderingen in conventie brengt mee, dat IPG niet in aanmerking komt</para>
        <para>voor vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, en dat [naam B.V.] ten onrechte is </para>
        <para>veroordeeld in de proceskosten in conventie. De zevende grief slaagt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Vanwege de ontbinding van de onderhoudsovereenkomst met ingang van 2014 en omdat de tweede grief slaagt en de derde grief gedeeltelijk slaagt, zal het hof het vonnis vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen in conventie afwijzen en de vorderingen in reconventie toewijzen zoals hierna te melden. In conventie veroordeelt het hof IPG in de proceskosten van het hoger beroep omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. In de reconventie compenseert het hof de proceskosten nu beide partijen deels in het gelijk zijn gesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt het vonnis van 1 december 2017 van de rechtbank Rotterdam;</para>
    <para />
    <para>- in conventie: wijst de vorderingen van IPG af;</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>in reconventie: </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de vordering toe voor een bedrag van € 814,49,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het anders of meer gevorderde af;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>- veroordeelt IPG in de proceskosten van het geding aan de zijde van [naam B.V.] in de eerste</para>
    <parablock>
      <para>instantie ter hoogte van € 1.023,54 aan verschotten en € 1.050 aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep, in conventie, ter hoogte van € 3.005,79 aan verschotten en </para>
      <para>€ 2.148 aan salaris voor de gemachtigde, alle proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot de dag der algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, E.M. Dousma-Valk en G.C.W. van der Feltz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>