<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:3229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-13T19:46:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-001411-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3229">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:3229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-30T20:26:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:3229 Gerechtshof Den Haag , 06-12-2019 / 22-001411-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:3229:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Valse Bulgaarse identiteitskaart is zowel een reisdocument als een identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Veroordeling wegens overtreding van art. 231 Sr tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:3229:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-001411-18 </para>
  <para>Parketnummer(s):	09-817504-18 </para>
  <para>Datum uitspraak:	6 december 2019</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 23 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboorteplaats] 1969, </para>
      <para>[adres]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek </para>
      <para>op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van </para>
      <para>23 januari 2019 en 22 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 20 maart 2018 te 's-Gravenhage een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een identiteitsbewijs van/uit Bulgarije met nummer [nr] en met als tenaamgestelde [persoon] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2019 is zijdens de verdediging de vraag opgeworpen of een Bulgaarse identiteitskaart kan worden aangemerkt als een reisdocument dan wel een identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. </para>
      <para>Omtrent het antwoord op deze vraag heeft het hof de advocaat-generaal mr. W.J.V. Spek verzocht het hof voor te lichten. Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2019 heeft de advocaat-generaal aan het hof en de raadsman van de verdachte een schriftelijk stuk gestuurd, inhoudende: </para>
      <para />
    </parablock>
    <para>“Artikel 1 Wet op de identificatieplicht luidt sinds 1 maart 2017 als volgt -voor zover van belang-:</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:</emphasis>
    </para>
    <bridgehead role="italic">1. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">4. een geldig rijbewijs etc..</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">(...)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Een Bulgaars identiteitsbewijs valt niet onder artikel 1 onder 1, 3 en 4 van de Wet op de identificatieplicht. De vraag is dan of een Bulgaars identiteitsbewijs een document kan zijn waarover de vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, zoals genoemd in lid 1 onder 2 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 50 Vreemdelingenwet 2000 regelt over welke documenten een vreemdeling moet beschikken. Artikel 50, lid 1 laatste volzin, Vreemdelingenwet luidt:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij algemene maatregel van bestuur worden de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">1. De algemene maatregel van bestuur is het Vreemdelingenbesluit 2000. Art. 4.21 luidt -voor zover hier van belang-:</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Documenten in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen :</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">b. voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8 onder e, van de Wet: een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart, indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, of, (...)</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 8 onder e Vreemdelingenwet 2000 heeft het over rechtmatig verblijf van de gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 8.7, eerste lid, Vreemdelingenwet spreekt van vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of  bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is Bulgarije sinds 1 januari 2007 partij.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dat betekent dat een Bulgaar die in Nederland rechtmatig verblijft op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich kan legitimeren met een Bulgaars identiteitsbewijs. De vraag in welke gevallen dat dan kan, is hier niet van belang. Het gaat hier puur om de vraag of een Bulgaars identiteitsbewijs één van de documenten is waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie zoals genoemd in artikel 1 Wet op de identificatieplicht. En dat is de Bulgaarse identiteitskaart naast het paspoort.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De tweede vraag is of het Bulgaarse identiteitsbewijs kan worden gezien als een reisdocument. Onder het begrip reisdocument vallen ook buitenlandse reisdocumenten. Ik verwijs naar de Memorie van Toelichting op de Paspoortwet die Kamerstukken II 1987-1988, 20 393, nr. 3, p. 75; zie ook HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:BM5248.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximum drie maanden op het grondgebied van het gastland te verblijven zonder dat aan andere formaliteiten moet worden voldaan dan het bezit van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort (Considerans onder 9 van de Richtlijn). Dat recht wordt verder uitgewerkt in de artikelen van de Richtlijn die het uitreis- en inreisrecht regelen. Zo bepaalt artikel 4 lid 1 Richtlijn dat, onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort (...) het recht heeft het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven. Artikel 5 lid 1 Richtlijn regelt spiegelbeeldig het inreisrecht:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocu</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">menten bij nationale grenscontroles, laten de lidstaten de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort( ...) hun grondgebied binnenkomen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hierboven genoemde art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000 is bij Besluit van 24 april 2006 gewijzigd juist met het oog op de genoemde Richtlijn, zie Besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229), Staatsblad 2006, 215. Op grond van art. 2.1, tweede lid, Vreemdelingenbesluit is het eerste lid niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel 1, van de Wet. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lid 1 regelt de weigering van toegang van de vreemdeling op basis van art. 3, eerste lid, Vreemdelingenwet. Art. 8, onder e, Vreemdelingenwet is hierboven al aangehaald. Deze bepaling van het vreemdelingenbesluit 2000 heeft tot gevolg dat de toegang niet geweigerd kan worden aan (onder meer) een gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt (of beter: gaat houden) op grond  van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat een Bulgaarse burger van de Unie met zijn identiteitsbewijs Nederland  mag inreizen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik concludeer dat een Bulgaars identiteitsbewijs zowel een reisdocument als een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht is.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof neemt deze conclusie van de advocaat-generaal over en maakt deze op grond van de daarvoor door de advocaat-generaal gegeven motivering tot de zijne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op <emphasis role="strike-through">of omstreeks</emphasis> 20 maart 2018 te 's-Gravenhage een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een identiteitsbewijs van<emphasis role="strike-through">/uit</emphasis> Bulgarije met nummer [nr] en met als tenaamgestelde [persoon] waarvan hij, verdachte, wist <emphasis role="strike-through">of redelijkerwijs moest vermoeden</emphasis> dat deze vals <emphasis role="strike-through">of vervalst</emphasis> was, <emphasis role="strike-through">heeft afgeleverd en/of</emphasis> voorhanden heeft gehad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijsvoering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van het bewezen verklaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan - voor zover mogelijk - is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft een vals identiteitsbewijs in bezit gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.<?linebreak?>Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het (internationale) maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming als het onderhavige. Bovendien bevordert een dergelijk feit het plegen van andere misdrijven. Een misdrijf zoals bewezen is verklaard pleegt volgens de in de rechtspraak van toepassing zijnde richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) te worden bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke wettelijke voorschriften</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, </para>
      <para>mr. H.M.D. de Jong en mr. B.P. de Boer, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. E. Mulder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>