<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:2468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-18T13:44:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-000988-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2468">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:2468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-18T13:44:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:2468 Gerechtshof Den Haag , 17-07-2019 / 22-000988-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:2468:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Het openbaar ministerie is ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.</para>
        <para>De verdachte is in de loop van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep – maar voorafgaand aan de daadwerkelijk inhoudelijke behandeling - als gevolg van opgelopen hersenletsel is komen te lijden aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat die stoornis zodanig ernstig is dat de verdachte ook niet met compenserende procedurele maatregelen als bedoeld in de artikelen 509 a-d Sv effectief kan participeren in de strafprocedure. Het hof acht de verdachte procesonbekwaam, zodat hij niet in staat moet worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:2468:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-000988-16 </para>
  <para>Parketnummer:		09-767087-14 </para>
  <para>Datum uitspraak:	17 juli 2019</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1954, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 2 november 2016, 28 maart 2017, 11 april 2018, 4 oktober 2018 en 8 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 11 april 2017 is een tussenarrest gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para>1.<?linebreak?>hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot en met 19 mei 2015 te Alphen aan den Rijn en/of De Lier en/of Pijnacker en/of Helecine (Beligië), althans (elders) in Nederland en/of België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid hennep en/of een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of marihuana, te weten (onder meer) </para>
    <para>- in een pand aan [straat] in Alphen aan den Rijn (in totaal) 469 hennepplanten en/of 371 (geoogste) hennepplanten, en/of een of meer hennepplant(en) en/of </para>
    <para>- in een pand aan de [straat 2] te De Lier (in totaal ongeveer) 6350 gram henneptoppen, en/of een (grote) hoeveelheid hennep(toppen), en/of </para>
    <para>- in een pand aan de [straat 3] te Pijnacker (in totaal) 278 (moeder) hennepplanten en/of (in totaal) 5207 hennepstekken, en/of een of meer hennepplant(en) en/of hennepstek(ken), en/of </para>
    <para>- in een pand aan de [straat 4] te Helecine (België) een of meer hennepplant(en) en/of een of meer hoeveelheid/hoeveelheden hennep(toppen), </para>
    <parablock>
      <para>althans (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, </para>
      <para>zijnde hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.<?linebreak?>Hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 19 mei 2015 te Den Haag en/of Alphen aan den Rijn en/of Delft en/of Pijnacker en/of Rotterdam en/of Gouda en/of Honselersdijk en/of Poeldijk en/of Sassenheim en/of Helecine (België), althans (elders) in Nederland en/of België, (telkens) opzettelijk al dan niet als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijf/misdrijven, namelijk het overtreden van (onder meer) </para>
    <para />
    <para>- artikel 3 Opiumwet en artikel 11 tweede en/of derde en/of vijfde lid Opiumwet, te weten het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep(planten) en/of delen daarvan en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of marihuana, althans (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en/of </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- artikel 310 Wetboek van Strafrecht, te weten het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin, althans aan een ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en/of </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 19 mei 2015 te Den Haag en/of Alphen aan den Rijn en/of Delft en/of Pijnacker en/of Rotterdam en/of Gouda en/of Honselersdijk en/of Poeldijk en/of Sassenheim en/of Helecine (België), althans (elders) in Nederland en/of België, (telkens) opzettelijk al dan niet als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, en/of artikel 11a van de Opiumwet, te weten </para>
      <para>-(ten aanzien van artikel 11 derde en/of vijfde lid Opiumwet) het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep(planten) en/of delen daarvan en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), althans (telkens) (een) hoeveelheid/hoeveelheden meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II en/of </para>
      <para>-(ten aanzien van artikel 11a Opiumwet) het voorbereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren vervaardigen of voorhanden hebben van stoffen of voorwerpen dan wel het voorhanden hebben van vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen of het voorhanden hebben van gegevens, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, strafbaar gestelde feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde hier een oordeel over te geven zal in het navolgende eerst het verloop van de procedure in hoger beroep worden weergegeven en het oordeel van de in deze zaak gehoorde deskundigen worden uiteengezet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verloop procedure in hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2016 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het pand [straat] te Alphen aan den Rijn, en veroordeeld ter zake van het onder 1 ten laste gelegde voor zover dit ziet op de andere drie panden en het onder 2 ten laste gelegde. Hem is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Namens de verdachte is op 26 februari 2016 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 2 november 2016 en 28 maart 2017 hebben er zittingen bij het hof plaatsgevonden, die in het teken hebben gestaan van de vraag of het aanwezigheidsrecht van de verdachte in eerste aanleg zou zijn geschonden. Op beide zittingsdagen was de verdachte met zijn toenmalige raadsman, mr. C.Y. Kekik, aanwezig.</para>
        <para>Het hof stelt voorts vast dat de verdachte de aan hem in eerste aanleg opgelegde straf reeds in voorarrest heeft uitgezeten.</para>
        <para>Op 11 april 2017 heeft het hof een tussenarrest gewezen waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een nietig onderzoek in eerste aanleg, zodat de zaak in hoger beroep inhoudelijk kan worden behandeld. Het onderzoek werd heropend, geschorst en verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van getuigen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 11 april 2018 is de behandeling van de zaak vervolgens voortgezet. De verdachte was toen niet aanwezig. Zijn raadsman deelde mee dat de verdachte hem enkel uitdrukkelijk had gemachtigd om een verzoek tot aanhouding te doen, gezien omstandigheden betreffende de gezondheid van de verdachte, die op dat moment in een verpleeghuis voor patiënten met niet-aangeboren hersenletsel verbleef. De raadsman heeft medische stukken overgelegd waaruit onder meer bleek dat de verdachte na een ongeval op 11 november 2017 hersenletsel had opgelopen. Het hof heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting gelast een onderzoek te doen instellen omtrent de psychische en fysieke toestand van de verdachte en de prognose hierbij en naar de vraag in hoeverre de verdachte in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen in de zin van artikel 509a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 4 oktober 2018 is, in afwezigheid van de verdachte, ter zitting het naar aanleiding van de opdracht van het hof opgemaakte psychiatrisch rapport van drs. Th.J.G. Bakkum, psychiater, van 2 oktober 2018, alsmede het psychologisch rapport van drs. A. Preesman, GZ-psycholoog/neuropsycholoog, van 2 oktober 2018, besproken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De behandeling is op 4 oktober 2018 wederom aangehouden daar het hof het noodzakelijk achtte dat de deskundigen aanvullend zouden rapporteren omtrent de vraag of de verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, zoals is bedoeld in artikel 16 Sv. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dezelfde deskundigen hebben daarop nader gerapporteerd bij (psychiatrisch) rapport van 14 december 2018 en (psychologisch) rapport van 12 december 2018. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter terechtzitting van 8 juli 2019 is de verdachte, na een bevel tot persoonlijke verschijning, samen met diens raadsman, mr. Bordewijk, ter terechtzitting verschenen.</para>
        <para>Op de zitting is de verdachte door het hof en de advocaat-generaal ondervraagd, zijn de rapporten van de deskundigen besproken en zijn beide deskundigen gehoord, waarbij zij hun bevindingen hebben toegelicht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De advocaat-generaal heeft ter zitting betoogd dat artikel 16 Sv op de verdachte van toepassing is, en – bij gebreke van uitzicht op herstel – gerequireerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft verzocht vast te stellen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16 Sv, en primair het hof verzocht conform artikel 36 Sv te verklaren dat de zaak is geëindigd, subsidiair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="italic">II. Bevindingen deskundigen</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de in de opgemaakte rapporten verwerkte medische informatie blijkt dat de verdachte op </para>
        <para>11 november 2017 in België bij een val op zijn hoofd hersenletsel heeft opgelopen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- <emphasis role="underline">Deskundigenrapporten van 2 oktober 2018</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Drs. Bakkum voornoemd concludeert in zijn rapport na psychiatrisch onderzoek het navolgende (p. 18):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Er is sprake van uitgebreide neurocognitieve problematiek met vooral executieve functiestoornissen (zowel cognitief/geheugen als in het sociale en in initiatief/apathie) op basis van hersenbeschadiging na een hersentrauma en langdurig coma bij een 64 jarige man met premorbide een stoornis in het gebruik van alcohol en een antisociale persoonlijkheidsstoornis; bij deze problematiek is er een verandering in karakter en een neiging tot paranoïde die mogelijk als aparte entiteiten gediagnosticeerd kunnen worden maar die naar mening van rapporteur beter als onderdeel van de hersenbeschadiging gezien kunnen worden”</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij diens forensisch psychiatrische beschouwing concludeert de deskundige (p. 21):</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Het huidig psychiatrisch onderzoek heeft als conclusie dat bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van hersenbeschadigingen na een hersentrauma en gecompliceerd ziekbed in de vorm van neurocognitieve stoornissen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(executieve functiestoornissen), met gedragsstoornissen als een persoonlijkheidsverandering en een neiging tot paranoïde, waardoor betrokkene niet in staat is op dit moment zijn belangen behoorlijk te behartigen noch, gelet op de zeer geringe mogelijkheden tot enig beïnvloeden van die ziekelijke stoornis, daartoe in de toekomst in staat zal zijn”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het rapport van drs. A. Preesman is onder meer het volgende opgenomen (p. 19):</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Volgens ondergetekende zijn er voldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van restklachten na hersenletsel. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Deze restklachten bestaan onder andere uit cognitieve</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">stoornissen op het gebied van het geheugen en de executieve functies en een gestoord ziekte-inzicht” </emphasis>
        </para>
        <para>en (p. 22): </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Ja, er is sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een uitgebreide neurocognitieve stoornis, met gedragsstoornissen, ten gevolge van niet-aangeboren (traumatisch) hersenletsel. Dit maakt (…) dat onderzochte momenteel vanuit gedragskundig oogpunt bezien niet meer in staat is om zijn belangen in deze zaak op een adequate manier te behartigen.”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- <emphasis role="underline">Aanvullende rapportages</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende rapportage d.d. 14 december 2018 is door drs. Th.J.G. Bakkum het navolgende opgenomen (p.3):</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Ondergetekende heeft in de eerdere rapportage tot uitdrukking willen brengen dat betrokkene nog wel enig besef heeft waar het om gaat, iets strafrechtelijks, iets wat hij eerder ooit gedaan geeft wat niet mocht (zoals hij dat zo vaak gedaan heeft) maar dat hij het niet in volle omvang en in alle details kan begrijpen. Hij grijnst wat, er is een enkel, kort herinneringsbeeld, maar tot een logisch verhaal is hij niet meer in staat. Naar mening van rapporteur is “enig besef bij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">betrokkene van fout geweest zijn” niet gelijk te stellen met “begrijpen van de strekking van de tegen hem in gestelde rechtsvervolging”.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met het eerdere onderzoek als beschreven in de rapportage d.d. 2 oktober 2018 en de bovenbeschreven aanvullingen in samenhang overwegend komt ondergetekende tot de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie dat betrokkende aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde rechtsvervolging te begrijpen, zoals bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende rapportage d.d. 12 december 2018 is door drs. A. Preesman onder meer het navolgende opgenomen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Tijdens de ziekenhuisopnames werden een verminderd ziekte-inzicht en ernstige cognitieve beperkingen (inclusief verwardheid) waargenomen en werden op hersenscans duidelijke letsels zichtbaar die daarbij kunnen passen (p. 18).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bovendien bleken uit het neuropsychologisch onderzoek aldaar geheugenstoornissen, mentale inflexibiliteit en (mentale) traagheid. Mentale inflexibiliteit valt onder de zogeheten executieve functies. Dit zijn de hogere cognitieve processen die nodig zijn voor doelgericht, efficiënt en sociaal aangepast gedrag (p. 18).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met de beantwoording van de eerdere vraag was het antwoord op de huidige, aanvullende vraagstelling eigenlijk ook al gegeven: onderzochte is niet meer in staat zijn belangen te behartigen, omdat hij aan een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging niet meer begrijpt (p. 20).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderzochte beseft op een basaal niveau dat de rechtbank (in casu het hof) een oordeel gaat vellen, maar waar het precies over gaat en hoe een dergelijke procedure in zijn werk gaat, begrijpt hij niet meer (p. 21).  </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kortom, dat hij gedurende de hoger beroepsprocedure in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mentaal opzicht veranderd is en dat onderhavig psychologisch onderzoek daarmee verband houdt, laat staan hoe dat verband er precies uitziet, ontgaat hem volledig. Bovendien geldt doorgaans dat hoe nieuwer en complexer een activiteit of situatie is, des te sterker er een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beroep op de executieve functies wordt gedaan. Als de activiteit of situatie routinematiger en minder complex is, hoeven de executieve functies minder te worden ingeschakeld. Dit verklaart waarom onderzochte bijvoorbeeld nog wel in staat is om (lange) autoritten te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">maken; dat is immers een activiteit die hij als voormalig (vrachtwagen)chauffeur in zowel binnen- als buitenland vrijwel op de automatische piloot kan uitvoeren.</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_af669590-6c28-42ab-ac2e-d23cd4d11a66" />
          <emphasis role="italic"> Hetzelfde geldt voor de huishoudelijke taken die hij nog weet te verrichten: dit betreft taken die hij routinematig kan uitvoeren. Dit wekt de schijn van zelfredzaamheid, maar zodra het aankomt op complexere activiteiten en situaties die meer initiatiefname en plannings- en organisatievermogen vergen, blijkt onderzochte zoals reeds opgemerkt beperkt in zijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">functioneren en is hij grotendeels afhankelijk van zijn dochter (p. 21). </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Om 1) de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en 2) op basis van dat begrip zijn belangen in een dergelijke procedure adequaat te kunnen behartigen zijn met name de executieve functies van groot belang en volstaat het niet om hoofdzakelijk routinematig te kunnen functioneren (p. 21).</emphasis>
        </para>
        <para>…</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ondergetekende concludeert daarom conform haar eerdere rapportage: ja, er is sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een uitgebreide neurocognitieve stoornis, met gedragsstoornissen, ten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gevolge van niet-aangeboren (traumatisch) hersenletsel. Dit maakt (…) dat onderzochte sinds het ontstaan van deze</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">stoornis na de strafbare feiten vanuit gedragsdeskundig oogpunt bezien niet meer in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Prognostisch gezien kan onderzochte wellicht nog enigszins verder herstellen (of iets beter leren</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">omgaan met zijn beperkingen), maar het ligt niet in de lijn der verwachting dat hij volledig van deze neurocognitieve stoornis zal herstellen</emphasis>” <emphasis role="italic">(p. 22)</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- <emphasis role="underline">Verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting van 8 juli 2019</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op vragen van het hof heeft drs. Th.J.G. Bakkum het navolgende als toelichting op zijn rapport medegedeeld </para>
        <para>– zakelijk weergegeven -:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op uw vraag wat de verdachte kan begrijpen van deze strafzaak antwoord ik dat hij waarschijnlijk wel enig besef heeft dat er wat speelt, maar het begrijpen kan hij niet meer. Hij weet dat hij gedetineerd heeft gezeten. Hij is echter niet in staat om dat aan een bepaald feit te koppelen. Het lukt niet om met hem in gesprek te raken over de feiten waarvan hij verdacht wordt. Ik kan me niet voorstellen dat een advocaat in staat is het dossier met hem te bespreken. Het is niet waarschijnlijk dat de executieve functies nu nog zullen verbeteren, dan wel herstellen. De verdachte functioneert wellicht op het niveau van personen met een licht verstandelijk beperking, maar hij is daar zeker niet aan gelijk te stellen. Het hersenletsel maakt dat de verdachte op taken uitvalt. Mensen met een licht verstandelijke beperking hebben bijvoorbeeld meer besef van hun handicap. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdachte heeft geen enkel besef van zijn ziektebeeld.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op vragen van het hof heeft drs. A. Preesman het navolgende als toelichting op haar rapport medegedeeld </para>
      </parablock>
      <para>- zakelijk weergegeven -:</para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het zal onmogelijk zijn om het dossier met de verdachte nog te bespreken. Het geheugen is aangetast. Hij herinnert zich nog wel dingen, maar geen details en ook niet in de juiste chronologische volgorde. Aangezien het ongeval langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden en gezien de gevorderde leeftijd van de verdachte valt herstel niet meer te verwachten. Het is niet zo dat, omdat verdachte op een niveau van een persoon met een licht verstandelijke beperking functioneert, hij de strekking van zijn vervolging niet meer begrijpt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De crux zit bij de verdachte bij de stoornis in de executieve functies. Daardoor kan hij een en ander niet meer begrijpen. De meerderheid van de personen die een licht verstandelijke beperking heeft, heeft deze stoornis niet.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>III. Oordeel hof</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof komt met inachtneming van de hiervoor weergegeven beschouwingen en conclusies van de deskundigen, alsmede met ’s hofs eigen waarneming ter terechtzitting, tot het oordeel dat de verdachte in de loop van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep – maar voorafgaand aan de daadwerkelijk inhoudelijke behandeling - als gevolg van opgelopen hersenletsel is komen te lijden aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat die stoornis zodanig ernstig is dat de verdachte ook niet met compenserende procedurele maatregelen als bedoeld in de artikelen 509 a-d Sv effectief kan participeren in de strafprocedure. Het hof acht de verdachte procesonbekwaam, zodat hij niet in staat moet worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er is daarom sprake van een geval zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, Sv. </para>
        <para>Dit brengt in beginsel mee dat de vervolging van de verdachte dient te worden geschorst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het bepaalde in artikel 16, tweede lid, Sv gaat de wetgever er evenwel vanuit dat de vervolging weer wordt hervat, zodra van het herstel van de verdachte is gebleken. Dit betekent formeel gezien dat de zaak alsnog op enig moment moet kunnen worden hervat. De kans op </para>
        <para>herstel van verdachte - in die zin dat hij op enig moment wel weer de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging zal kunnen begrijpen – is naar mening van de deskundigen in het onderhavige geval verwaarloosbaar klein. </para>
        <para>Dat brengt mee dat de verdachte nu noch in de toekomst op enigerlei wijze effectief kan participeren in de strafprocedure zoals voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wet geeft geen eenduidige aanknopingspunten hoe gehandeld moet worden in een dergelijk geval. </para>
        <para>Het verzoek tot beëindiging van de zaak als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering, zoals door de raadsman gedaan ter terechtzitting van 8 juli 2019, lijkt in mindere mate voor deze situatie bedoeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof zal daarom – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel, </para>
      <para>mr. T.B. Trotman en mr. L.C. van Walree, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_af669590-6c28-42ab-ac2e-d23cd4d11a66" label="1">
    <para> Ter zitting is gebleken dat de verdachte inmiddels zijn rijbewijs kwijt is en dus niet meer mag rijden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>