<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:1958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:44:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.246.952/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2019-0172</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2019-0191</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2019/235</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1958">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-19T12:05:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:1958 Gerechtshof Den Haag , 12-06-2019 / 200.246.952/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:1958:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 1:441 lid 2 sub a BW. Machtiging tot het doen van een schenking. Geen bijzondere omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:1958:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold"> GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 12 juni 2019 </para>
      <para>Zaaknummer	: 200.246.952/01</para>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: 6932374 VZ VERZ 18-11564</para>
      <para>Registernummer rechtbank: BM 12641</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] ,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de bewindvoerder,</para>
      <para>in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van </para>
      <para>
        [de rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] [in] 1931, wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de rechthebbende,</para>
      <para>advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewindvoerder is op 27 september 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 juni 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, hierna: de bestreden beschikking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op 8 mei 2019 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting was aanwezig:</para>
      <para>- de bewindvoerder, bijgestaan door haar advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechthebbende is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder, strekkende tot het verlenen van een machtiging om een schenking te mogen doen ter grootte van € 50.000,-, te betalen uit het vermogen van de rechthebbende aan [erfgenaam 2] en aan zijn echtgenote [erfgenaam 1] , afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep staan de volgende feiten vast:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bij beschikking van 4 maart 2011 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Middelharnis, is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende. Hierbij heeft de kantonrechter [de bewindvoerder] tot bewindvoerder benoemd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bij beschikking van 14 december 2017 van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot het verlenen van een machtiging tot verkoop van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] , mede behorende tot het vermogen van de rechthebbende, toegewezen. De kantonrechter heeft de verzochte machtiging verleend;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bij beschikking van 12 maart 2018 van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot het verlenen van een machtiging tot levering van de genoemde woning van de rechthebbende,  toegewezen tegen een verkoopsom van € 188.000. De kantonrechter heeft de verzochte machtiging verleend.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <para>1. In geschil is de machtiging tot schenking in het kader van meerderjarigenbewind. </para>
    <para />
    <para>2. De bewindvoerder heeft haar verzoek in hoger beroep vermeerderd, in die zin dat zij thans verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar te machtigen tot het doen van een schenking van € 187.633,07 aan [erfgenaam 2] en [erfgenaam 1] , al dan niet onder nader door het hof te stellen voorwaarden, althans zodanig te beslissen als het hof vermeent te behoren.</para>
    <para />
    <para>3. Het hof volgt de bewindvoerder in haar stelling dat de kantonrechter ten onrechte de verzochte machtiging heeft afgewezen omdat de akkoordverklaring van twee van de drie erfgenamen ontbreekt. Op grond van artikel 1:441 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, is voor het beschikken en aangaan van (schenkings)overeenkomsten de toestemming van de rechthebbende vereist of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, een machtiging van de kantonrechter. Gelet hierop merkt het hof, zoals ter zitting reeds is meegedeeld, de erfgenamen niet als belanghebbenden aan in de onderhavige procedure. </para>
    <para />
    <para>4. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:441 lid 2 sub a BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is, machtiging van de kantonrechter voor een aantal beschikkingshandelingen over het onder bewind gestelde vermogen van de rechthebbende, zoals de onderhavige voorgenomen schenking. Uit de “Aanbevelingen Meerderjarigenbewind” van het LOVCK volgt dat een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, wordt afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan daarvan worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Voorts wordt een schenking in beginsel niet toegestaan als het liquide vermogen van de rechthebbende als gevolg van die schenking minder dan € 30.000,- komt te bedragen.</para>
    <para />
    <para>5. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de rechthebbende bij testament van 26 juni 1992 haar woning aan de [adres] in [plaats] , na haar overlijden heeft gelegateerd aan [erfgenaam 1] (dochter van de zus van de rechthebbende) en haar echtgenoot [erfgenaam 2] , ouders van de bewindvoerder. Voorts zijn vier kinderen van de zus van de rechthebbende (waaronder genoemde [erfgenaam 1] ) tot erfgenaam benoemd. Bij testament van 6 september 2007 heeft de rechthebbende één van die kinderen onterfd. Vaststaat dat de rechthebbende vanwege haar gezondheid niet in haar woning kon blijven wonen. De bewindvoerder heeft met machtiging van de kantonrechter voormelde woning verkocht en geleverd. Op de bankrekening van de rechthebbende is - als gevolg van de verkoop - een bedrag van € 187.633,07 ontvangen. Nu de woning is verkocht, kan het legaat  bij het openvallen van de nalatenschap van de rechthebbende niet meer worden uitgevoerd. De rechthebbende kan haar wil niet meer bepalen en er is nimmer sprake geweest van een schenkingstraditie. In een dergelijk geval moet dan, om van de hoofdregel af te kunnen wijken, sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Het hof passeert de door de bewindvoerder gestelde bijzondere omstandigheid dat de rechthebbende er nimmer rekening mee heeft gehouden dat zij niet in haar huis kon blijven wonen en dat zij zeker weet dat het de wens van de rechthebbende was dat de volledige opbrengst van de woning naar haar ouders gaat. Deze omstandigheden– wat daar ook van zij – zijn onvoldoende om rechtens een bijzondere omstandigheid te kunnen aannemen. De grieven treffen derhalve geen doel. Het hiervoor overwogene geldt ook voor de eerst ter zitting in hoger beroep -subsidiair- verzochte machtiging om een akte schenking ter zake des doods te doen passeren namens de rechthebbende. </para>
    <para />
    <para>6. Voor zover nog van belang, de verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:1654) doet aan het vorenstaande niet af, omdat in die procedure als bijzondere omstandigheid is aangemerkt dat de rechthebbende de wil tot het doen van een schenking reeds had geuit op het moment dat zij nog helder was. Dat is in de onderhavige procedure niet het geval. Dat de rechthebbende na uitvoering van de beoogde schenking nog voldoende vermogen zou hebben voor haar noodzakelijke uitgaven doet evenmin af aan het vorenstaande. Het hof acht het in haar belang dat het huidige verzorgingsniveau zo veel mogelijk wordt gewaarborgd en haar vermogen niet substantieel afneemt door het doen van een onverplichte schenking. In die zin staat naar het oordeel van het hof niet vast dat de beoogde schenking de belangen van de rechthebbende niet zal schaden. </para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.   </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING OP HET HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de bestreden beschikking; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, O.I.M. Ydema en J. Calkoen-Nauta, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>