<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2019:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-11T09:17:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-003277-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1863">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-11T09:17:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2019:1863 Gerechtshof Den Haag , 14-05-2019 / 22-003277-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2019:1863:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak schennis van de eerbaarheid (art. 239 Sr). De handelingen die de verdachte volgens de tenlastelegging zou hebben verricht kunnen niet worden bewezen. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat ten laste is gelegd dat de schennis zou hebben plaatsgevonden “op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in een trein”, terwijl een trein gelet op de wetsgeschiedenis niet als een dergelijke (openbare) plaats kan worden beschouwd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2019:1863:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-003277-17 </para>
  <para>Parketnummers:	10-132043-15 en 09-231131-10 (TUL)</para>
  <para>Datum uitspraak:	14 juni 2019</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortejaar] 1976, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis, alsmede – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 weken te geven – een taakstraf voor de duur van 84 uren, subsidiair 42 dagen hechtenis, zal gelasten.</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Voorts is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging beslist zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 5 juli 2015 te Gouda en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in een trein, immers heeft verdachte (telkens) in directe aanwezigheid van ( (een) minderjarig(e) ) perso(o)n(en) en/of terwijl die perso(o)n(en) direct zicht hadden op hem, </para>
    </parablock>
    <para>- zijn broek opengemaakt, waardoor zijn geslachtsdeel te zien was en/of </para>
    <para>- zijn (korte) broek omhoog getrokken, waardoor zijn geslachtsdeel te zien was.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, gezien de processtukken en gelet op het onderzoek ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte – zoals ten laste gelegd – zijn broek open heeft gemaakt en/of zijn (korte) broek omhoog heeft getrokken. Reeds daarom dient de verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede overweegt het hof nog dat ten laste is gelegd dat de schennis zou hebben plaatsgevonden “op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in een trein”, terwijl een trein niet als een dergelijke (openbare) plaats kan worden beschouwd. Zie daarvoor de in HR 11 juni 1991, NJ 1991/810 geciteerde wetsgeschiedenis, onder meer inhoudende: </para>
      <para>“Er zijn toch vele plaatsen, die niet als openbare kunnen worden beschouwd, en waar nogtans een groot aantal personen bijeen zijn, die door geenerlei familiebanden zijn vereenigd, bijv. ziekenhuizen, kazernen, gevangenissen, spoorwegrijtuigen enz.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in verband hiermee zou het hof in de onderhavige zaak niet tot een veroordeling zijn gekomen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering tot tenuitvoerlegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2014, gewezen in de zaak met parketnummer 09-231131-10, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, zal de daarop betrekking hebbende vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en <emphasis role="bold">spreekt de verdachte</emphasis> daarvan <emphasis role="bold">vrij</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wijst af</emphasis> de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2014 onder parketnummer 09-231131-10 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, </para>
      <para>mr. H.M.D. de Jong en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 juni 2019.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>