<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-26T16:18:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHDHA:2018:764</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-003617-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:996">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:996</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-26T13:54:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:996 Gerechtshof Den Haag , 29-03-2018 / 22-003617-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:996:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De raadsvrouw was niet bekend met de zitting. Op de voet van het bepaalde in artikel 423 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering zal het vonnis waarvan beroep moeten worden vernietigd en de zaak terug worden verwezen naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:996:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer:		22-003617-17 </para>
  <para>Parketnummers:	10-080789-14 en 10-166892-15 </para>
  <para>Datum uitspraak:	29 maart 2018</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1981, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vernietiging van het vonnis waarvan beroep en terugwijzing van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat in eerste aanleg de raadsvrouw van de verdachte, mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam, ten onrechte niet (op de bij de wet voorgeschreven wijze) is opgeroepen voor de terechtzitting van 17 maart 2017, op welke zitting de zaak tegen de verdachte bij verstek is afgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2018 door overlegging van e-mail-correspondentie tussen haar en de strafsector van de rechtbank Rotterdam en van een screenprint uit het “Advocatenportaal – Mijn Strafdossier” betrekking hebbend op deze zaak, aangetoond, dat zij per e-mail d.d. 21 maart 2017 de rechtbank Rotterdam heeft verzocht om de oproeping voor de zitting van 17 maart 2017 met betrekking tot onderhavige zaak, aangezien zij deze niet had ontvangen en dat aan haar pas op 22 maart 2017 het digitale dossier is verstrekt, waarvan deel uitmaakte de oproeping voor de zitting van 17 maart 2017. Deze oproeping – die zich wel in het schriftelijke dossier van het hof bevindt en gedateerd is 27 januari 2017 – is volgens de raadsvrouw niet schriftelijk aan haar verzonden, aangezien het dossier alleen digitaal aan haar is verstrekt. Volgens de raadsvrouw is de oproep voor die zitting wel rechtsgeldig aan de verdachte betekend, maar was hij niet op de hoogte van die zitting en heeft hij haar daarover dus ook niet kunnen informeren.    </para>
      <para>Er is geen omstandigheid komen vast te staan waaruit voortvloeit dat deze zitting de raadsvrouw tevoren (anderszins) bekend was. </para>
      <para>De raadsvrouw van een verdachte moet worden aangemerkt als een persoon die een kernrol vervult bij het onderzoek ter terechtzitting als bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad (waaronder HR 7 mei 1996,ECLI:NL:HR:1996: ZD0442,NJ 1996/557). Uit deze rechtspraak volgt dat in de gegeven omstandigheden de politierechter ter terechtzitting van 17 maart 2017 niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen en dat op de voet van het bepaalde in artikel 423 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het vonnis waarvan beroep zal moeten worden vernietigd. Tevens zal de zaak, nu daarom expliciet door de raadsvrouw is verzocht, worden teruggewezen naar de rechter die het vonnis waarvan beroep heeft gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.</para>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 maart 2018.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>