<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:3400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-18T10:01:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.209.614/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2020:165" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:165</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:3400">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:3400</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-30T14:14:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:3400 Gerechtshof Den Haag , 18-12-2018 / 200.209.614/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:3400:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verbintenissenrecht; pinpasfraude?; eisvermeerdering in hoger beroep; gelegenheid voor uitlaten eisvermeerdering en uitlaten over de vermeerderde eis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:3400:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG </title>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.209.614/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: 4754511 / CV EXPL 16-2507 </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>arrest van 18 december 2018</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [appellant]
    </title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>advocaat: mr. G.A. Soebhag te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>ING Bank N.V.</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: ING,</para>
      <para>advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van het geding tot 18 april 2017 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij memorie van grieven (met één productie) heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord tevens houdende akte vermeerdering van eis (met één productie) heeft ING de grieven bestreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <para>1. De door de rechtbank in het vonnis van 11 november 2016 gestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.</para>
    <para />
    <para>2. Het gaat in deze zaak om het volgende. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op 26 augustus 2013 zijn bij ING twee bankpassen aangevraagd voor de bankrekening met IBAN [rekeningnummer] van Kriger Beheer B.V. (hierna: Kriger). Deze bankpassen zijn aangevraagd op naam van [bestuurder Kriger] – (feitelijk) bestuurder van Kriger – en [appellant]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De bankpas op naam van [appellant] (hierna: de bankpas) en het afhaalbericht van 30 augustus 2013 waarmee de pincode kon worden opgehaald, zijn aan het adres van Kriger verzonden maar nooit door Kriger ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 5 september 2013 heeft een persoon die zich heeft gelegitimeerd met het paspoort van [appellant], de pincode afgehaald op het kantoor van ING aan de A.J. Ernststraat te Amsterdam. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Met de bankpas is in totaal € 16.400,00 opgenomen op de volgende momenten (hierna: de geldopnames): </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>op 5 september 2013 is om 13.28 uur een bedrag van € 5.400,00 opgenomen aan de balie van het ING-kantoor aan het Bezaanjachtplein in Amsterdam; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op 5 september 2013 is om 14.39 uur een bedrag van € 1.000,00 opgenomen bij een geldautomaat in Amsterdam; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op 6 september 2013 is om 09.21 uur een bedrag van € 9.000,00 opgenomen aan de balie van het ING-kantoor aan het Bezaanjachtplein in Amsterdam; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op 6 september 2013 is om 13.21 uur een bedrag van € 1.000,00 opgenomen bij een geldautomaat in Amsterdam. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De heer [naam] heeft op 6 september 2013 namens Kriger aangifte gedaan van fraude met de bankrekening van Kriger. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>ING heeft Kriger schadeloos gesteld door een bedrag van € 16.400,00 te storten op haar bankrekening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>ING heeft [appellant] op 17 september 2014 en 1 oktober 2014 gesommeerd om een bedrag van € 16.400,00 aan haar te betalen. Aan die sommatie heeft [appellant] geen gehoor gegeven. ING heeft de door haar gestelde vordering vervolgens voor een deel verrekend met het openstaande saldo op de bankrekening van [appellant] (€ 453,54). </para>
      <para />
      <para>3. ING heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven en voor zover thans nog van belang – gevorderd dat de kantonrechter [appellant] veroordeelt tot betaling van € 12.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd (primair) dat [appellant] zich ten koste van Kriger ongerechtvaardigd heeft verrijkt door zonder toestemming geld van de rekening van Kriger op te nemen, dan wel (subsidiair) dat [appellant] betalingen heeft ontvangen zonder rechtsgrond, zodat sprake is van onverschuldigde betaling, dan wel (meer subsidiair) dat [appellant] onrechtmatig jegens ING heeft gehandeld door op frauduleuze wijze een machtiging van de bankrekening te verkrijgen en vervolgens geldbedragen van de rekening op te nemen. </para>
      <para />
      <para>4. [appellant] heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie gevorderd dat ING wordt veroordeeld tot terugbetaling van het door ING verrekende bedrag van € 453,54 met wettelijke rente. </para>
      <para />
      <para>5. De kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en die in reconventie afgewezen. Zij is ervan uitgegaan dat het paspoort van [appellant] ten tijde van de geldopnames in het bezit van [appellant] was en heeft voorts, samengevat, als volgt overwogen. ING heeft haar stelling dat de persoon die zich met dit paspoort heeft gelegitimeerd bij het ophalen van de pincode en bij de geldopnames aan de balie van ING, ook daadwerkelijk [appellant] was, toereikend gemotiveerd, waartegenover [appellant] niet kon volstaan met de enkele blote betwisting dat zijn handtekening bij het ophalen van de pincode is gezet op het afhaalbericht en op een daartoe bestemd formulier, terwijl hij ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan. Op grond hiervan gaat de kantonrechter ervan uit dat [appellant] zelf de pincode heeft opgehaald en vervolgens de genoemde geldbedragen heeft opgenomen van de bankrekening van Kriger, waardoor [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt. </para>
      <para />
      <para>6. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van ING in conventie en toewijzing van zijn vordering in reconventie, met veroordeling van ING in de kosten van beide instanties. ING bestrijdt de grieven en heeft daarnaast haar eis aldus vermeerderd, dat zij betaling vordert van € 16.400,00, te vermeerderen met wettelijke rente, een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 934,16 en de proceskosten van beide instanties en nakosten. </para>
      <para />
      <para>7. [appellant] heeft zich over de eisvermeerdering nog niet uitgelaten. Hem zal gelegenheid worden geboden om zich bij akte uit te laten over de vermeerdering van eis en over de vermeerderde eis als zodanig. Vervolgens zal het hof verder beslissen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak naar de rol van 15 januari 2019 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] om zich uit te laten als hiervoor onder 7 bedoeld; </para>
    <para />
    <para>- houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, R.S. van Coevorden en B.A. Sturm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>