<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:3356</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-06T13:09:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-000260-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:3356">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:3356</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-06T13:08:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:3356 Gerechtshof Den Haag , 21-11-2018 / 22-000260-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:3356:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Smaadschrift. De verdachte heeft op de facebookpagina van het AD Haagsche Courant gereageerd op een krantenartikel en in die reactie beschuldigingen geuit. Het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk ten aanzien van een deel van de uitlatingen, aangezien niet is voldaan aan het klachtvereiste (art. 269 Sr). Het hof spreekt de verdachte vrij met betrekking tot de overige uitlatingen, aangezien die geen duidelijk te onderkennen concrete gedraging(en) aanwijzen en er derhalve geen sprake is van ‘tenlastelegging van een bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:3356:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">										PROMIS</emphasis>
  </para>
  <para>Rolnummer:		22-000260-18 </para>
  <para>Parketnummer:		09-118212-17 </para>
  <para>Datum uitspraak:	21 november 2018</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij strafbeschikking d.d. 6 juli 2017 is aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde een geldboete opgelegd van € 275,-. Op 10 juli 2017 is namens de verdachte tegen deze strafbeschikking verzet ingesteld. De politierechter heeft de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 275,-, subsidiair 5 dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 24 mei 2018 van dit hof is bevolen dat de zaak op de voet van artikel 412 van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zij, op of omstreeks 10 juni 2017 te 's-Gravenhage, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op de facebookpagina van het AD Haagsche Courant, onder een interview waar [aangever] met naam en toenaam wordt genoemd en/of waarbij één of meer foto's van die [aangever] zijn geplaatst, een bericht te plaatsen met de inhoud (onder andere): </para>
      <para>"Je zou bijna denken dat het een onwijs aardige man is. Maar niks is minder waar. Deze man heeft mijn nichtje een klap gegeven. En zit graag aan meisjes. Walgelijke vent. Paarden zijn te mager en worden opgejaagd in de bak" en/of "En de vrouw van deze man vind het leuk om kinderen te filmen als ze aan het plassen zijn. Hoop dat de stal snel gesloten wordt en dat de paardjes naar een beter onderkomen gaan".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 350,- subsidiair 7 dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en voorts omdat het hof zich hiermee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van ‘ontvangst klacht door hulpofficier van justitie’ blijkt dat de aangever uitdrukkelijk heeft verzocht om tot vervolging van de verdachte over te gaan wegens smaad c.q. laster, waarbij is verwezen naar het proces-verbaal van aangifte. Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de aangever heeft verklaard dat de verdachte opzettelijk zijn eer en goede naam heeft aangerand door via Facebook te vertellen dat hij graag aan meisjes zit. Voorts volgt uit de aangifte dat de verdachte de aangever openlijk beschuldigt van pedofilie en van het slecht behandelen van de paarden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De klacht ziet naar het oordeel van het hof derhalve niet op de in de tenlastelegging genoemde uitlatingen “Deze man heeft mijn nichtje een klap gegeven” en “En de vrouw van deze man vind het leuk om kinderen te filmen als ze aan het plassen zijn.” Nu een klacht hieromtrent ontbreekt en dit op grond van artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht wel is vereist, terwijl het hof ter zitting ook overigens niet is gebleken dat de aangever onmiskenbaar de bedoeling had dat de verdachte óók ter zake van deze uitlatingen vervolgd zou worden, zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van deze uitlatingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof leidt uit het bovenstaande af dat de klacht van de aangever wel is gericht op de in de tenlastelegging genoemde uitlatingen “Je zou bijna denken dat het een onwijs aardige man is. Maar niks is minder waar.  (…) En zit graag aan meisjes. Walgelijke vent. Paarden zijn te mager en worden opgejaagd in de bak” en “Hoop dat de stal snel gesloten wordt en dat de paardjes naar een beter onderkomen gaan.” </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld moet worden dat sprake is van telastlegging van een "bepaald feit" als bedoeld in art. 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging (HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is – met de verdediging - van oordeel dat de aan de orde zijnde uitlatingen geen duidelijk te onderkennen concrete gedraging(en) aanwijzen en er derhalve geen sprake is van ‘tenlastelegging van een bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. Van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is het hof niet gebleken.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof is gelet op het bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking</emphasis> d.d. 6 juli 2017 onder CJIB nummer 2132 5420 0298 2636.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk</emphasis> in de vervolging ten aanzien van de onderdelen zoals hierboven vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verklaart niet bewezen</emphasis> dat de verdachte het ten aanzien van de overige onderdelen zoals hierboven vermeld ten laste gelegde heeft begaan en <emphasis role="bold">spreekt de verdachte</emphasis> daarvan <emphasis role="bold">vrij</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, </para>
      <para>mr. B.P. de Boer en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. W.M. Limborgh en mr. M.M. Dijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>