<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:2680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-12T16:31:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.218.212/02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_goederenrecht">Civiel recht; Goederenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2680">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-12T16:27:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:2680 Gerechtshof Den Haag , 25-09-2018 / 200.218.212/02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:2680:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Einde affectieve relatie. Vordering tot afgifte van goederen, waaronder hengelsportartikelen. Juridisch kader uiteengezet. Stelplicht en bewijslast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:2680:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG </bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 200.218.212/02<?linebreak?>Rolnummer rechtbank: 5454108 RL EXPL 16-28937 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 25 september 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [de man] ,</para>
      <para>advocaat: mr. C. Car te Den Haag, 			</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [de vrouw] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag.				</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [de man] is op 19 juni 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van </para>
        <para>de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 (hierna: het bestreden vonnis). </para>
        <para>Op 5 september 2017 heeft [de man] een memorie van grieven ingediend. Op 14 november 2017 heeft [de vrouw] een memorie van antwoord ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op verzoek van [de man] heeft het hof pleidooi bepaald, dat is gehouden op 27 juni 2018. Verschenen zijn [de man] met zijn advocaat en de advocaat van [de vrouw] . De advocaat van [de man] heeft pleitnotities overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. </para>
        <para>Het hof beslist in overleg met de advocaten op het procesdossier dat is gedeponeerd voor het pleidooi, onder aanvulling van genoemde pleitnotities en proces-verbaal. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de in rechtsoverweging 1 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Het hof zal dan ook van deze feiten uitgaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [de man] vordert in eerste aanleg veroordeling van [de vrouw] tot afgifte aan hem van de in zijn brief van 8 maart 2017 omschreven goederen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [de man] deels toegewezen. De vordering is afgewezen voor zover deze ziet op de door [de man] genoemde (samengevat en gecategoriseerd):</para>
      <para>- hengelsportartikelen;</para>
      <para>- gewone kleding, cd’s en dvd’s en oude papieren administratie;</para>
      <para>- videorecorder, porseleinen beelden olifant en panter, ring in ladekast van televisiemeubel;</para>
      <para>- Bang &amp; Olufsen televisie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [de man] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn inleidende vordering alsnog geheel toewijst, met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten van beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [de vrouw] concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, met veroordeling van [de man] in de kosten van beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In de kern gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hadden vanaf oktober 2012 tot half december 2013 een affectieve relatie. [de man] heeft diverse goederen overgebracht vanuit zijn woning naar die van [de vrouw] , waar hij vaak verbleef. [de man] wil dat [de vrouw] deze goederen aan hem afgeeft. Hij heeft al goederen van [de vrouw] ontvangen, maar volgens [de man] bezit [de vrouw] nog meer van zijn goederen, hetgeen [de vrouw] betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het hof zal eerst kort stilstaan bij het beoordelingskader. Een eigenaar van een zaak is bevoegd deze van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Voor toewijzing van de vordering van [de man] is dus vereist dat komt vast te staan dat [de man] eigenaar is van de goederen in kwestie én dat [de vrouw] deze (zonder recht) onder zich heeft. Het is aan [de man] om dit alles gemotiveerd te stellen. Bij een gemotiveerde betwisting dient [de man] zijn stellingen voldoende gemotiveerd te handhaven. Dat betekent dat [de man] moet ingaan op het gemotiveerde verweer en zijn stellingen nader moet onderbouwen en /of preciseren. Als [de man] dat doet, komt het hof toe aan de vraag of [de man] zijn stellingen mag bewijzen. Als [de man] dat verzuimt, voldoet hij niet aan zijn (nadere) stelplicht en komt hetgeen hij stelt niet vast te staan. Aan bewijslevering wordt dan niet toegekomen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hengelsportartikelen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de vrouw] de in voornoemde brief van 8 maart 2017 opgesomde hengelsportartikelen onder zich heeft. Alleen dan is zij immers tot afgifte in staat en kan zij daartoe veroordeeld worden. [de man] stelt dat dit zo is, hetgeen [de vrouw] betwist. [de vrouw] voert daartoe in eerste aanleg vooreerst aan dat [de man] ook hengelsportartikelen heeft teruggevorderd van een andere ex, mevrouw [naam ex] . Ter onderbouwing daarvan wijst [de vrouw] op een e-mail van [de man] aan zijn advocaat van </para>
        <para>14 augustus 2013. Deze e-mail bevat “<emphasis role="italic">gedachten over de weerlegging van mevr. [naam ex] en advocaat</emphasis>” van [de man] . In de e-mail staat onder meer: “<emphasis role="italic">vistoel, slaapzak, en het vispak behoren mijn ook toe bij het pak hoort een jas die is wel in mijn bezit. Van de meesten dingen zijn er twee gekocht voor ieder een. Ook hier ontbreken dingen zoals hengel, piepers delkin, regen parasol, windscherm, witvis spullen en een rugzak vol haakjes, lood en bij behorende karper spullen</emphasis>” en “<emphasis role="italic">er zijn zo als ik eerder heb gezegd gezamenlijk vis spullen gekocht, alleen wenst Mevr. [naam ex] niks aan mijn terug te geven</emphasis> (…)”. [de vrouw] benadrukt dat deze </para>
        <para>e-mail slechts vier maanden vóór verbreking van haar relatie met [de man] is geschreven. [de vrouw] concludeert dat [de man] hengelsportartikelen van haar terugvordert, die kennelijk nog bij [naam ex] liggen. [de vrouw] handhaaft dit verweer uitdrukkelijk in hoger beroep. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt omtrent de hengelsportartikelen. Het lag op de weg van [de man] om in te gaan op dit gemotiveerde en onderbouwde verweer, door (in ieder geval) helderheid te geven over de (uitkomst van de) procedure tegen [naam ex] en uit te leggen hoe zijn vordering jegens [naam ex] zich verhoudt tot de onderhavige vordering. Dit heeft [de man] in eerste aanleg en in hoger beroep niet gedaan. Tijdens het pleidooi is namens [de man] slechts – op een vraag van het hof – verklaard dat er een uitspraak van het hof Amsterdam is, waarbij [naam ex] is veroordeeld om goederen aan [de man] terug te geven. Een nadere toelichting hierop ontbreekt echter en evenmin is een afschrift van die uitspraak overgelegd. Het hof is dan ook van oordeel dat [de man] zijn stelling dat [de vrouw] de door hem genoemde hengelsportartikelen onder zich heeft reeds hierom onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. Het hof verwijst verder naar hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gewone kleding, cd’s en dvd’s en oude papieren administratie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>In het bestreden vonnis is dit deel van de vordering afgewezen omdat [de vrouw] betwist dat zij deze goederen onder zich heeft en [de man] de goederen niet concretiseert. Het hof constateert dat [de man] ook in hoger beroep nalaat om de goederen te concretiseren. Dat lag wel op zijn weg omdat zonder specificatie niet duidelijk is op welke kleding, cd’s, dvd’s en administratie dit deel van de vordering en een uit te spreken veroordeling tot afgifte ziet. De memorie van grieven vermeldt dat [de man] ter zitting een opsomming van de kleding zal geven, maar tijdens het pleidooi is ook deze specificatie uitgebleven. [de man] voert in hoger beroep nog aan dat [de vrouw] in haar e-mail van 20 december 2013 niet betwist dat zij de goederen heeft, die [de man] in zijn e-mail van dezelfde datum noemt, en daarmee het bezit van deze goederen erkent. Het hof is het met [de vrouw] eens dat van een dergelijke (impliciete) erkenning geen sprake is. In de betreffende e-mail schrijft [de man] aan [de vrouw] onder meer: “<emphasis role="italic">[een derde] kan morgen een aantal kleinen spullen ophalen (…)</emphasis>” , waarna een opsomming van goederen volgt. In deze opsomming staan onder meer vermeld: “<emphasis role="italic">mijn papieren</emphasis>’ en “<emphasis role="italic">kleding wat er nog ligt</emphasis>”. In antwoord op die e-mail schrijft [de vrouw] aan [de man] : “<emphasis role="italic">Morgen ben ik de hele dag weg, ik zoek eerst alles uit daar heb ik nu geen tijd voor. </emphasis>(…)”. Oftewel, naar het hof begrijpt: [de vrouw] zal uitzoeken welke van de door [de man] genoemde goederen zij heeft. Een erkenning van het onder zich hebben daarvan valt in de e-mail niet te lezen. In de e-mail van [de man] ontbreekt bovendien een specificatie van de door hem genoemde ‘papieren’ en ‘kleding’ alsook de vermelding van de cd’s en dvd’s. Derhalve zal het hof ook in dit opzicht het vonnis bekrachtigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Videorecorder, porseleinen beelden olifant en panter, ring in ladekast </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>In het bestreden vonnis is over deze goederen in de kern overwogen dat [de vrouw] betwist dat zij deze onder zich heeft en dat [de man] geen bewijsaanbod ter zake heeft gedaan. [de man] voert daartegen in hoger beroep slechts een aantal niet gemotiveerde stellingen en gissingen aan. Het hof gaat daaraan voorbij. Het hof oordeelt ook deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Ook in hoger beroep doet [de man] geen bewijsaanbod ter zake dat aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Voor het ambtshalve opdragen van bewijs ziet het hof geen aanleiding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bang &amp; Olufsen televisie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat in het bestreden vonnis terecht en op juiste gronden is geoordeeld dat ook de vordering betreffende deze televisie niet toewijsbaar is. Het hof verenigt zich met de motivering van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.13. van het bestreden vonnis, waarin is ingegaan op alle relevante stellingen van [de man] in dit verband. [de man] voert in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aan die tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook hier ontbreekt een bewijsaanbod ter zake in hoger beroep en bestaat voor het ambtshalve opdragen van bewijs geen aanleiding.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het voorgaande volgt dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat [de vrouw] de hiervoor onder 3.1. opgesomde goederen onder zich heeft. Dit brengt mee dat zij ook niet tot afgifte in staat moet worden geacht. Het hoger beroep van [de man] tegen de afwijzing van de vordering tot afgifte van deze goederen is dan ook ongegrond. </para>
        <para>Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Partijen zijn ex-partners. Het hof zal daarom bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt (dat wordt genoemd: compensatie van proceskosten). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.H.M. van der Heiden, J.A. van Kempen en P.B. Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>