<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:2171</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-30T11:41:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-08-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.226.550/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2171">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:2171</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-30T11:41:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:2171 Gerechtshof Den Haag , 14-08-2018 / 200.226.550/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:2171:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstekzaak. Overeenkomst van geldlening. Vordering tot terugbetaling geleend bedrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:2171:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG  </bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.226.550/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: C/09/529135 / HA ZA 17-313</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 14 augustus 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante],</para>
      <para>advocaat: mr. E. Sonneveld te Bleiswijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [geïntimeerde sub 1],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>hierna: [geïntimeerde sub 1],</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">2. DBS Belastingadviseurs B.V.,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [woonplaats],</para>
      <para>hierna: DBS,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. [geintimeerde sub 3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>hierna: [geintimeerde sub 3],</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>hierna tezamen te noemen: [geintimeerden],</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- de appeldagvaarding d.d. 13 juli 2017;</para>
    <para>- het tegen geïntimeerden op 31 oktober 2017 verleende verstek;</para>
    <para>- de memorie van grieven, met producties.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij inleidende dagvaarding van 22 februari 2017 heeft [appellante] [geintimeerden] gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en daarbij gevorderd de hoofdelijke veroordeling van [geintimeerden] tot betaling van € 172.750,- met rente vanaf de datum van de dagvaarding en met veroordeling van [geintimeerden] in de proceskosten. Tegen de in eerste aanleg niet verschenen [geintimeerden] is verstek verleend. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] bij vonnis van 19 april 2017 afgewezen. De rechtbank overwoog hiertoe dat de door [geïntimeerde sub 1] aangevoerde gronden, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, het gevorderde niet kunnen dragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Tegen dat vonnis is [appellante] in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van één grief. Ook in hoger beroep is [geintimeerden] niet verschenen en is tegen hen verstek verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De grief strekt ertoe dat het hof de vorderingen zal toewijzen op de daarvoor onder de grief (alsnog) gegeven nader gespecificeerde en met producties onderbouwde gronden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellante] vordert in hoger beroep – de appeldagvaarding en memorie van grieven in samenhang bezien – de hoofdelijke veroordeling van [geintimeerden] tot betaling van </para>
        <para>€ 164.092,-, met de contractuele rente ad 6% vanaf 14 september 2017 en met veroordeling van [geintimeerden] in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens [appellante] zijn haar vorderingen toewijsbaar op de volgende, hierna samengevat weergegeven, gronden. </para>
        <para>
          [geïntimeerde sub 1] en DBS hebben zich jegens [appellante] verbonden tot (terug)betaling van de in 2011 aan [geïntimeerde sub 1] geleende gelden met rente en zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit de overeenkomsten voortvloeiende (terug)betalingsverplichtingen. Op grond van de gesloten overeenkomst(en) is [appellante] gerechtigd jegens [geïntimeerde sub 1], zijn in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenote [geintimeerde sub 3] en DBS de verschuldigde (restant)hoofdsom en rente op te eisen. De desbetreffende vordering bedroeg volgens het in de memorie van grieven opgenomen schema op 13 september 2017 een bedrag van € 164.092,-. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>
        [appellante] heeft haar stellingen onderbouwd met een aantal bij het, bij memorie van grieven overgelegde, beslagverlof horende producties, waaronder:</para>
      <para>- een (niet ondertekend) stuk met de titel ‘overeenkomst van geldlening’ waarin is vermeld dat [appellante] op 24 juni 2011 aan [geïntimeerde sub 1] € 173.000,- ter beschikking stelt uit hoofde van geldlening, deze over de (restant)hoofdsom 6% rente is verschuldigd en (het restant van) de hoofdsom terstond opeisbaar is in geval de schuldenaar de overeenkomst niet nakomt (prod. 1);</para>
      <para>- een uittreksel KvK d.d. 28 september 2017 van DBS waarin [geïntimeerde sub 1] als [functienaam] is vermeld (prod. 13);</para>
      <para>- een door [geïntimeerde sub 1] namens DBS ondertekende overeenkomst d.d. 28 augustus 2014, waarin is vermeld dat [appellante] in 2011 in totaal € 170.000 aan DBS heeft geleend en waarin DBS zich verplicht de in 2011 geleende hoofdsom op redelijke termijn te voldoen (prod. 3). </para>
      <para>- een door [geïntimeerde sub 1] namens DBS ondertekende overeenkomst gedateerd november 2014 (prod. 8) waarin is vermeld dat [appellante] in totaal een bedrag van € 173.000,- aan DBS heeft geleend en dat de aflossing minimaal € 13.000 per jaar dient te zijn;</para>
      <para>- brieven d.d. 21 en 29 april 2015 (prods. 4 en 6) waarin [geïntimeerde sub 1] schrijft dat DBS wekelijks aflost en toezegt alles eraan te doen de geleende gelden terug te betalen en inmiddels ‘een kleine € 40.000,-’ aan [appellante] heeft betaald;</para>
      <para>- een uitdraai van de ING-rekening van [appellante] van 3 december 2012 tot en met 20 februari 2017 (prod. 7), waarop betalingen van DBS zijn vermeld, volgens [appellante] tot een totaalbedrag van € 46.249,-;</para>
      <para>- sommatiebrieven van mr Sonneveld aan DBS en aan [geïntimeerde sub 1] d.d. 26 september 2017 met betrekking tot een betalingsachterstand voor termijnbetalingen over de weken 1 tot en met 39 van 2017 (prod. 12) en waarin is vermeld dat bij het uitblijven van betaling tot opeising van het totaal verschuldigde zal worden overgegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Deze door [appellante] aangevoerde en met voormelde stukken onderbouwde gronden zijn door de niet verschenen [geintimeerden] niet weersproken en kunnen de vorderingen tegen [geïntimeerde sub 1] en DBS dragen, zodat deze in zoverre toewijsbaar zijn.  De stelling dat [geïntimeerde sub 1] in gemeenschap van goederen is getrouwd met [geintimeerde sub 3] is evenwel niet onderbouwd terwijl [geintimeerde sub 3] ook geen schuldenaar is van deze vordering. De vordering tegen [geintimeerde sub 3] moet op die grond worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De grief slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen tegen [geïntimeerde sub 1] en DBS zullen alsnog worden toegewezen. De vorderingen tegen [geintimeerde sub 3] zullen worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde sub 1] en DBS in de kosten van beide instanties veroordelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para>- explootkosten		€      97,31</para>
      <para>- griffierecht		<emphasis role="underline">€ 	     78,-</emphasis></para>
      <para>totaal verschotten		€    175,31</para>
      <para>- salaris advocaat		€ 1.421,- (1 punt x tarief V).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para>- explootkosten		€     97,31</para>
      <para>- griffierecht		<emphasis role="underline">€   313,-</emphasis></para>
      <para>totaal verschotten		€   410,31</para>
      <para>- salaris advocaat		€ 3.161,- (1 punt x tarief V).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Toewijsbaar zijn eveneens de beslagkosten. Deze worden, op grond van de overgelegde beslagstukken, vastgesteld op:</para>
      <para>- kosten beslagrekesten	 	€ 2.304,- (griffierecht 2 x € 78,- + 2 punt x tarief II)</para>
      <para>- explootkosten			<emphasis role="underline">€ 1.688,72</emphasis></para>
      <para>Totaal				€ 3.992,72.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt het vonnis van de rechtbank te Den Haag van 19 april 2017, </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en, opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en DBS hoofdelijk tot betaling aan [appellante] van € 164.092,- te vermeerderen met de contractuele rente van 6% per jaar vanaf 14 september 2017 tot de dag van algehele voldoening;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en DBS  in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 175,31 voor verschotten en op € 1.421,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,31 voor verschotten en op € 3.161,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en DBS tot betaling aan [appellante] van € 3.992,72 aan beslagkosten;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en DBS in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geintimeerden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>- wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, J.M.T. van der Hoeven-Oud en C.J. Verduyn en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>