<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2018:1492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-26T09:19:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-003129-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1492">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1492</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-19T12:42:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2018:1492 Gerechtshof Den Haag , 31-05-2018 / 22-003129-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2018:1492:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Invloed diefstal hennep op het reparatoir karakter van de ontneming in concreto.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2018:1492:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer: 	 	22-003129-17 PO </para>
  <para>Parketnummer:		10-692528-05 </para>
  <para>Datum uitspraak: 	31 mei 2018</para>
  <para>TEGENSPRAAK</para>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2006 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortejaar] 1974, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang in de ontnemingszaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 9 juni 2006 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 23.412,49 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de veroordeelde is tegen de beslissing hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing in de strafzaak tegen de veroordeelde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 9 juni 2006 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde, </para>
      <para>gekwalificeerd als:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, subsidiair zestig dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 17 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 23.412,49 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van deze vordering tot een bedrag van € 21.071,24.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van de beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft op 11 februari 2005 bij de politie verklaard dat hij in oktober 2004 is begonnen met een hennepkwekerij op de eerste verdieping van de woning aan de [adres] te Rotterdam. De hennepplanten heeft hij vervolgens in januari 2005 geoogst. Vlak na de oogst werd ingebroken, waarbij de gehele hennepoogst werd gestolen (zie proces-verbaal 2005052313-2). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Getuige [getuige] heeft op 14 april 2005 bij de politie verklaard dat de eerdere oogst van de verdachte in januari 2005 werd gestolen bij een inbraak in haar woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts zijn braaksporen te zien op de foto van de voordeur van de [adres] te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de verklaring van de verdachte bij de politie in zoverre wordt bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige] en voorts enige objectieve steun vindt in de hierboven genoemde foto van de voordeur van het pand, acht het hof aannemelijk dat de eerste oogst van de verdachte, nog voordat hij deze te gelde kon maken, is gestolen. </para>
      <para>Ofschoon de verdachte in theorie door de oogst voordeel heeft verkregen – hij verkreeg daardoor immers een verhandelbare hoeveelheid (“natte”) hennep -, is het hof van oordeel dat dit voordeel zich niet leent voor oplegging van de gevorderde maatregel van reparatoire aard. Uit de aannemelijk geachte verklaring van de veroordeelde vloeit immers voort dat de veroordeelde kort na de verkrijging van het voordeel door de diefstal weer in de toestand van voor de verkrijging is geraakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam moet derhalve worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af de vordering strekkende tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, </para>
      <para>mr. J.A.C. Bartels en mr. A.M. Hol, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>