<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2017:532</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-06T08:44:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.202.306</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:532">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:532</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-06T08:43:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2017:532 Gerechtshof Den Haag , 10-01-2017 / 200.202.306</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2017:532:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wsnp; vernietiging vonnis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2017:532:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG       </title>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.202.306/01</para>
      <para>Insolventienummer rechtbank	: C/09/15/566 F </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>arrest van 10 januari 2017</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam], </title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2016, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2016, waarbij zijn verzoek, strekkende tot opheffing van het op 13 oktober 2015 (op eigen aangifte) uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, is afgewezen. Hij verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brieven van 9 november, 16 en 21 december 2016 heeft [appellant] de processtukken van de eerste aanleg aan het hof toegezonden. Bij brief van 23 december 2016 heeft de curator, mr. J.H.M. van de Wiel, de openbare verslagen en haar advies omtrent de gevraagde omzetting aan het hof toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de curator.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft het verzoek strekkende tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen, aangezien hij gedurende het faillissement nieuwe schulden heeft laten ontstaan en hij niet gemotiveerd is om te solliciteteren.</para>
    <para />
    <para>2. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat. </para>
    <parablock>
      <para>Dat er nieuwe schulden zijn ontstaan tijdens het faillissement komt doordat de gemeente pas in december 2015, met terugwerkende kracht tot november 2015, overging tot uitbetaling van zijn Wwb-uitkering. In de tussenliggende periode had [appellant] geen inkomsten en zijn huishoudelijke schulden ontstaan (huur, energie, ziektekostenverzekering en het huurdersdeel van de OZB). Voor die schulden zijn betalingsregelingen getroffen met de schuldeisers. </para>
      <para>Voorts is [appellant] wel degelijk gemotiveerd om aan het werk te gaan, al leek dat bij de behandeling in eerste aanleg misschien niet zo, en is hij inmiddels druk doende met solliciteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De curator heeft aangegeven dat een minnelijke regeling in de vorm van een akkoord aan alle schuldeisers niet mogelijk is gebleken. Gelet op de coöperatieve houding van [appellant] gedurende het faillissement, verwacht zij dat [appellant] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Zij staat nog steeds achter haar advies om de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren op [appellant]. </para>
    <para />
    <para>4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en de indruk die [appellant] ter zitting maakte, acht het hof het  voldoende aannemelijk dat hij zich in het kader van de schuldsaneringsregeling zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven en dat hij, nu hij geen werk heeft, actief zal solliciteren naar een(zo mogelijk fulltime) baan. Voorts is het hof er voldoende van overtuigd dat [appellant] ook de overige verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zal nakomen.</para>
    <parablock>
      <para>Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] gedurende de periode van het faillissement heeft voldaan aan alle daaruit voortvloeiende verplichtingen, dat de curator positief heeft geadviseerd ten aanzien van het verzoek van [appellant] en dat de rechter-commissaris, zo blijkt uit het vonnis, het standpunt van de bewindvoerder steunt. </para>
      <para>Nu niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en het faillissement opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2016;</para>
    <para />
    <para>- heft het op eigen aangifte uitgesproken faillissement van [appellant] op;</para>
    <para />
    <para>- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;</para>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, D. Aarts en K.I. Oyunlu, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>