<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2017:4206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T14:00:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.214.460/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2017:1591" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:1591</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2019:28" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:28, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2018-0617</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2018-0617</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:4206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:4206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-30T13:23:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2017:4206 Gerechtshof Den Haag , 24-10-2017 / 200.214.460/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2017:4206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen recht op transitievergoeding op grond van artikel 2 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding in verband met doorwerkregeling van het Sociaal Plan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2017:4206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">BESCHIKKING</emphasis>
  </para>
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <parablock>
      <para>Afdeling Civiel recht</para>
      <para>Zaaknummer : 200.214.460/01</para>
      <para>Zaak-/rekestnummer rechtbank : 5615559 RP VERZ 16-50874</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>beschikking van 24 oktober 2017</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker]
    </title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: [verzoeker],</para>
      <para>advocaat: mr. D. van den Bergh-Beek te Zoetermeer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Gemeente Den Haag,</title>
    <parablock>
      <para>zetelend te 's-Gravenhage,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de Gemeente,</para>
      <para>advocaat: mr. F.W. van Herk te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <parablock>
      <para>Bij beroepsschrift, ter griffie ingekomen op 21 april 2017 is verzoeker in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2017. De</para>
      <para>Gemeente heeft een verweerschrift ingediend dat op 21 juni 2017 is ontvangen ter griffie van</para>
      <para>het hof. Op 29 juni is op de griffie van het hof een brief met daaraan gehecht een bij lage,</para>
      <para>genoemd productie 5, ontvangen. Op 13 juli 2017 heeft de mondelinge behandeling</para>
      <para>plaatsgevonden waarbij bezwaar is gemaakt door de Gemeente tegen inbrengen van</para>
      <para>genoemde productie. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <para>l.	Tegen de feiten zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld is geen bezwaar</para>
    <parablock>
      <para>gemaakt. Het hof zal daarvan dan ook uitgaan.</para>
      <para>Het gaat in deze zaak om het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- [verzoeker], geboren op [datum ] 1954 is op 1 november 1991 in dienst getreden bij de</para>
      <para>stichting Werkbij op basis van een "arbeidsovereenkomst banenpool". De stichting Werkbij voerde banen uit in het kader van de Rijksbijdrageregeling Banenpools.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Per 1 januari 1998 is de Rijksbijdrageregeling Banenpools komen te vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 24 WIW (Wet Inschakeling Werkzoekenden) werden de</para>
      <para>arbeidsovereenkomsten banenpool met ingang van die datum aangemerkt als</para>
      <para>dienstbetrekking in het kader van de WIW.  [verzoeker] is toen van rechtswege in dienst</para>
      <para>gekomen bij de Gemeente. Stichting Werkbij bleef verantwoordelijk voor de</para>
      <para>feitelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 16 november 2010 heeft het college van B&amp;W van de Gemeente besloten tot</para>
      <para>afbouw van de WIW-banen uiterlijk per 1 juli 2012. In het plan van aanpak “afbouw</para>
      <para>ID en WIW banen” is opgenomen dat <emphasis role="italic">“..de inzet (is) om het aantal gedwongen</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ontslagen tot een minimum te beperken. Daartoe (...) komt er een specifieke regeling</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">voor 55-plussers”.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- 0p 28 juni 2011 heeft het college van B&amp;W een Sociaal Plan WIW 2011-2012 op</para>
      <para>hoofdlijnen gepresenteerd (verder: het Sociaal Plan). Dit plan is tot stand gekomen in</para>
      <para>overleg met de vakbond en de ondernemingsraad.</para>
      <para>In dit plan staat onder meer:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Formele einddatum WIW banen per 1 juli 2012. Per 1 juli zal van deel van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de werknemers daadwerkelijk afscheid genomen worden. (...) Voor de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">overige groepen werknemers worden per 1 juli 2012 in eerste instantie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in maatregelen ingezet waarmee hun arbeidskansen zo optimaal mogelijk</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">worden benut. Voor oudere werknemers (van 55 tot 62 jaar) is een</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">doorwerkregeling getroffen. (...) Voor degenen dieper 1 juli 2012 nog geen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ander werk hebben worden de in het sociaal plan genoemde maatregelen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">ingezet.”</emphasis>
      </para>
      <para>Het Sociaal Plan is nader uitgewerkt in het Sociaal Uitvoeringsplan WIW 2011-2012</para>
      <para>(verder: het Sociaal Uitvoeringsplan). Hoofdstuk 3 van dit plan bevat voorzieningen</para>
      <para>die voor alle WIW-werknemers worden ingezet gedurende de periode 1 juli 2011 tot</para>
      <para>1 juli 2012. Hoofdstuk 6 ziet op afspraken voor voorzieningen voor WIW-</para>
      <para>werknemers die op 1 juli 2011 55 jaar of ouder zijn en op 1 juli 2012 jonger dan 62</para>
      <para>jaar zijn.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“6.1 	De WIW-werknemer als bedoeld in dit hoofdstuk die geen reguliere</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">baan heeft gevonden voor 1-7-2012 blijft werkzaam voor de huidige inlener</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">onder voorwaarde dat de inlener een reële bijdrage levert in de loonkosten</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">van de werknemer;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. 7 	Degenen die na 1 juli 2012 hun inlener verliezen en niet kunnen</para>
      <para>worden geplaatst bij een andere inlener of werkgever hebben tot uiterlijk 1</para>
      <para>september 2015 recht op een suppletie.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 1 juli 2011 was [verzoeker] 57 jaar oud.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 21 juni 2012 werd bekend dat [verzoeker] was geplaatst bij Biesieklette en daar kon</para>
      <para>gaan werken als stallingsmedewerker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 16 juli 2012 heeft de Gemeente [verzoeker] een brief gestuurd waarin onder meer is</para>
      <para>opgenomen:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Vanwege bezuinigingen heeft het college van B&amp;W van Den Haag in 2010</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">besloten tot afbouw van de WIW regeling. Om een en ander in goede banen	</emphasis>
      </para>
      <para>te Leiden is door het college een eenmalig afbouwbudget beschikbaar</para>
      <para>gesteld. In overleg met vertegenwoordigers van vakbonden en</para>
      <para>ondernemingsraad is een sociaal plan afbouw W1W 2011-20]2 tot stand</para>
      <para>gekomen. Onder toepassing van dit sociaal plan is voor u de volgende</para>
      <para>voorziening getroffen: U wordt vanaf 1 juli 2012 tot uiterlijk [datum ] 2016</para>
      <para>gedetacheerd bij Bieslieklette. Gedurende deze periode blijft u in dienst van</para>
      <para>de gemeente Den Haag.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- [verzoeker] heeft het aanbod van de Gemeente geaccepteerd en heeft sinds juli 2012 bij</para>
      <para>
        [verzoeker] gewerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Op 7 april 2016 heeft de Gemeente een aanvraag voor een ontslagvergunning voor</para>
      <para>
        [verzoeker] ingediend bij het UWV.</para>
      <para>- Op 7 juni 2016 heeft de Gemeente de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd</para>
      <para>tegen 1 oktober 2016 nadat het UWV op 30 mei 2016 een ontslagvergunning had</para>
      <para>verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- [verzoeker] verzoekt in dit geding toekenning van een transitievergoeding van € 32.766,68 bruto vanwege de opzegging van de arbeidsovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 15 februari 2017 het verzoek van [verzoeker]</para>
      <para>tot veroordeling van de Gemeente tot betaling van een transitievergoeding</para>
      <para>afgewezen en [verzoeker] in de kosten van de procedure veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. [verzoeker] is in beroep gekomen tegen de beschikking van de kantonrechter onder</para>
    <parablock>
      <para>aanvoering van vier grieven met conclusie tot vernietiging van die beschikking en</para>
      <para>toewijzing aan hem van de verzochte transitievergoeding alsmede wettelijke rente, en</para>
      <para>oplegging aan de Gemeente van de verplichting een deugdelijke specificatie te</para>
      <para>verschaffen op straffe van verbeurte van een dwangsom.</para>
      <para>Met zijn grieven richt [verzoeker]  zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de</para>
      <para>overgangsregeling transitievergoeding van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat niet</para>
      <para>voldaan is aan de in het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding (Stb. 2015, 172;</para>
      <para>hierna: het Besluit) in artikel 2 opgenomen voorwaarden aangezien het Sociaal Plan</para>
      <para>waarnaar de kantonrechter verwijst is vervallen (met een beroep op lid 4 van artikel 2</para>
      <para>van dat Besluit), hij geen rechten aan het Sociaal Plan kon ontlenen op 1 juli 2015 en in</para>
      <para>het Sociaal Plan geen sprake is van een voorziening als bedoeld in art. 2 lid 1 Besluit.</para>
      <para>Ter onderbouwing van dat laatste heeft [verzoeker] voorafgaand aan de mondelinge</para>
      <para>behandeling een nieuwe productie ingebracht (productie 5, een brief met als onderwerp</para>
      <para>“deskundigen oordeel SRK “).</para>
      <para>Het hof verwerpt het bezwaar van de Gemeente tegen het (late tijdstip van) overleggen</para>
      <para>van dit advies, nu daarin geen nieuwe feiten of stellingen zijn opgenomen maar een</para>
      <para>uitwerking wordt gegeven van het standpunt van [verzoeker] dat de onderhavige</para>
      <para>doorwerkregeling geen voorziening is in de zin van art. 2 lid 1 Besluit. Naar het oordeel</para>
      <para>van het hof heeft de Gemeente redelijkerwijs voldoende tijd en gelegenheid gehad om op</para>
      <para>de mondelinge behandeling op het stuk te reageren. Het hof zal de inhoud van dit stuk</para>
      <para>dan ook bij zijn oordeel betrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De Gemeente heeft verweer gevoerd en verzocht de beschikking van de kantonrechter te</para>
    <parablock>
      <para>bekrachtigen. De Gemeente heeft daarbij eveneens een beroep gedaan op het</para>
      <para>overgangsrecht Wet Werk en Zekerheid (verder: WWZ), meer in het bijzonder artikel</para>
      <para>XXII lid 7 WWZ, nader uitgewerkt in het Besluit, en gesteld dat het Sociaal Plan en het</para>
      <para>Sociaal Uitvoeringsplan en de daarin opgenomen regeling oudere werknemers voldoen</para>
      <para>aan de vereisten van het overgangsrecht. Uit hoofde van deze lopende collectieve</para>
      <para>afspraak heeft [verzoeker] recht op verschillende voorzieningen als bedoeld in artikel XXII</para>
      <para>zevende lid WWZ, aldus de Gemeente, waardoor hij opzegging van de</para>
      <para>arbeidsovereenkomst geen transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 aanhef</para>
      <para>en onder a BW is verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a BW bepaalt dat de werkgever aan de werknemer</para>
        <para>een transitievergoeding is verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24</para>
        <para>maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is</para>
        <para>ontbonden. Artikel 7:673 BW is per 1 juli 2015 in werking getreden en heeft directe</para>
        <para>werking.</para>
        <para>Artikel XXII lid 7 WWZ luidt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In afwijking van de artikelen 673 en 6 73 ci van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">transitievergoeding geheel of gedeeltelijk niet verschuldigd is gedurende een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden, indien de werknemer wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding of</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voorziening, op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">inwerkingtreding van artikel J onderdelen Ven W van deze wet gemaakte</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">afspraken.”</emphasis>
        </para>
        <para>Het Besluit, dat in werking is getreden op 1 juli 2015, is de algemene maatregel van</para>
        <para>bestuur waarin artikel XXII lid 7 WWZ nader is uitgewerkt. Het Besluit bepaalt onder</para>
        <para>meer:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Artikel 2 Geen transitievergoeding verschuldigd bij lopende collectieve afspraken</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">met verenigingen van werknemers.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">.	1. Indien de werknemer op grond van tussen de werkgever of vereniging van werkgevers en verenigingen van werknemers gemaakte afspraken recht</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII zevende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">lid van de Wet werk en zekerheid is de transitievergoeding niet verschuldigd,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tenzij overeengekomen is dat de werknemer recht heeft op die vergoeding of</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voorziening in aanvulling op de transitievergoeding. (...)”</emphasis>
        </para>
        <para>Blijkens de toelichting op het Besluit is het doel van de overgangsregeling om dubbele</para>
        <para>betalingen bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst ná 1juli 2015 te voorkomen in</para>
        <para>gevallen waarin de werkgever gebonden is aan afspraken die gemaakt zijn vóór 1 juli</para>
        <para>2015 over voorzieningen of vergoedingen waarop de werknemer recht heeft wegens het</para>
        <para>beëindigen van de arbeidsovereenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen verschillen van mening over de betekenis van het Sociaal Plan en het Sociaal</para>
        <para>Uitvoeringsplan en de daarin opgenomen afspraken voor de toepasselijkheid van art. 2</para>
        <para>Besluit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het is onbetwist dat het Sociaal Plan en het Sociaal Uitvoeringsplan in overleg met de</para>
        <para>vakbond en de ondernemingsraad tot stand zijn gekomen en erop gericht waren de</para>
        <para>negatieve gevolgen van de beëindiging van de WIW regeling voor de gehele groep</para>
        <para>werknemers die dit betrof zoveel mogelijk te beperken. De beide plannen gezamenlijk</para>
        <para>zijn daarmee te beschouwen als een collectieve afspraak als bedoeld in artikel 2 van het</para>
        <para>Besluit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de inhoud van het Sociaal Uitvoeringsplan zoals hiervoor weergegeven blijkt dat het</para>
        <para>voorzieningen bevat die voor alle WIW-werknemers worden ingezet in de periode 1 juli</para>
        <para>2011 tot 1 juli 2012 ter ondersteuning van die werknemers bij het vinden van werk en dat</para>
        <para>daarin daarnaast diverse maatregelen zijn opgenomen die worden ingezet voor</para>
        <para>verschillende categorieën WIW-werknemers al naar gelang hun arbeidskansen die</para>
        <para>samenhangen met hun leeftijd. Verder blijkt daaruit dat op een deel van die afgesproken</para>
        <para>maatregelen eerst ná 1 juli 2012 aanspraak gemaakt kan worden en dat de duur zowel als</para>
        <para>de aard van de aanspraak afhankelijk is van de leeftijd van de belanghebbende. Van</para>
        <para>verval van het Sociaal Plan per 1juli 2012 is dus geen sprake. De vergelijking met cao</para>
        <para>afspraken die naar hun aard een in tijd beperkte geldingsduur hebben gaat niet op.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De in het Sociaal Plan opgenomen “doorwerkregeling” maakte de aanstelling van</para>
        <para>
          [verzoeker] met ingang van 1 juli 2012 bij Biesieklette die als inlener fungeerde, mogelijk.</para>
        <para>De hem toegezegde aanspraak tot voortzetting van die aanstelling tot het bereiken van de</para>
        <para>leeftijd van 62 jaar, vloeit eveneens rechtstreeks voort uit het Sociaal Plan, zoals ook</para>
        <para>blijkt uit de aan hem gezonden brief van de Gemeente van 16 juli 2012 . Verder kreeg</para>
        <para>
          [verzoeker] op grond van het Sociaal Plan een aanspraak op een suppletie tot 1 september</para>
        <para>2015 in het geval de overeenkomst met de inlener voortijdig zou worden beëindigd. Op</para>
        <para>1 juli 2015 was [verzoeker] nog geen 62 jaar en werkte hij nog bij Biesieklette: hij kon dus</para>
        <para>op 1 juli 2015 nog steeds rechten ontlenen aan het Sociaal Plan en deed dat feitelijk ook.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] heeft verder betoogd dat de afgesproken regelingen in het Sociaal Plan en het</para>
        <para>Sociaal Uitvoeringsplan niet kunnen worden aangemerkt als voorziening in de zin van</para>
        <para>het Besluit. De doorwerkregeling heeft een heel ander karakter volgens hem aangezien</para>
        <para>hem uit dien hoofde niets is aangeboden waarvoor geen tegenprestatie werd verlangd. Er</para>
        <para>was geen sprake van een vergoeding maar het ging in het Sociaal Plan en het Sociaal</para>
        <para>Uitvoeringsplan om een regeling ter invulling van passende arbeid. Van cumulatie van</para>
        <para>vergoedingen die de overgangsregeling beoogt te voorkomen is geen sprake, aldus [verzoeker]</para>
        <para>De getroffen regelingen komen niet overeen met de bedoeling van de</para>
        <para>transitievergoeding en zijn dus niet aan te merken als een aan de transitievergoeding</para>
        <para>gelijkwaardige voorziening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente heeft bestreden dat er een regel is die voorschrijft dat bij aanspraak op een</para>
        <para>voorziening geen tegenprestatie hoeft te worden geleverd. Het criterium is volgens de</para>
        <para>Gemeente dat de in het Sociaal Plan en het Sociaal Uitvoeringsplan neergelegde</para>
        <para>afspraken ertoe hebben geleid dat [verzoeker] in een aanzienlijk betere vermogenspositie is</para>
        <para>komen te verkeren dan wanneer zijn dienstverband op 1 juli 2012 zou zijn beëindigd</para>
        <para>hetgeen zou zijn gebeurd bij afwezigheid van het Sociaal Plan en het Sociaal</para>
        <para>Uitvoeringsplan.</para>
        <para>Immers [verzoeker] heeft hierdoor een aantal jaren langer een salaris kunnen ontvangen dat,</para>
        <para>vanwege de afstand van [verzoeker] tot de arbeidsmarkt, ruim boven de werkelijke</para>
        <para>arbeidswaarde lag en op die grondslag pensioen kunnen opbouwen. Verder heeft hij</para>
        <para>doordat hij ná 1juli 2012 nog werkte kunnen bijdragen aan een verbetering van zijn</para>
        <para>positie op de arbeidsmarkt en het eventuele beroep op een WW-uitkering uitgesteld</para>
        <para>waardoor het gat tot zijn AOW gerechtigde leeftijd is verkleind, aldus de Gemeente.</para>
        <para>Daarnaast beroept de Gemeente zich op de hoge kosten die gemaakt zijn voor de</para>
        <para>uitvoering van de doorwerkregeling: zij schat dat ten behoeve van [verzoeker] in totaal</para>
        <para>€ 108.426,76 is uitgegeven. Dat bedrag overstijgt in aanzienlijke mate de verzochte</para>
        <para>transitievergoeding. Het al dan niet gelijkwaardig zijn van de voorziening met een</para>
        <para>transitievergoeding is niet relevant omdat artikel 7:673 b BW hier niet aan de orde is,</para>
        <para>aldus de Gemeente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Over de vraag of een doorwerkregeling als in dit geding aan de orde kan worden</para>
        <para>gekwalificeerd als een voorziening in de zin van artikel XXII WWZ en art. 2 Besluit,</para>
        <para>overweegt het hof als volgt. Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit vallen onder</para>
        <para>voorzieningen alle afspraken die geen vergoedingen zijn waaraan de werknemer op 1 juli</para>
        <para>2015 rechten kan ontlenen wegens het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Verder</para>
        <para>wordt in de Nota van Toelichting aangegeven dat voorzieningen in natura kunnen zijn</para>
        <para>zoals bijvoorbeeld afspraken over om- of bijscholing en dat de omvang van de waarde</para>
        <para>van zowel vergoedingen als voorzieningen niet altijd is te kwantificeren. Het gaat er dus</para>
        <para>met om of een voorziening de werkgever een op geld waardeerbaar bedrag kost dat</para>
        <para>gelijk is aan een eventuele transitievergoeding. In zoverre is het hof van oordeel dat een</para>
        <para>doorwerkregeling als de onderhavige een voorziening kán zijn als bedoeld in artikel</para>
        <para>XXII WWZ en art. 2 Besluit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de beantwoording van de vraag of de doorwerkregeling waarop  [verzoeker] aanspraak</para>
        <para>heeft gehad, heeft te gelden als een voorziening als bedoeld in het Besluit</para>
        <para>Overgangsrecht Transitievergoeding dient allereerst tot uitgangspunt de tekst van artikel</para>
        <para>XXII lid 7 WWZ en van artikel 2 lid 1 Besluit. Volgens die tekst, zoals hiervóór</para>
        <para>geciteerd, moet het gaan om een vergoeding of voorziening waarop <emphasis role="italic">de werknemer</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft.</emphasis> Uit de aard van de</para>
        <para>regeling (overgangsrecht) volgt dat de wetgever hier het oog heeft op de beëindiging van</para>
        <para>de arbeidsovereenkomst na inwerkingtreding van de WWZ, omdat zich anders geen</para>
        <para>vraag van overgangsrecht zou voordoen. Dit volgt ook uit de ratio van de</para>
        <para>overgangsregeling: het voorkomen van dubbele aanspraken, zowel op de</para>
        <para>transitievergoeding als op een andere vergoeding/voorziening wegens het einde van de</para>
        <para>arbeidsovereenkomst. In dit geding gaat het aldus om de vraag of [verzoeker] <emphasis role="italic">wegens de</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016</emphasis> recht heeft op enige</para>
        <para>vergoeding of voorziening op grond van een collectieve of individuele afspraak, zoals</para>
        <para>een sociaal plan, welke afspraak is tot stand gekomen v66r 1 juli 2015. Aan [verzoeker] kan</para>
        <para>worden toegegeven dat de doorwerkregeling naar de letter genomen niet een dergelijke</para>
        <para>voorziening is. De doorwerkregeling kan uiteraard niet een voorziening zijn waarop [verzoeker]</para>
        <para>aanspraak krijgt wegens de beëindiging van (de arbeidsovereenkomst die is</para>
        <para>voortgevloeid uit) die doorwerkregeling. De vraag is vervolgens of de onderhavige</para>
        <para>doorwerkregeling desalniettemin op grond van de ratio van artikel 2 Besluit op één lijn</para>
        <para>moet worden gesteld met een voorziening waarop [verzoeker] wegens de beëindiging van de</para>
        <para>arbeidsovereenkomst recht heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>In antwoord op die vraag is allereerst van belang vast te stellen wat het doel van de</para>
        <para>afspraak betreffende de doorwerkregeling was. Hierbij wordt aangesloten bij het aan de</para>
        <para>transitievergoeding ten grondslag liggende gevolgencriterium: een dergelijke afspraak</para>
        <para>dient op een met de transitievergoeding vergelijkbare wijze de gevolgen van een ontslag</para>
        <para>zoveel mogelijk te ondervangen voor een werknemer. Verder dient met het oog op het</para>
        <para>doel van het overgangsrecht - het voorkomen van samen loop van aanspraken door de</para>
        <para>werknemer- beoordeeld te worden of de werkgever door de nakoming van die afspraak</para>
        <para>geconfronteerd wordt met dubbele verplichtingen naar aanleiding van een ontslag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Sociaal Plan en het Sociaal Uitvoeringsplan hebben betrekking op de positie van</para>
        <para>WIW-werknemers met een grote achterstand op de arbeidsmarkt zoals  [verzoeker], die</para>
        <para>gezien hun leeftijd en hun professionele achtergrond en vaardigheden volgens de</para>
        <para>arbeidsmarktanalyse van de Raad voor Werk en Inkomen uit 2010 significant slechtere</para>
        <para>arbeidsmarktkansen hebben. De WIW, zo blijkt ook uit de memorie van toelichting,</para>
        <para>legde uitdrukkelijk een algemene sociale verantwoordelijkheid bij de gemeentes om een</para>
        <para>nog grotere afstand tot de arbeidsmarkt en daarmee van een sociaal isolement dat tot een</para>
        <para>neerwaartse spiraal zou leiden, te voorkomen. Ontslag voor deze groep werknemers leidt</para>
        <para>dus niet alleen tot financiële kwetsbaarheid, de impact van werkloosheid is ook sociaal</para>
        <para>gezien groot. De in het Sociaal Plan en liet Sociaal Uitvoeringsplan opgenomen</para>
        <para>doorwerk- en suppletieregelingen zijn er expliciet op gericht om zoveel mogelijk niet</para>
        <para>alleen de financiële maar ook de sociale gevolgen van het beëindigen van de WIW-banen</para>
        <para>te ondervangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] is, zoals de Gemeente onweersproken heeft aangevoerd, door aanspraak te</para>
        <para>kunnen blijven maken op een doorwerkregeling tot de leeftijd van 62 jaar, in staat</para>
        <para>gesteld zijn salaris, dat de werkelijke waarde van zijn arbeidsinzet overstijgt, en zijn</para>
        <para>secundaire arbeidsvoorwaarden te behouden, pensioen te blijven opbouwen en een</para>
        <para>eventueel beroep op WW en bijstandsuitkering met een aantal jaren uit te stellen.</para>
        <para>Daarnaast treedt door de doorwerkregeling de (als vrijwel onafwendbaar ingeschatte)</para>
        <para>werkloosheid en daarmee de sociale gevolgen daarvan eerst een aantal jaren later op. Dit</para>
        <para>betekent dat [verzoeker] als gevolg van de in het Sociaal Plan getroffen voorzieningen zowel</para>
        <para>financieel als sociaal in een aanzienlijk betere positie is dan indien de</para>
        <para>arbeidsovereenkomst op 1juli 2012 zou zijn beëindigd zoals zou zijn gebeurd als er geen</para>
        <para>Sociaal Plan en Sociaal Uitvoeringsplan zou zijn geweest zo blijkt uit de door de</para>
        <para>Gemeente overlegde stukken. De regeling heeft voor hem dus zowel de sociale als</para>
        <para>financiële gevolgen van het (reeds per 1juli 2012 voorgenomen) ontslag zoveel mogelijk</para>
        <para>ondervangen: immers door de doorwerkregeling kon het ontslag per 1 juli 2012 worden</para>
        <para>voorkomen en zijn de gevolgen van een ontslag met het maximaal haalbare aantal jaren</para>
        <para>uitgesteld en tevens is de impact daarvan verminderd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor de kosten die de uitvoering van de regelingen uit het Sociaal Plan meebracht</para>
        <para>heeft de Gemeente een speciaal budget ‘afbouw WIW’ beschikbaar gesteld. Uit dit</para>
        <para>budget zijn naast de andere verplichtingen die de Gemeente uit hoofde van het Sociaal</para>
        <para>Plan had, de kosten verbonden aan de doorwerkregeling van voldaan. De</para>
        <para>Gemeente heeft onbetwist aangevoerd dat deze uitgaven de kosten van de</para>
        <para>transitievergoeding waarop aanspraak gemaakt zou kunnen worden ingevolge artikel</para>
        <para>7:763 BW, zoals door [verzoeker] berekend en gevorderd, in aanzienlijke mate hebben</para>
        <para>overtroffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De Gemeente heeft collectieve afspraken zoals neergelegd in het Sociaal Plan en het</para>
        <para>Sociaal Uitvoeringsplan gemaakt vóórdat zij rekening heeft kunnen houden met de</para>
        <para>introductie van een transitievergoeding. Voorts heeft zij zich verbonden aan de hiervoor</para>
        <para>genoemde, aanzienlijke kosten die de uitvoering van die afspraken die erop gericht</para>
        <para>waren om de gevolgen van het ontslag voor werknemers zoveel mogelijk te beperken,</para>
        <para>meebrachten. Onder deze omstandigheden zou gehoudenheid tot betaling van een</para>
        <para>transitievergoeding leiden tot een samenloop van betalingen in verband met het</para>
        <para>beëindigen van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker], hetgeen de in het Besluit</para>
        <para>opgenomen overgangsregeling beoogt te voorkomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit alles leidt tot de slotsom dat de in het Sociaal Plan en Sociaal Uitvoeringsplan</para>
        <para>opgenomen doorwerkregeling voor [verzoeker] is aan te merken als een voorziening in de</para>
        <para>zin van artikel 2 van het Besluit. De grieven 1 tot en met 3 van [verzoeker] zijn dus</para>
        <para>tevergeefs voorgesteld en dienen verworpen te worden. Grief 4, die voortbouwt op de</para>
        <para>voorafgaande grieven, faalt eveneens. De beslissing van de kantonrechter zal worden</para>
        <para>bekrachtigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in</para>
        <para>de kosten van het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	veroordeelt [verzoeker] in de kosten in het geding in hoger beroep aan de zijde van de</para>
      <para>Gemeente begroot op € 2.3 16,- salaris advocaat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-  	verklaart deze beschikking wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij</para>
      <para>voorraad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- 	wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.A. Filippini, H.M. Wattendorff en</para>
      <para>F. Damsteegt-Molier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2017 in</para>
      <para>aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>