<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2017:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-08T09:32:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.207.186/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:2568">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-08T09:30:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2017:2568 Gerechtshof Den Haag , 04-07-2017 / 200.207.186/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2017:2568:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep beslissing proceskostenveroordeling kantonrechter. Gewezen echtgenoten. Hof vernietigt en compenseert de kosten in eerste aanleg alsnog.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2017:2568:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para>Afdeling civiel, team familie</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.207.186/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rol-/zaaknummer rechtbank	: 4873507\RL EXPL 16-6897</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>arrest d.d. 4 juli 2017 (bij vervroeging)</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de man] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [de man]</para>
      <para>advocaat: mr. C.W.F. Jansen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de vrouw]
    </title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [de vrouw]</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij exploot van 9 januari 2017 is [de man] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter Den Haag gewezen onder voormeld rol/zaaksnummer op 11 oktober 2016. Bij memorie van grieven heeft [de man] één grief aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter rolzitting van 24 januari 2017 is tegen  [de vrouw] verstek verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de man] heeft  zijn  stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bestreden vonnis is [de man] in zijn conventionele vordering niet-ontvankelijk verklaard en [de man] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rolzitting van Team Handel van de rechtbank Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Enige feiten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gewezen echtgenoten<emphasis role="bold">. </emphasis>De vordering van [de man] betreft een vordering uit hoofde van een in 2007 tussen hem en [de vrouw] gesloten (aanvullend) convenant waarin nadere afspraken zijn vastgelegd over – voor zover hier van belang – de vaststelling en betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen van partijen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1.14 van het hier aan de orde zijnde convenant luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Als [naam] 20 jaar wordt zal het voor de kinderen afgesloten Koersplan tot uitkering komen. De opbrengst zal op twee rekeningen ten behoeve van ieder van de kinderen worden belegd ter bestrijding van de studiekosten voor de kinderen na het afronden van de middelbare school. “</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter heeft [de man] niet-ontvankelijk verklaard omdat naar zijn oordeel de door [de man] ingestelde vordering niet aan hem toekwam maar aan de kinderen van partijen. De kantonrechter heeft het geciteerde artikel uit de tussen partijen gesloten nadere overeenkomst als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 Burgerlijk Wetboek aangemerkt dat door [de vrouw] namens de toen nog minderjarige kinderen is aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De grief </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevoerde grief ziet uitsluitend op de in conventie uitgesproken proceskostenveroordeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In randnummer 9 stelt [de man] dat het aan [de vrouw] is te wijten geweest dat de procedure is gevoerd. </para>
      <para>Daarnaast beroept [de man] zich op het gebruik om proceskosten - ook tussen de niet in artikel 237 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering genoemde ex-echtelieden - te compenseren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt. Indien in appel aan geïntimeerde verstek is verleend terwijl geïntimeerde in eerste aanleg verweer heeft gevoerd blijft het een procedure op tegenspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De proceskostenveroordeling is door de kantonrechter niet anders gemotiveerd dan dat [de man] in het ongelijk is gesteld. Daartoe was de kantonrechter ook niet gehouden. Hoewel er tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [de man] als zodanig niet is gegriefd en daarin een grond besloten zou kunnen liggen om tot een proceskostenveroordeling te komen, ook in zaken waarin ex-echtelieden tegen elkaar procederen, acht het hof een compensatie van proceskosten in dit geval meer in de rede liggen. Het bestreden vonnis zal dan ook in zoverre worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit oordeel is gebaseerd op de in hoger beroep door [de man] gegeven toelichting over het voorafgaand aan de procedure niet geïnformeerd zijn door [de vrouw] over de afwikkeling van de tussen partijen gesloten nadere overeenkomst. Dat de procedure tegen [de vrouw] volgens de kantonrechter door een andere partij had moeten worden ingesteld doet niet af aan het legitieme belang van [de man] om opheldering van [de vrouw] over de achterliggende kwestie te krijgen. [de man] heeft in hoger beroep ook aangegeven dat hij de procedure niet gestart zou zijn als [de vrouw] de in eerste aanleg verstrekte informatie voorafgaand aan de procedure aan hem zou hebben gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft [de man] om een compensatie van proceskosten gevraagd. Nu er verstek verleend is tegen [de vrouw] en zij derhalve niet geacht kan worden kosten te hebben gemaakt zal het hof bepalen dat [de man] zijn eigen kosten moet dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Den Haag van 11 oktober 2016, uitsluitend voor zover [de man] daarin in de proceskosten aan de zijde van [de vrouw] is veroordeeld, en – opnieuw rechtdoende – compenseert de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen in die zin dat elk der partijen zijn/haar eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat [de man] zijn eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>