<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2015:3821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:14:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.141.363/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2017:215" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen">Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:215, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003045">Burgerlijk Wetboek Boek 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003045&amp;artikel=9">Burgerlijk Wetboek Boek 2 9</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003045&amp;artikel=248">Burgerlijk Wetboek Boek 2 248</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2016/174</rdf:li>
          <rdf:li>RN 2016/25</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2016/347</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2016/936</rdf:li>
          <rdf:li>JOR 2016/222</rdf:li>
          <rdf:li>OR-Updates.nl 2016-0023</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2016-0070</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:3821">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:3821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-19T16:18:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2015:3821 Gerechtshof Den Haag , 09-06-2015 / 200.141.363/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2015:3821:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bestuurdersaansprakelijkheid, bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW niet ontzenuwd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2015:3821:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraakdatum 		: 9 juni 2015</para>
      <para>Zaaknummer 			: 200.141.363</para>
      <para>Zaak-/rolnummer rechtbank 	: C/09/441656 / HA ZA 13-460</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] ,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellant, tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant] ,</para>
      <para>advocaat: mr. H.J. Bakker (Leiden),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. A.R. DE VRIES-OOSTERVELD,</para>
      <para>in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Exiton B.V.,</para>
      <para>kantoorhoudende te Leiden,</para>
      <para>geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,</para>
      <para>hierna te noemen: de curator,</para>
      <para>advocaat: mr. A.E. Veerman (Leiden).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] is bij exploot van 21 januari 2014 in hoger beroep gekomen van het</para>
      <para>vonnis van 8 januari 2014 dat door de Rechtbank Den Haag is gewezen tussen de</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>curator als eiseres en Exiton Holding B.V. en [appellant] als gedaagden. Bij</para>
      <para>memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] een aantal grieven tegen het</para>
      <para>vonnis aangevoerd, welke door de curator bij memorie van antwoord (met producties)</para>
      <para>zijn bestreden. Harerzijds heeft de curator onder aanvoering van grieven voorwaardelijk</para>
      <para>incidenteel appel ingesteld. [appellant] heeft hier op gereageerd bij memorie van</para>
      <para>antwoord in incidenteel appel. Daarna hebben de advocaten de zaak aan de hand van</para>
      <para>pleitnota’s bepleit. [appellant] heeft bij die gelegenheid een productie in het geding</para>
      <para>gebracht. Na afloop van de pleidooien is een arrestdatum bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid. Exiton Holding B.V. (hierna:</para>
      <para>Exiton Holding) en [appellant] zijn door de rechtbank op vordering van de curator</para>
      <para>hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement van Exiton B.V.</para>
      <para>(hierna: Exiton). De grond voor de veroordeling is dat zij hun taak als (indirect)</para>
      <para>bestuurder van Exiton - meer precies: Exiton Holding als direct bestuurder van Exiton</para>
      <para>en [appellant] als bestuurder van Exiton Holding - kennelijk onbehoorlijk hebben</para>
      <para>vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het</para>
      <para>faillissement van Exiton (art. 2:248 lid 1 BW in samenhang met art. 2:11 BW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Voor de vaststaande feiten wordt in de eerste plaats verwezen naar de weergave</para>
        <para>onder punt 2 van het vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2014:9310). Daartegen is geen grief</para>
        <para>gericht, waardoor die feiten ook in hoger beroep als onweersproken vast staan.</para>
        <para>Hieronder (2.2 - 2.4) volgt nog een kleine aanvulling. Daarbij is niet gestreefd naar</para>
        <para>volledigheid.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 25 april 2012 heeft de huisbankier ING aan [appellant] verzocht om</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>toezending van de in haar administratie ontbrekende jaarcijfers 2010 van Exiton en</para>
        <para>Exiton Holding. [appellant] heeft die cijfers op 1juni 2012 aangeleverd. Nog</para>
        <para>diezelfde dag is [appellant] gebeld voor een afspraak om uitleg te (komen) geven.</para>
        <para>Op 5 juni 2012 volgde het gesprek met de bank. [appellant] heeft die dag de</para>
        <para>balansen van Exiton per ultimo 2011 en per 31 mei 2012 toe-/nagestuurd. Daarin was</para>
        <para>de agioverrekening verwerkt. De bank toonde zich niet tevreden over de cijfers en liet</para>
        <para>doorschemeren tot opzegging van het krediet over te gaan als er geen snelle oplossing</para>
        <para>kwam. Hoewel de kredietovereenkomst formeel nog niet was opgezegd, werden</para>
        <para>betalingen niet meer zonder meer gefiatteerd. Op 7 juni 2012 besloot de algemene</para>
        <para>vergadering van aandeelhouders van Exiton tot het aanvragen van het faillissement, dat</para>
        <para>vervolgens op 12 juni 2012 is uitgesproken. De bank heeft de bestaande kredietfaciliteit</para>
        <para>per die datum opgezegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De curator in het faillissement van Exiton heeft de handelsnaam en merknaam</para>
        <para>verkocht aan Hoex Distribution Europe B.V. (hierna: HDE). Bestuurder/aandeelhouder</para>
        <para>van HDE is Hoex Holding B.V., van welke holding [appellant]</para>
        <para>aandeelhouder/bestuurder is. HDE drijft - net als voorheen Exiton - een groothandel op</para>
        <para>het gebied van kantoorbenodigdheden. Exiton Holding heeft managementtaken verricht</para>
        <para>voor HDE.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>In maart en in mei 2012 heeft Exiton Holding in totaal € 37.300,- aan Exiton</para>
        <para>betaald. Uitgaande van wat [appellant] stelt (a) was Exiton Holding hiertoe in staat</para>
        <para>door betalingen aan haar door HDE (€ 30.940,-) en [appellant] (€ 10.000,-) in privé</para>
        <para>en (b) had Exiton Holding per 12 juni 2012 nog een vordering uit hoofde van</para>
        <para>management-fee van € 10.710,- op HDE, alsook een vordering van € 7.025,- op Van</para>
        <para>der Hoogt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de overwegingen van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. De rechtbank heeft overwogen — kort en zakelijk weergegeven — (a) dat, gezien</para>
      <para>de overschrijding van de publicatieplicht, vast staat dat sprake is van kennelijk</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>onbehoorlijk bestuur van Exiton Holding, waarvoor tevens [appellant] ex art 2:11</para>
        <para>BW aansprakelijk is, (b) dat [appellant] echter voldoende ontzenuwd heeft dat de</para>
        <para>kennelijke onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is</para>
        <para>geweest, (c) doch dat hem dit niet baat omdat de curator op grond van art. 2:248 lid 1</para>
        <para>BW voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke</para>
        <para>taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Redengevend</para>
        <para>voor deze laatste overweging is het door de curator gewraakte agiobesluit, waardoor de</para>
        <para>rekening-courantschuld van Exiton Holding aan de failliet van € 127.653,39 door</para>
        <para>verrekening is tenietgedaan en in plaats van die schuld een vordering van Exiton</para>
        <para>Holding op de failliet van € 107.990,16 is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank</para>
        <para>is onvoldoende weersproken dat dit agiobesluit een belangrijke oorzaak van het</para>
        <para>faillissement is geweest en getuigt de medewerking aan (de uitvoering van) dit besluit</para>
        <para>van kennelijk onbehoorlijk bestuur.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de grieven</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Hieronder wordt ingegaan op de van weerszijden aangevoerde grieven. Eerst</para>
      <parablock>
        <para>volgen twee overwegingen vooraf. De eerste is dat geen grief is gericht tegen het -</para>
        <para>hiervoor onder 3 (a) - bedoelde oordeel van de rechtbank dat, gezien de overschrijding</para>
        <para>van de publicatietermijn, sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur door Exiton</para>
        <para>Holding, waarvoor [appellant] ex art. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk is. De</para>
        <para>tweede voorafgaande overweging betreft het standpunt van de curator dat - door het in</para>
        <para>kracht van gewijsde gaan van het veroordelende vonnis ten aanzien van Exiton Holding</para>
      </parablock>
      <para>- die hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellant] ex art. 2:11 BW een gegeven is</para>
      <parablock>
        <para>en nog slechts de vraag rest of [appellant] zich kan disculperen. Dat standpunt is</para>
        <para>onjuist omdat de beslissing over de bestuurdersaansprakelijkheid van Exiton Holding</para>
        <para>geen gezag van gewijsde heeft in de relatie tot [appellant] , waardoor [appellant]</para>
        <para>vrij is in de betwisting van de aansprakelijkheid van Exiton Holding en die van hemzelf</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De grieven 1 tot en met VI in het principaal appel richten zich tegen de -</para>
      <para>hiervoor onder 3 (c) bedoelde - overweging dat de curator ex art. 2:248 lid 1 BW</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een kennelijk onbehoorlijke</para>
        <para>taakvervulling als oorzaak van het faillissement. [appellant] meent dat de rechtbank</para>
        <para>ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het agiobesluit. Hij benadrukt dat door dit</para>
        <para>besluit geen liquide middelen aan Exiton zijn onttrokken en stelt dat, het agiobesluit</para>
        <para>weggedacht, Exiton Holding slechts voor het door haar in maart en in mei 2012 aan</para>
        <para>Exiton betaalde bedrag van € 37.300,- verhaal zou hebben geboden. De juistheid van</para>
        <para>die laatste stelling is door de curator echter gemotiveerd betwist (vergelijk memorie van</para>
        <para>antwoord punt 8) en is ook overigens niet zonder meer aannemelijk (zie bijvoorbeeld</para>
        <para>ook de uitstaande vorderingen op HDE en [appellant] volgens de proef- en</para>
        <para>saldibalans per 12 juni 2012). Dit punt kan echter verder blijven rusten, aangezien de</para>
        <para>door de curator — ‘voor het geval het hof niet tot eenvoudige bekrachtiging van het</para>
        <para>vonnis van de rechtbank overgaat’ — aangevoerde grieven doel treffen. Met die grieven</para>
        <para>komt de curator op tegen de (aan de door [appellant] bestreden overweging</para>
        <para>voorafgaande) overweging - hierboven weergegeven onder 3 (b) - dat [appellant]</para>
        <para>het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW heeft ontzenuwd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Ter ontkrachting van bedoeld bewijsvermoeden heeft [appellant] als andere</para>
      <parablock>
        <para>faillissementsoorzaak genoemd, onder meer: ‘gewijzigde marktomstandigheden’. Naar</para>
        <para>hij stelt is vanaf november 2008 de markt ingeklapt, terwijl voordien juist sprake was</para>
        <para>van extreme groei. Volgens [appellant] heeft hij in reactie op die gewijzigde</para>
        <para>marktomstandigheden (en de andere door hem genoemde (externe) oorzaken, zoals de</para>
        <para>kostenstructuur, oninbare debiteuren, de crisis, liquiditeitskrapte en de onmogelijkheid</para>
        <para>deze te financieren) alles gedaan wat in zijn vermogen lag om de dreigende</para>
        <para>liquiditeitskrapte af te wenden en het bedrijf te redden. Nadat het in 2009 niet mogelijk</para>
        <para>bleek om bij IFN een hogere of betere financiering rond te krijgen, zijn alle</para>
        <para>inspanningen nog meer gericht geweest op het drukken van kosten, aldus Van der</para>
        <para>Hoogt. Dit wordt door de curator betwist. Als voorbeeld noemt de curator dat bij een</para>
        <para>beweerdelijk afwenden van de dreigende liquiditeitskrapte niet past dat de schuld van</para>
        <para>Exiton Holding aan Exiton niet is betaald. Dat daartoe ook vóór 2012 middelen hebben</para>
        <para>ontbroken is gesteld noch gebleken. Daarnaast wijst de curator op de management-fee</para>
        <para>die ten laste van Exiton is geboekt (in 2009 nog € 102.000) en de autokosten van meer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>dan € 30.000,- per jaar, ten behoeve van de (indirect) bestuurder van Exiton. Wat die</para>
        <para>autokosten betreft is de reactie van [appellant] dat in 2008, toen nog veel omzet</para>
        <para>werd gegenereerd met goede resultaten, een leaseverplichting is aangegaan ad</para>
        <para>€ 126.000,- te betalen over 4 jaar. De door hem als productie 26 bij conclusie van</para>
        <para>antwoord overgelegde jaarrekening van Exiton per 31 december 2009 vermeldt</para>
        <para>inderdaad (naast een negatief resultaat van € 323.969,- en een dividenduitkering van</para>
        <para>€ 120.000,-) leaseverplichtingen jegens (onder andere) BMW Group Financial Services</para>
        <para>B.V. (maandelijks € 3.103,- m.b.t. de 18-GPN-3) en de Volkswagen Bank (maandelijks</para>
        <para>€ 625,- m.b.t. de 48-HJP-7). Volgens [appellant] kon ‘men eenvoudigweg niet</para>
        <para>onder deze contracten uit’. Dit is echter een niet nader onderbouwde stelling, waarvan</para>
        <para>de juistheid niet zonder meer aannemelijk is. Over de management-fee heeft Van der</para>
        <para>Hoogt - in slechts algemene bewoordingen - opgemerkt dat deze niet buitensporig hoog</para>
        <para>was en dat er een overeenkomst aan ten grondslag lag uit hoofde waarvan Exiton</para>
        <para>verplicht was deze te voldoen. Gezien de zeggenschap die [appellant] had over</para>
        <para>zowel Exiton Holding als Exiton overtuigt dit argument evenmin, althans niet zonder</para>
        <para>nadere toelichting, die er niet is.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para>7. Ook overigens roept het verweer van [appellant] veel vragen op. Zo stelt hij</para>
      <parablock>
        <para>dat op het moment van het nemen van het agiobesluit (19 december 2011) Exiton</para>
        <para>Holding en hijzelf meenden dat ‘het lek boven was’. Door hem is echter niet toegelicht</para>
        <para>hoe zich dit verhoudt tot het uit de overgelegde balans per ultimo 2011 blijkende</para>
        <para>negatieve resultaat van € 100.020,- (en de niet bestreden vaststelling door de rechtbank</para>
        <para>dat sprake was van een negatief eigen vermogen van € 311.845,- tegenover een positief</para>
        <para>eigen vermogen een jaar daarvoor). En weliswaar bestrijdt [appellant] het door de</para>
        <para>curator veronderstelde/gesuggereerde verband tussen het agio-/ dividendbesluit en de</para>
        <para>kredietopzegging - volgens [appellant] is er geen enkele aanwijzing dat de bank</para>
        <para>enige handeling heeft verricht vanwege de agio-uitkering, in welk verband hij erop wijst</para>
        <para>dat de kredietopzegging van na het faillissement is - maar hij heeft niet bestreden (rov.</para>
        <para>4.13) dat toen hij in juni 2012 de cijfers over het eerste halfjaar van 2012 aan de ING-</para>
        <para>bank beschikbaar stelde, waarin de agioverrekening was verwerkt, de ING-bank</para>
        <para>kenbaar heeft gemaakt dat zij het krediet wilde opzeggen. Overigens volgt uit het eigen</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>verweer van [appellant] dat betalingen vanaf dat moment niet zonder meer meer</para>
        <para>werden gefiatteerd door de bank, hetgeen in een situatie van (zoals [appellant] zelf</para>
        <para>stelt) liquiditeitskrapte, feitelijk tot gevolg zal hebben dat lopende verplichtingen niet</para>
        <para>meer kunnen worden voldaan (hetgeen zich in dit geval volgens [appellant] ook</para>
        <para>heeft voorgedaan) zodat het faillissement onafwendbaar wordt, maar dit terzijde. Over</para>
        <para>de - door hem waarschijnlijk geachte - reden dat de bank het krediet niet per direct (op 5</para>
        <para>juni 2012) heeft opgezegd, heeft hij bij conclusie van antwoord (punt 23) een</para>
        <para>uiteenzetting gegeven. Hoe die uiteenzetting zich verhoudt tot zijn stelling in hoger</para>
        <para>beroep dat het de bank te doen was om herstel van rentabiliteit en het terugdringen van</para>
        <para>de handelscrediteurenpositie is door hem evenmin toegelicht, terwijl die toelichting wel</para>
        <para>op zijn plaats was geweest, mede gezien zijn stelling dat begin 2012 positieve cijfers</para>
        <para>weer haalbaar leken te worden en de verwachting voor 2012 was dat op zijn minst</para>
        <para>break-even zou worden gedraaid. Verder staat vast dat (door de algemene vergadering</para>
        <para>van aandeelhouders van Exiton, in de persoon van [appellant] ) twee dagen na het</para>
        <para>gesprek met de bank is besloten tot een faillissementsaanvraag. Ook tegen die</para>
        <para>achtergrond was meer informatie over de achtergrond van het door de bank kenbaar</para>
        <para>gemaakte voornemen tot kredietopzegging op zijn plaats geweest. In elk geval valt de</para>
        <para>(medewerking aan de) gewraakte verrekening, waarbij de vordering op Exiton Holding</para>
        <para>verwisselde in een schuld aan Exiton Holding en de solvabiliteit van Exiton</para>
        <para>verslechterde, slecht te rijmen met de stelling van [appellant] dat hij alles heeft</para>
        <para>gedaan wat in zijn vermogen lag om de dreigende liquiditeitskrapte af te wenden en het</para>
        <para>faillissement te voorkomen. Bij het afwenden van een dreigende liquiditeitskrapte past</para>
        <para>in zijn algemeenheid immers ook het nalaten van handelingen die de bereidheid van</para>
        <para>externe financiers om (tijdelijk) bij te springen negatief kunnen beïnvloeden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. De conclusie na het voorgaande moet zijn dat [appellant] er niet in is</para>
      <parablock>
        <para>geslaagd om het in art. 2:248, tweede lid, BW bedoelde bewijsvermoeden te</para>
        <para>ontzenuwen. Hij heeft onvoldoende aannemelijk weten te maken dat de door hem</para>
        <para>genoemde andere feiten of omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling een</para>
        <para>belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Bijvoorbeeld geldt dit voor zijn</para>
        <para>beroep op de kostenstructuur. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat die — de</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>agio-/dividendbeslissing weggedacht — werkelijk zodanig was dat deze, in combinatie</para>
        <para>met de verminderde omzet, een belangrijke faillissementsoorzaak heeft gevormd.</para>
        <para>Evenmin is [appellant] er in geslaagd om - tegenover het verwijt van de curator dat</para>
        <para>het bestuur heeft nagelaten het intreden van de gestelde andere oorza(a)k(en) te</para>
        <para>voorkomen - aannemelijk te maken dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling</para>
        <para>oplevert. Tegenover het verwijt dat is nagelaten om tijdig adequate maatregelen te</para>
        <para>nemen met het oog op de gewijzigde marktomstandigheden (zoals het snoeien in de</para>
        <para>kosten) is niet aannemelijk gemaakt dat die maatregelen wel naar behoren zijn</para>
        <para>genomen, dat althans het achterwege laten van die maatregelen geen onbehoorlijke</para>
        <para>taakvervulling oplevert. De maatregelen die [appellant] stelt te hebben genomen om</para>
        <para>te komen tot een omzetstijging respectievelijk kostenreductie kunnen, in het licht van de</para>
        <para>tegenwerpingen van de curator, niet worden aangemerkt als toereikend met het oog op</para>
        <para>het voorkomen van het intreden van de door [appellant] bedoelde andere</para>
        <para>faillissementsoorzaken. [appellant] heeft ook geen bewijs aangeboden, terwijl voor</para>
        <para>een ambtshalve bewijsopdracht geen aanleiding bestaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. De consequentie is dat [appellant] ex art. 2:248 lid; BW jo art. 2:11 BW</para>
      <parablock>
        <para>aansprakelijk is voor het faillissementstekort. [appellant] heeft nog wel een beroep</para>
        <para>gedaan op matiging, te weten in het kader van grief VII. De beslissing op dat beroep</para>
        <para>kan worden genomen in de schadestaatprocedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. De slotsom is dat de door de curator aangevoerde grieven in die zin slagen dat</para>
      <parablock>
        <para>de door haar ingestelde vordering alsnog op de primair grondslag toewijsbaar is. Er</para>
        <para>volgt daarom een bekrachtiging met aanvulling/wijziging van gronden. De grieven van</para>
        <para>
          [appellant] kunnen niet tot een andere uitkomst leiden en behoeven daarom na het</para>
        <para>voorgaande geen nadere bespreking. Ook aan de wijziging van eis (grief VII in het</para>
        <para>incidenteel appel) wordt niet toegekomen.</para>
        <para>
          [appellant] dient te worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en moet</para>
        <para>daarom de kosten van het hoger beroep dragen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, rechtdoende in hoger beroep, in het principaal en in het voorwaardelijk</para>
      <para>incidenteel appel:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover tussen partijen gewezen;</para>
    <para>- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op</para>
    <parablock>
      <para>heden aan de zijde van de curator bepaald op € 1601,= aan verschotten en op</para>
      <para>€ 894,= aan salaris voor de advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en</para>
      <para>uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>