<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2014:871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T14:23:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.130.624</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-03T16:35:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2014:871 Gerechtshof Den Haag , 25-03-2014 / 200.130.624</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2014:871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>pseudo-gevolmachtigde aansprakelijk voor betalingen met credit card?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2014:871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG       </title>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 200.130.624/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: 1243445 RL EXPL 13-4535</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>arrest van 25 maart 2014</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>International Card Services B.V., handelend onder de naam Visa Card Services,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: ICS,</para>
      <para>advocaat: mr. R. van Kessel te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [geïntimeerde],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [geïntimeerde]</para>
      <para>in hoger beroep niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij exploot van 15 juli 2013 is ICS in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 7 mei 2013</para>
      <para>en heeft daarbij twee grieven aangevoerd. Aan [geïntimeerde] is verstek verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft ICS overeenkomstig haar dagvaarding voor eis geconcludeerd en onder overlegging van stukken om arrest gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om het volgende:</para>
      <paragroup>
        <nr>1.1</nr>
        <para>ICS heeft een creditcard verstrekt op naam van mevrouw M.P. [geïntimeerde] en gezonden naar het adres waar op dat moment zowel [geïntimeerde] als zijn toenmalige partner M.P. [partner] (verder: [partner]) woonden. Ook de afzonderlijk verzonden brieven met de pin- en activeringscode zijn naar dat adres verzonden. Vervolgens zijn met de creditcard gedurende de periode 7 augustus 2009 tot en met 28 oktober 2009 uitgaven gedaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2</nr>
        <para>Naar aanleiding van de rekeningoverzichten, die door ICS werden verzonden naar bovengenoemd adres is ICS benaderd door [partner] met de mededeling dat niet zij, maar [geïntimeerde] de creditcard had aangevraagd en de uitgaven had gedaan. Uit onderzoek door ICS is gebleken dat de pincode en de credit card zijn geactiveerd vanaf een telefoonnummer dat op naam stond van [geïntimeerde]. De door ICS verzonden rekeningen zijn niet (volledig) voldaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2</nr>
        <parablock>
          <para>In deze procedure vordert ICS de veroordeling van [geïntimeerde] tot </para>
          <para>betaling van een bedrag van € 5.354,14, vermeerderd met rente over een bedrag van € 4.446,58, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten. ICS legde aan deze vordering ten grondslag dat het [geïntimeerde] is geweest die op naam van zijn toenmalige partner de creditcard-overeenkomst is aangegaan. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.3</nr>
        <para>Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van ICS afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe dat hoofdregel is dat wanneer iemand als gevolmachtigde in naam van een ander een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, de pseudo-gevolmachtigde niet wordt gebonden, daar de rechtshandeling niet in zijn naam is verricht. Waar [geïntimeerde] als pseudo-gevolmachtigde heeft te gelden, kan de vordering niet op nakoming worden gebaseerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1</nr>
        <para>In hoger beroep vordert ICS vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van haar inleidende vordering. Als grondslag voor deze grondslag stelt zij primair nakoming en subsidiair onrechtmatige daad.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
          <para>Terecht is geen grief gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat wanneer iemand als gevolmachtigde in naam van een ander een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, de pseudo-gevolmachtigde niet wordt gebonden omdat de rechtshandeling niet in zijn naam is verricht. Ook het hof gaat hiervan uit. Hierop strandt reeds nakoming als grondslag: ICS stelt immers dat [geïntimeerde] pseudo-gevolmachtigde was (immers: zonder toestemming van M.P. [geïntimeerde] op haar naam de overeenkomst is aangegaan), terwijl [geïntimeerde] geen partij is bij een eventuele creditcardovereenkomst tussen ICS en M.P. [geïntimeerde].</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3</nr>
        <para>Daarmee rijst de vraag of de vordering toewijsbaar is op de subsidiaire grondslag. ICS heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerde], met gebruikmaking van de gegevens van [partner] (kennelijk bedoelt ICS: M.P. [geïntimeerde]) een credit card heeft aangevraagd, geactiveerd en gebruikt. Aldus heeft [geïntimeerde], zo stelt ICS, jegens haar onrechtmatig gehandeld, omdat hij door het zich voordoen als zijnde [partner], ICS heeft bewogen tot het verstrekken van een credit card, waarmee vervolgens uitgaven zijn gedaan die onbetaald zijn gebleven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4</nr>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg mondeling geantwoord en verklaard dat hij en zijn toenmalige partner samen een credit card overeenkomst zijn aangegaan, waarvan zij samen gebruik hebben gemaakt. Het hof begrijpt uit deze verklaring dat [geïntimeerde] van mening is dat hij met toestemming van M.P. Baradas Pereira op haar naam een creditcardovereenkomst is aangegaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.5</nr>
        <para>Dit betekent dat het hof zonder bewijslevering niet als vaststaand kan aannemen dat [geïntimeerde] zonder toestemming van M.P. [geïntimeerde] op haar naam bij ICS een creditcard heeft aangevraagd. Indien [geïntimeerde] toestemming had van M.P. [geïntimeerde] om op haar naam een creditcard-overeenkomst aan te gaan met ICS, is sprake van bevoegde vertegenwoordiging en is van onrechtmatig handelen jegens ICS geen sprake. Dit wordt niet anders door het feit dat [geïntimeerde] heeft erkend dat hij de creditcard heeft gebruikt en evenmin door de omstandigheid dat van zijn rekening betalingen zijn gedaan aan ICS. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.6</nr>
        <para>Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, omdat ICS geen bewijsaanbod heeft gedaan en het hof geen aanleiding ziet ICS ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens ICS faalt ook de subsidiaire grondslag en daarmee het hoger beroep. ICS zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag van 7 mei 2013;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt ICS in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op nihil.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, R.S. van Coevorden en S.R. Mellema </para>
      <para>en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2014  in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>