<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2014:3851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-26T15:21:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHDHA:2014:3460</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22-004693-13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:3851">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:3851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-28T11:32:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2014:3851 Gerechtshof Den Haag , 16-10-2014 / 22-004693-13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2014:3851:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verdachte is primair ten laste gelegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen tot - kort gezegd – het verkopen van cocaïne en subsidiair het medeplegen van een poging tot het verkopen van cocaïne. </para>
      <para />
      <para>Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2014:3851:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Rolnummer:		22-004693-13 </para>
    <para>Parketnummer:		10-742563-12 </para>
    <para>Datum uitspraak:	16 oktober 2014</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Gerechtshof Den Haag</title>
    <para>meervoudige kamer voor strafzaken</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Arrest</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991, </para>
      <para>[adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 oktober 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Omvang van het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake van feit 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.<?linebreak?>hij op of omstreeks 20 december 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer handelshoeveelhe(i)d(en) en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), </para>
    </parablock>
    <para>- de/een inzittende(n) van een auto met Frans kenteken, in elk geval een buitenlands kenteken, gewenkt en/of (vervolgens) aangesproken en/of (daarbij) gezegd/gevraagd: "I have cocaïne" en/of "Okay, no problem. I have good cocaïne. My brother will bring and you can test it" en/of </para>
    <para>- ( vervolgens) aan die/een inzittende(n) voorgesteld en/of met die/een inzittende(n) afgesproken dat die inzittende(n) achter verdachte en/of haar mededader(s) aan zou(den) rijden naar een plaats of pand waar die/een inzittende(n) een dealer/verkoper van cocaïne zou(den) treffen en/of </para>
    <para>- ( vervolgens) die/een inzittende(n) een (zogenaamd) "gripzakje" (inhoudende een witte substantie) overhandigd en/of </para>
    <para>- ( vervolgens) die/een inzittende(n) gezegd dat men zelfs twintig kilo zou kunnen leveren; </para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>subsidiair:</para>
      <para>
        <?linebreak?>hij op of omstreeks 20 december 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk te verkopen en/of af te leveren en/of te verstrekken aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], (beiden) hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond, één of meer gebruikershoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers heeft hij verdachte, en/of (één of meer van) verdachtes mededaders, opzettelijk </para>
    </parablock>
    <para>- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] aangesproken en/of daarbij gezegd/gevraagd: "I have cocaïne" en/of ""Okay, no problem. I have good cocaïne. My brother will bring and you can test it" en/of </para>
    <para>- ( vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] voorgesteld en/of afgesproken achter verdachte en/of haar mededader te rijden naar een plaats of pand waar [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] een daeler/verkoper van cocaïne zou(den) treffen en/of </para>
    <para>- ( vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] een (zogenaamd) "gripzakje" (inhoudende een witte substantie) overhandigd en/of</para>
    <para>- ( vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] gezegd dat men zelfs twintig kilo zou kunnen leveren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is primair ten laste gelegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen tot - kort gezegd – het verkopen van cocaïne en subsidiair het medeplegen van een poging tot het verkopen van cocaïne. </para>
      <para>Het hof is van oordeel dat het dossier, zoals daarvan is gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting, geen wettig en overtuigend bewijs bevat voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Het hof overweegt daartoe als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2012 (nr. PL17P0 2012577448-12), heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat van een voor het tenlastegelegde medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] sprake is geweest. </para>
      <para>Op voet van het in dit proces-verbaal gerelateerde, vloeit de aan de verdachte toe te rekenen bewuste en nauwe samenwerking in overwegende mate voort uit diens uitlatingen. Het komt naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak derhalve aan op de aan deze uitlatingen toe te kennen betekenis en dat vergt een zorgvuldige verslaglegging in het proces-verbaal, niet alleen van de bewoordingen waarin waargenomen uitlatingen zijn gevat, maar ook van degene(n) die aan het woord is of zijn. </para>
      <para>Afgezien van één uitlating die de verdachte als enige heeft gedaan, gaat het steeds om uitlatingen die hij woordelijk gelijkluidend en tegelijk met [medeverdachte 1] tot de verbalisanten heeft gericht. Het hof acht het hoogstuitzonderlijk dat beide verdachten zich steeds woordelijk gelijkluidend en tegelijk hebben uitgelaten, maar acht dat op zichzelf niet voldoende reden om aan de inhoud van dit proces-verbaal voorbij te gaan. </para>
      <para>Ronduit onaannemelijk is echter dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] zou hebben gezegd dat de verbalisanten [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] moesten wachten op <emphasis role="italic">zijn broer</emphasis>, zoals toch zou volgen uit het in voornoemd proces-verbaal opgenomen ambtsedig relaas :”Wij hoorden [medeverdachte 1] en [verdachte] zeggen dat wij moesten wachten op zijn broer (…).”. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat er niet voetstoots van kan worden uitgegaan dat de in het proces-verbaal gerelateerde en mede aan de verdachte toegeschreven uitlatingen met de vereiste zorgvuldigheid zijn opgenomen. Dientengevolge is uit dit proces-verbaal onvoldoende duidelijk of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en dient de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en <emphasis role="bold">spreekt de verdachte</emphasis> daarvan <emphasis role="bold">vrij</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M. Mees, </para>
      <para>in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 oktober 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. M. Mees is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>