<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2014:2860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:17:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.122.199-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2014/222</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2860">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-08T10:39:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2014:2860 Gerechtshof Den Haag , 08-07-2014 / 200.122.199-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2014:2860:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurder gedetineerd, niet langer hoofdverblijf, beeindiging huurovereenkomst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2014:2860:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>arrest</para>
  <section>
    <title>GERECHTSHOF DEN HAAG</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer : 200.122.199/0 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rolnummer rechtbank : 1356358 CV EXPL 12-30829</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>arrest van 8 juli 2014</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [appellante 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [plaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante 1] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [geïntimeerde] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats].</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. G.R. Stolk te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante 1] heeft bij exploot van 5 februari 2013 [geïntimeerde] in hoger beroep gedagvaard. Bij</para>
      <para>memorie van grieven heeft zij zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank</para>
      <para>Rotterdam, sector kanton, van 14 december 2012. Bij memorie van antwoord met één</para>
      <para>productie heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken</para>
      <para>overgelegd en arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat het hof</para>
        <para>ook daarvan uitgaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [geïntimeerde] en [appellante 1] hebben op 22 juni 2006 een huurovereenkomst gesloten met</para>
          <para>betrekking tot de woning aan de [adres] .</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>In de huurovereenkomst zijn - voor zover van belang-  de volgende bepalingen</para>
          <para>opgenomen:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Artikel 2</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het gehuurde is uitsluitend bestemd om voor huurder en de leden van zijn huishouden als woonruimte</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">te dienen.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Artikel 7</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">7.1.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Op deze overeenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 01 januari</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">2004 van verhuurster van toepassing.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.</nr>
        <parablock>
          <para>In de Algemene Huurvoorwaarden zijn, voor zover relevant, de volgende bepalingen</para>
          <para>opgenomen:</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>8.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">bestemming van woonruimte gebruiken.</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>8.10.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Huurder mag niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurster het gehuurde</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">in zijn geheel of gedeeltelijk onderverhuren of in gebruik geven aan derden. Voor het onderverhuren</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">of in gebruik geven van een gedeelte van het gehuurde zal verhuurster die toestemming geven mits</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">huurder zelf het gehuurde als hoofdverblijf heeft en er geen sprake is van overbewoning waardoor</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">verhuurster schade zou kunnen lijden.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [geïntimeerde] is in november 2010 in voorlopige hechtenis genomen wegens verdenking van</para>
          <para>overtreding van de Opiumwet.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Op het adres van de door [geïntimeerde] gehuurde woning heeft mevrouw [… 1] van 22</para>
          <para>februari 2011 tot 8 december 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven</para>
          <para>gestaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij brief van 28 november 2011, gericht aan mevrouw [… 1] , heeft</para>
          <para>deurwaarderskantoor een betalingsregeling bevestigd terzake van de huurachterstand met</para>
          <para>betrekking tot de gehuurde woning aan de [adres] . [geïntimeerde] is deze betalingsregeling</para>
          <para>nagekomen en heeft de achterstand ingelopen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.7.</nr>
        <parablock>
          <para>Op 16 januari 2012 heeft [appellante 1] bij aangetekende brief aan [geïntimeerde] geschreven, voor</para>
          <para>zover relevant:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Er is geconstateerd dat uw woning een onbewoonde indruk maakt. In de huurovereenkomst is</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">afgesproken dat u  uw hoofdverblijf op de [adres] dient te hebben en de</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">woning ook daadwerkelijk zelf dient te bewonen.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ik verzoek u dan ook dringend per direct uw woning aan de [adres] als</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">hoofdverblijf in gebruik te nemen.”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.</nr>
        <parablock>
          <para>Eneco heeft bij brief van 14 februari 2012 de heer [… 2] verwelkomd als klant op</para>
          <para>het adres [adres] .</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.9.</nr>
        <parablock>
          <para>Met ingang van 1 mei 2012 is de voorlopige hechtenis geschorst en is [geïntimeerde]</para>
          <para>(vervroegd) in vrijheid gesteld in afwachting van het strafproces.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.10.</nr>
        <parablock>
          <para>Op 20 december 2012 is [geïntimeerde] door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf</para>
          <para>van 5 jaar en weer in detentie genomen. Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep</para>
          <para>ingesteld.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.11.</nr>
        <parablock>
          <para>
            [appellante 1] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter en gevorderd de tussen</para>
          <para>partijen gesloten huurovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen tot ontruiming van</para>
          <para>de door hem gehuurde woning. Bij verstekvonnis van 27 april 2012 heeft de kantonrechter de</para>
          <para>vorderingen toegewezen. Bij exploot van 16 mei 2012 is [geïntimeerde] bevolen de gehuurde woning</para>
          <para>te ontruimen met aanzegging dat bij niet voldoening aan dit bevel de ontruiming zal</para>
          <para>plaatsvinden op 31 mei 2012. [geïntimeerde] heeft bij exploot van 5 juni 2012 [appellante 1] gedagvaard</para>
          <para>in kort geding en gevorderd [appellante 1] te verbieden het vonnis van 27 april 2012 te</para>
          <para>executeren totdat in de verzetprocedure door de rechtbank is beslist. Bij dagvaarding van 6</para>
          <para>juni 2012 is [geïntimeerde] tijdig in verzet gekomen van dit vonnis. Bij vonnis van 22 juni 2012</para>
          <para>heeft de voorzieningenrechter in het executiegeschil de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en</para>
          <para>de tenuitvoerlegging van het vonnis van 27 april 2012 geschorst totdat in de verzetprocedure</para>
          <para>is beslist. De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 14 december 2012 het verstekvonnis</para>
          <para>vernietigd en de vorderingen alsnog afgewezen. Hij heeft aan die beslissing -kort samengevat- </para>
          <para>ten grondslag gelegd dat, ondanks het schenden van de verplichting om</para>
          <para>hoofdverblijf in het gehuurde te hebben, er geen sprake was van een zodanige tekortkoming</para>
          <para>dat een ontbinding gerechtvaardigd was vanwege: i) het karakter van de voorlopige hechtenis</para>
          <para>en ii) het feit dat [appellante 1] reeds in januari 2011 wist dat [geïntimeerde] zich in voorlopige</para>
          <para>hechtenis bevond, maar daarin tot en met 2012 geen aanleiding zag om tot een beëindiging</para>
          <para>van de huurovereenkomst te komen. [appellante 1] had daarnaast onvoldoende onderbouwd dat</para>
          <para>sprake was van onderhuur. In hoger beroep heeft [appellante 1] gevorderd het vonnis in de</para>
          <para>verzetzaak te vernietigen en het verstekvonnis te bekrachtigen, met veroordeling van [geïntimeerde]</para>
          <para>in de kosten van de procedure in twee instanties.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Grieven 1 en 3 betreffen de vraag of het juist is dat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf gedurende</para>
          <para>een bepaalde periode niet in de gehuurde woning heeft gehad en zo ja, of hij daardoor tekort</para>
          <para>is geschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en of dit de ontbinding van de</para>
          <para>huurovereenkomst rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW). Alhoewel [geïntimeerde] niet heeft betwist</para>
          <para>dat hij (contractueel) gehouden is het gehuurde zelf te bewonen, overweegt het hof</para>
          <para>volledigheidshalve als volgt. Uitgangspunt is dat een crediteur in het algemeen niet tot</para>
          <para>uitoefening van zijn rechten verplicht kan worden. De verplichting van de huurder om van</para>
          <para>zijn rechten om van de woning daadwerkelijk gebruik te maken kan echter onder</para>
          <para>omstandigheden wel voortvloeien uit artikel 7:213 BW. De verhuurder mag van de huurder</para>
          <para>verwachten dat deze handelt in overeenstemming met de voor de huurder kenbare redelijke</para>
          <para>en zwaarwegende belangen van de verhuurder bij het voorkomen van de negatieve gevolgen</para>
          <para>die verbonden zijn aan het niet-gebruiken van de zaak. Voor de huur van woonruimte geldt</para>
          <para>dat de verhuurder er doorgaans belang bij zal hebben dat de huurder door zijn hoofdverblijf</para>
          <para>te hebben in het gehuurde feitelijk de verantwoordelijkheid kan blijven nemen voor hetgeen</para>
          <para>in en aan het gehuurde gebeurt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Allereerst rijst de vraag of [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf elders heeft (gehad). Het antwoord</para>
          <para>op die vraag wordt niet alleen bepaald door de intentie van de huurder, maar ook door de</para>
          <para>concrete feiten en omstandigheden rond het gebruik van de gehuurde woning en de</para>
          <para>leefsituatie van de huurder. Vast staat dat [geïntimeerde] in verband met zijn detentie gedurende een</para>
          <para>periode van meer dan 18 maanden (november 2010 - mei 2012) niet zelf in de door hem</para>
          <para>gehuurde woning heeft gewoond. Bovendien is [geïntimeerde] in december 2012 weer in detentie</para>
          <para>genomen en heeft hij dus sindsdien tot in elk geval augustus 2013 (in welke maand de MvA</para>
          <para>is genomen) weer in hechtenis gezeten, met dien verstande dat hij naar eigen zeggen vanaf</para>
          <para>juni 2013 periodiek met verlof mocht. Het hof acht deze periode van niet-gebruik voldoende</para>
          <para>lang om te concluderen dat [geïntimeerde] gedurende deze periode zijn hoofdverblijf elders had, ook</para>
          <para>al heeft hij al die tijd de intentie gehad terug te keren naar de gehuurde woning. Het hof</para>
          <para>oordeelt dat [geïntimeerde] zich door het niet gebruiken van de woning niet heeft gedragen als goed</para>
          <para>huurder en derhalve tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de</para>
          <para>huurovereenkomst.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 6:265 BW levert iedere tekortkoming in een van de verbintenissen</para>
          <para>uit overeenkomst grond voor ontbinding op. Daarbij is in beginsel niet van belang of de</para>
          <para>tekortkoming de huurder kan worden toegerekend. Het kan wel zijn dat de tekortkoming</para>
          <para>vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet</para>
          <para>rechtvaardigt. Het is aan [geïntimeerde] daarvoor feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te</para>
          <para>bewijzen. Het hof is van oordeel dat de argumenten die [geïntimeerde] heeft aangevoerd niet de</para>
          <para>conclusie kunnen dragen dat sprake is van de uitzonderingssituatie van lid 1 van artikel</para>
          <para>6:265 BW omdat de verplichting van de huurder om het gehuurde te bewonen en zich als</para>
          <para>goed huurder te gedragen een kernverplichting is van de huurovereenkomst en het niet</para>
          <para>gebruiken van de woning geen incidenteel karakter had. Het feit dat het strafvonnis niet in</para>
          <para>kracht van gewijsde is gegaan in verband met het door [geïntimeerde] ingestelde appel maakt het</para>
          <para>voorgaande niet anders omdat ook als het vonnis zal worden vernietigd dit nog steeds</para>
          <para>meebrengt dat [geïntimeerde] gedurende een lange periode niet in het gehuurde heeft gewoond. In</para>
          <para>zoverre is sprake van een onomkeerbare en niet voor herstel vatbare tekortkoming in de</para>
          <para>nakoming van de huurovereenkomst. Om dezelfde reden faalt het betoog van [geïntimeerde] dat,</para>
          <para>hangende de procedure in hoger beroep, het hof in de strafzaak periodiek toetst of hij weer</para>
          <para>naar huis mag, dat vanaf juni 2013 er weer sprake is van zelfbewoning in verband met de</para>
          <para>BBI regeling die vanaf 3 juni 2013 volgens [geïntimeerde] van toepassing is en de ZBBI waar [geïntimeerde]</para>
          <para>naar eigen zeggen vanaf 29 juli 2013 voor in aanmerking komt. Tevens weegt het hof mee</para>
          <para>dat [appellante 1] als woningcorporatie, die rekening moet houden met woningschaarste en</para>
          <para>wachttijden, een legitiem belang heeft bij daadwerkelijk gebruik van de verhuurde woningen</para>
          <para>door haar huurders en dat van haar in redelijkheid, zoals [appellante 1] terecht heeft aangevoerd,</para>
          <para>niet kan worden verwacht dat zij een sociale huurwoning langdurig leeg laat staan. Dat</para>
          <para>
            [appellante 1] dit argument eerst voert in hoger beroep, zoals [geïntimeerde] heeft betoogd, is niet</para>
          <para>relevant omdat het hoger beroep juist dient als herkansing en het partijen vrij staat in hoger</para>
          <para>beroep de gronden, weren en argumenten aan te vullen dan wel te wijzigen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.</nr>
        <parablock>
          <para>Ten slotte heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat dient te worden mee gewogen dat [appellante 1]</para>
          <para>op 20 januari 2011 wist dat [geïntimeerde] in november 2010 in detentie was genomen, dat zij</para>
          <para>desondanks een betalingsregeling heeft getroffen en eerst pas bij dagvaarding van 15 maart</para>
          <para>2012 de ontbinding heeft gevorderd op grond van schending van de verplichting tot</para>
          <para>zelfbewoning. Het hof verwerpt dit verweer omdat [appellante 1] in januari 2011 niet kon</para>
          <para>voorspellen hoe lang [geïntimeerde] niet zelf in de woning zou verblijven en kortstondige detentie</para>
          <para>van de huurder in beginsel niet snel tot gevolg zal hebben dat de huurder niet langer zijn</para>
          <para>hoofdverblijf heeft in de gehuurde. In maart 2012 was er in de visie van [appellante 1] kennelijk</para>
          <para>wel sprake van een zodanig lange afwezigheid dat ontbinding gerechtvaardigd was.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.</nr>
        <parablock>
          <para>De slotsom luidt dat [appellante 1] voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een</para>
          <para>tekortkoming van [geïntimeerde] , terwijl de uitzonderingssituatie van artikel 6:265 lid 1 BW zich</para>
          <para>niet voordoet. De gevorderde ontbinding zal daarom worden toegewezen. De grieven 1</para>
          <para>en 3 slagen mitsdien. De discussie tussen partijen met betrekking tot de vraag of er al dan niet</para>
          <para>sprake is geweest van onderhuur -de vraag die de grieven 2 en 4  aan de orde stellen- kan</para>
          <para>daarom onbesproken worden gelaten. Het bewijsaanbod dat [appellante 1] terzake heeft gedaan</para>
          <para>is daarmee niet relevant meer, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Grieven 5 en 6 hebben</para>
          <para>geen zelfstandige betekenis.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Het vorenoverwogene heeft tot gevolg dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven</para>
          <para>en dat de in eerste aanleg gevorderde ontbinding en ontruiming alsnog zullen worden</para>
          <para>toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten</para>
          <para>van de eerste aanleg en van het hoger beroep zoals hierna in het dictum is bepaald.</para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">opnieuw rechtdoende;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde aan de</para>
    <parablock>
      <para>
        [adres] en veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na</para>
      <para>betekening van dit arrest het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege </para>
      <para>
        [geïntimeerde] daar bevinden en het gehuurde onder afgifte van de sleutels ter beschikking</para>
      <para>van [appellante 1] te stelten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- veroordeelt [geïntimeerde] in kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [appellante 1] vastgesteld</para>
    <parablock>
      <para>op een bedrag van € 199,64 aan verschotten en € 300,00 aan salaris gemachtigde en in het</para>
      <para>hoger beroep vastgesteld op een bedrag van € 775,82 aan verschotten en een bedrag van</para>
      <para>€ 894,00 aan salaris advocaat;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en T.G.</para>
      <para>Lautenbach en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014 in aanwezigheid</para>
      <para>van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>