<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2014:2299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:05:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.141.503/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656">Burgerlijk Wetboek Boek 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=150">Burgerlijk Wetboek Boek 1 150</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0030068">Burgerlijk Wetboek Boek 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0030068&amp;artikel=6">Burgerlijk Wetboek Boek 10 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2014/4705</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2017/7 met annotatie van mr. dr. I. Sumner</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2014-0186</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2299">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-10T14:51:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2014:2299 Gerechtshof Den Haag , 25-06-2014 / 200.141.503/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2014:2299:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schijnhuwelijk. Awijzing op die grond van verzoek tot echtscheiding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2014:2299:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Afdeling Civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak	: 25 juni 2014</para>
      <para>Zaaknummer	: 200.141.503/01</para>
      <para>Rekestnummer rechtbank	: FA RK 13-5791 </para>
      <para>Zaaknummer rechtbank	: C/09/447652</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de man],</para>
      <para>wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat mr. S. Bhulai te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de vrouw],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat  mr. A. Klomp-Kraal te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De man is op 5 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 november 2013 van de rechtbank Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:</para>
      <para>van de zijde van de man:</para>
    </parablock>
    <para>- op 18 februari 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op woensdag 21 mei 2014 mondeling behandeld.</para>
      <para>Ter zitting waren aanwezig:</para>
    </parablock>
    <para>- de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer D.J. Doets, tolk in de Arabische taal.</para>
    <para>- de vrouw, bijgestaan door mr. K.J. Kerdel, waarnemend voor mr. A. Klomp-Kraal, en de heer<?linebreak?>H.F. Vuijk, tolk in de Poolse taal.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij die beschikking heeft de rechtbank het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding en het treffen van een nevenvoorziening, afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>In geschil is de afwijzing van het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, voor zover bestreden, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>De vrouw verzet zich hiertegen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De man stelt zich allereerst op het standpunt dat de rechtbank zijn  antwoorden, die hij ter zitting in eerste aanleg heeft gegeven, op een verkeerde manier heeft geplaatst en geïnterpreteerd. Volgens de man beheerst hij de Nederlandse taal onvoldoende om in een context vragen te begrijpen en te analyseren. Als vragen te moeilijk en ingewikkeld worden is hij geneigd deze bevestigend te beantwoorden. Ter zitting was geen tolk aanwezig, omdat het ging om een gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek, waarin dergelijke vragen niet waren verwacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. De procedure in hoger beroep heeft mede tot doel fouten en verzuimen bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg te herstellen. Nu de man in hoger beroep is bijgestaan door een tolk is de omissie in eerste aanleg,  indien daar al sprake van was, hersteld. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat deze grief van de man niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.</nr>
      <para>Voorts is de man van mening dat geen sprake is van een schijnhuwelijk tussen hem en de vrouw. Hij voert daartoe aan dat hij de vrouw reeds voor het huwelijk kende en hij een korte periode met de vrouw heeft samengewoond. Ook was sprake van een affectieve relatie tussen partijen. Dat de relatie niet goed is verlopen, neemt volgens de man niet weg dat sprake was van een echt huwelijk. De man betwist dat hij de vrouw heeft betaald om aan zijn verblijfsrecht te komen. Hij heeft weliswaar een aantal schulden van de vrouw afbetaald, maar dat was slechts om te voorkomen dat hij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zou worden gesteld. Verder stelt de man dat hij na het sluiten van het huwelijk de originele huwelijksakte onverwijld bij de IND heeft ingeleverd.  Pas bij zijn voornemen om te scheiden begreep de man dat hij in de registers niet was ingeschreven als zijnde gehuwd. De man is van mening dat de vrouw andere belangen heeft bij de ontkenning van de affectieve relatie van partijen. Indien de rechtsgeldigheid van het huwelijk wordt vastgesteld, dient de vrouw haar (alleenstaande) bijstandsuitkering terug te betalen. Daarnaast levert een niet rechtsgeldig huwelijk minder problemen op bij de erkenning van [de zoon van de vrouw], het uit de vrouw geboren kind, door de Poolse ex-partner van de vrouw. Tot slot heeft de man, anders dan in eerste aanleg en in zijn hoger beroepschrift, ter terechtzitting verklaard wel degelijk de biologische vader van [de zoon van de vrouw] te zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.</nr>
      <para>De vrouw voert aan dat zij de man destijds heeft willen helpen met de verkrijging van zijn verblijfsvergunning. Van een affectieve relatie is volgens de vrouw geen sprake geweest. Ook hebben partijen feitelijk niet samengewoond. De vrouw heeft zich in februari 2011 van het adres van de man uit laten schrijven. Daarnaast heeft de man haar geholpen door een aantal schulden te betalen. Volgens de vrouw heeft de man doen voorkomen dat zij door te tekenen bij de Egyptische ambassade zou tekenen voor het verblijf van de man  in Nederland. De vrouw heeft nooit de wens gehad of weet gehad van het feit dat zij met de man in het huwelijk is getreden. De vrouw is van het huwelijk op de hoogte gekomen, doordat zij via de gemeente het bericht ontving dat zij als gehuwd stond geregistreerd met de man. De man heeft het huwelijk pas in december 2012 laten registreren. Haar zoontje [de zoon van de vrouw] is uit een relatie met een Poolse man  geboren, aldus de vrouw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof zijn door de man in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat de door partijen afgelegde verklaringen ten aanzien van hun woonsituatie ten tijde van de huwelijksdatum elkaar tegenspreken. Zo stelt de man dat hij feitelijk met de vrouw op één adres heeft samengewoond, terwijl de vrouw verklaart dat partijen slechts op één adres ingeschreven  hebben gestaan maar zij daar nooit geweest is. Nu de man zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat het hof er vanuit dat partijen nooit feitelijk met elkaar hebben samengewoond. Voorts weegt het hof mee dat de man ter zitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg en in zijn hoger beroepschrift, heeft verklaard dat hij de biologische vader van [de zoon van de vrouw] is. Het hof acht deze nieuwe verklaring – mede in het licht van de onweersproken stelling van de vrouw dat zij nimmer met de man gemeenschap heeft gehad – niet geloofwaardig. Zulks geldt temeer waar de man, die in eerste aanleg toch werd bijgestaan door een eigen advocaat, geen steekhoudende verklaring heeft kunnen geven voor deze van het in gemeenschappelijk verzoekschrift ingenomen standpunt afwijkende stellingname.  Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het huwelijk tussen partijen slechts is aangegaan om de man een verblijfsstatus te bezorgen en derhalve sprake is van een schijnhuwelijk. Nu erkenning van dit schijnhuwelijk in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde komt het onderhavige huwelijk niet voor erkenning in aanmerking en kan niet worden toegekomen aan een verdere beoordeling van het echtscheidingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt het hof dat ook in hoger beroep niet is gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De grond voor de toewijzing van het verzoek tot echtscheiding ontbreekt derhalve. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.</nr>
      <para>Mitsdien wordt als volgt beslist. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING OP HET HOGER BEROEP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de bestreden beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van den Wildenberg en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr.  Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>