<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-26T13:54:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:GHDHA:2013:663</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ7162</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.075.253/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:04:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162 Gerechtshof Den Haag , 12-02-2013 / 200.075.253/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>huur, onderhuur</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7162:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF DEN HAAG</para>
      <para>Afdeling Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Zaaknummer		: 200.075.253/01</para>
    <para />
    <para>Rol-/zaaknummer rechtbank	: 925346 CV EXPL 08-35427 </para>
    <para />
    <para>arrest d.d. 12 februari 2013</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant]</para>
      <para>wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>advocaat: mr. E.G. Karel te Middelharnis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>VERENIGING VRIENDEN VAN SAUNA FINLAND, </para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: de Vereniging,</para>
      <para>advocaat: mr. L. Hennink te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Het geding</para>
    <para />
    <para>Bij exploot van 4 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 30 juli 2010 dat de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Vereniging heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.  </para>
    <para />
    <para>Beoordeling van het hoger beroep</para>
    <para />
    <para>1.	[appellant] is bestuurder geweest van de Stichting Beheerstichting Sauna Finland (hierna: de Stichting). Deze stichting was in eerste aanleg medegedaagde, naast [appellant]. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, voor zover in appel relevant, op vordering van de Vereniging voor recht verklaard dat de Vereniging de huurster is van de onroerende zaak aan de [A-straat 1] te [plaats] (hierna: het pand). Voorts heeft de kantonrechter aan de Stichting en aan [appellant] een verbod opgelegd om het pand te betreden of te laten betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en zijn de Stichting en [appellant] in de proceskosten van de Vereniging veroordeeld.</para>
    <para />
    <para>2.	[appellant] komt niet op tegen de verklaring voor recht dat de Vereniging de huurster is van het pand. Dit staat in dit geding tussen deze partijen dus vast. Wel grieft [appellant] tegen het aan hem opgelegde verbod om het pand te betreden of te laten betreden (grief 1). Volgens [appellant] zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld die dit verbod rechtvaardigen. De grief faalt. In het midden kan blijven of [appellant] zich op enig moment al dan niet met geweld de toegang tot het pand heeft verschaft, zoals de Vereniging stelt en [appellant] betwist. Van belang is dat uit de door [appellant] niet, althans onvoldoende weersproken stellingen van de Vereniging in eerste aanleg kan worden afgeleid dat het binnentreden (evenals het daarna wijzigen van de sloten) geschiedde tegen de wil van de Vereniging. [appellant] stelt dat hij handelde als bestuurder van de Stichting en dat hij er op dat moment van mocht uitgaan dat de Stichting de rechtmatige huurder was. Uit hetgeen in het bestreden vonnis is vermeld omtrent de uitspraak van 9 april 2010 in een tussen OBR, de eigenaresse van het pand, en de Stichting gevoerde procedure, volgt echter dat hem bekend was dat (ook) de Vereniging als (toenmalig) onderhuurster rechten had ten aanzien van het pand. Het staat een onderverhuurder niet zonder meer vrij zich tegen de wil van de onderhuurder de toegang te verschaffen tot het gehuurde. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij het pand onrechtmatig heeft betreden. [appellant] heeft voorts niet gesteld, laat staan onderbouwd, waarom hij er belang bij heeft het pand te kunnen betreden. Dit in aanmerking genomen, alsmede in aanmerking genomen de voortdurende onenigheid tussen partijen omtrent het pand in het verleden, bestond en bestaat naar het oordeel van het hof voldoende grond voor het opgelegde, met dwangsom bedreigde verbod. Tegen de hoogte van de dwangsom als zodanig zijn geen klachten gericht.  </para>
    <para />
    <para>3.	[appellant] betoogt voorts dat hij in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld (grief 2). Ook deze grief slaagt niet. Reeds vanwege de toewijzing van de eerste vordering van de Vereniging (verklaring voor recht dat zij huurder is van het pand), bestond voor deze proceskostenveroordeling voldoende grond.  </para>
    <para />
    <para>2.	De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten van de Vereniging in hoger beroep zal worden veroordeeld.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	bekrachtigt het bestreden vonnis; </para>
      <para>-	veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Vereniging begroot op € 263,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van de Ven, A.E.A.M. van Waesberghe en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2013 in aanwezigheid van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>