<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:43:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV5463</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">P11/0532</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:40:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463 Gerechtshof Arnhem , 23-01-2012 / P11/0532</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tweede toetsingsverzoek ISD-maatregel toch ontvankelijk als procedure bij de rechtbank en het gerechtshof bij het eerste verzoek tot tussentijdse toetsing lang heeft geduurd? </para>
      <para />
      <para>Het hof heeft de rechtmatigheid van de maatregel bij de eerste tussentijdse toetsing ex nunc getoetst. Hoewel later dan wenselijk is er toen inhoudelijk beoordeeld of voortzetting van de maatregel op dat moment noodzakelijk was. Gelet hierop is er, ook in het licht van art. 5, vierde lid EVRM, geen reden om in dit geval een ruimere uitleg te geven aan art. 38s, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARN:2012:BV5463:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>ISD P11/0523 </para>
      <para>Beslissing d.d. 23 januari 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(naam betrokkene),</para>
      <para>geboren te (plaats) op (datum),</para>
      <para>verblijvende in (verblijfplaats).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Groningen van 4 augustus 2011, houdende de niet ontvankelijk verklaring van het verzoek tot het tussentijds beoordelen van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:</para>
      <para>- de beslissing van het gerechtshof Arnhem van 12 mei 2011;</para>
      <para>- het verzoekschrift van mr W. Chr. de Roos tot een tussentijdse beoordeling van de maatregel, gedateerd 20 mei 2011 en ingekomen op 23 mei 2011;</para>
      <para>- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;</para>
      <para>- de beslissing waarvan beroep;</para>
      <para>- de akte van hoger beroep van de betrokkene van 16 augustus 2011.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hof heeft ter terechtzitting van 23 januari 2012 gehoord de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr W. Chr. de Roos, advocaat te Groningen en de advocaat-generaal mr A.A. Schut. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen:</para>
      <para>Het standpunt van het Openbaar Ministerie</para>
      <para>Het verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De wet bepaalt, dat na zes maanden na het onherroepelijk worden van een eerdere tussentijdse beoordeling van de maatregel opnieuw een verzoek tot een dergelijke beoordeling kan worden gedaan. Het onderliggende verzoek is gedaan 8 dagen na de beslissing van het gerechtshof inzake een eerdere tussentijdse beoordeling. </para>
      <para>Een beroep op schending van art. 5 lid 4 EVRM gaat niet op nu de rechtmatigheid van de maatregel reeds meerdere keren is beoordeeld. Eerst door het college dat de maatregel heeft opgelegd en daarna bij de tussentijdse beoordelingen door de rechtbank en het gerechtshof. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsman</para>
      <para>Volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 38s zou betrokkene pas op 12 november 2011 opnieuw een verzoek tot een tussentijdse beoordeling hebben kunnen indienen. Dan pas een nieuw verzoek indienen zou niet opportuun zijn geweest omdat de maatregel op 3 februari 2012 afloopt. Doordat de vorige toetsingsprocedure zowel bij de rechtbank als het hof te veel tijd in beslag heeft genomen, is aan betrokkene de kans ontnomen om met inachtneming van de termijnen van artikel 38 Wetboek van Strafrecht een tweede en wellicht een derde keer een verzoek te doen om de noodzaak van voortzetting van de maatregel te beoordelen. Daarom dient het toetsingsverzoek van 20 mei 2011 wel ontvankelijk te worden geacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van het hof</para>
      <para>Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het volgende zij nog opgemerkt. Bij zijn beslissing van 12 mei 2011 op het beroep tegen de beslissing van de rechtbank van 28 oktober 2010 heeft het gerechtshof de rechtmatigheid van de maatregel ex nunc getoetst, zoals blijkt uit de in de beslissing van het hof genoemde processtukken, waaronder de rapportage van de PI Achterhoek van 18 april 2011 en de overweging van het hof, waarin het hof met een verwijzing naar die rapportage de beslissing van de rechtbank onderschrijft dat zich niet de situatie voordoet dat het niet aan betrokkene te wijten is dat het re-integratietraject (nog) niet is geslaagd. Daaruit blijkt dat toen- hoewel later dan wenselijk - inhoudelijk is beoordeeld of voortzetting van de maatregel op dat moment noodzakelijk was. Gelet hierop is er, ook in het licht van artikel 5, vierde lid EVRM, geen reden om in dit geval een ruimere uitleg te geven aan art. 38s, tweede lid Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de beslissing van de rechtbank Groningen van 4 augustus 2011 met betrekking tot betrokkene (naam betrokkene).</para>
    <para />
    <para />
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,</para>
      <para>mr E.G. Smedema en mr J.M. van der Vaart als raadsheren, </para>
      <para>en drs. E. Harmsen en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr A.H. Hettema als griffier,</para>
      <para>en op in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De raden en mr J.M. van der Vaart zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>