<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:53:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO9711</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.076.229</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2012/261 met annotatie van G.H. Lankhorst</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:27:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711 Gerechtshof Arnhem , 02-12-2010 / 200.076.229</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoewel de problematische situatie binnen het gezin met 9 kinderen de verwijtbaarheid bij het aangaan van de schulden niet volledig wegneemt, ziet het hof onder de door hem geschetste omstandigheden in dit bijzondere geval aanleiding verzoekers toch toe te te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARN:2010:BO9711:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrest d.d. 2 december 2010</para>
      <para>Zaknummer 200.076.229 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HET GERECHTSHOF ARNHEM</para>
      <para>Nevenzittingsplaats Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest in de zaak van </para>
      <para>1.	[appellant],</para>
      <para>	hierna te noemen: [appellant],</para>
      <para>2.	[appellante],</para>
      <para>	hierna te noemen: [appellante],</para>
      <para>	echtelieden,</para>
      <para>	beiden wonende te [woonplaats],</para>
      <para>	appellanten,</para>
      <para>	hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],</para>
      <para>	advocaat: mr. J.P. van Dijk, kantoorhoudende te Dedemsvaart.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in eerste aanleg</para>
      <para>Bij vonnis van 25 oktober 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, het verzoek van [appellanten] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in hoger beroep</para>
      <para>Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2010, hebben [appellanten] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:</para>
      <para>- een brief, met bijlage, van 2 november 2010, van mr. Van Dijk;</para>
      <para>- een brief, met bijlage, van 3 november 2010, van mr. Van Dijk;</para>
      <para>- een brief, met bijlagen, van 11 november 2010, van mr. Van Dijk;</para>
      <para>- een brief, met bijlagen, van 16 november 2010, van mr. Van Dijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 24 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellanten], bijgestaan door hun advocaat. De advocaat heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotitie.</para>
      <para>De beoordeling</para>
      <para>Aanduiding van het geschil</para>
      <para>1. De rechtbank acht niet aannemelijk dat [appellanten] ten aanzien van het aangaan en onbetaald laten van een lening van € 32.000,-- bij de Voorschotbank en een lening van € 30.000,-- bij de DSB-Bank, te goeder trouw zijn geweest als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Faillissementswet (hierna: Fw), mede gezien het inkomen van [appellant], dat € 1.650,-- per vier weken bedroeg. Hiertoe overweegt de rechtbank - samengevat - dat [appellanten] deze leningen zijn aangegaan, terwijl ze reeds een hoge schuldenlast hadden (te weten twee hypothecaire geldleningen van in totaal € 221.000,--). Het geleende geld hebben [appellanten] gebruikt voor de tuin, huishouding, uitgaven voor hun negen kinderen en voor openstaande rekeningen. De DSB-Bank heeft aangegeven dat, als zij geweten zou hebben van de andere aanvraag voor een lening, zij geen geld zou hebben verstrekt. Volgens de rechtbank had van [appellanten] verwacht mogen worden dat ze het uitgekeerde geld van de tweede lening zouden reserveren en gebruiken voor aflossing, in plaats van dit uit te geven. [appellanten] hebben ter terechtzitting in eerste aanleg ook erkend dat zij wisten dat ze de schulden niet zouden kunnen terugbetalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. [appellanten] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiertegen in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel</para>
      <para>3. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar om dit aannemelijk te maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat [appellanten], van wie alleen [appellant] inkomen uit arbeid (medewerker bij AH-supermarkt) heeft van thans bruto rond de € 2.450,-- per vier weken, in de loop der jaren substantieel meer hebben uitgegeven dan aan eigen inkomsten beschikbaar was. Deze uigaven zijn voor een groot deel aangewend ten behoeve van hun huisvesting en die van hun negen kinderen. Zij waren hiertoe aanvankelijk in staat gesteld door giften c.q. leningen van de moeder van [appellante] en verhogingen van de hypothecaire lening.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De rechtbank heeft terecht zeer grote vraagtekens geplaatst bij de leningen die [appellanten] in november 2007 zijn aangegaan bij respectievelijk de Voorschotbank en de DSB-Bank, elk groot ongeveer € 30.000,-- in hoofdsom.</para>
      <para>[appellanten] hebben hierover tegenstrijdige lezingen afgelegd. Het hof heeft hieruit gedestilleerd dat het voor [appellanten] duidelijk was dat slechts één van beide leningen mogelijk nog door hen op te brengen was (indien daadwerkelijk sprake was van giften van de moeder van [appellante]) en dat het tweede krediet is aangevraagd omdat de beslissing betreffende de toekenning van het eerste krediet lang uitbleef.</para>
      <para>Toen toch beide kredieten werden toegekend en betaalbaar werden gesteld, vertoonde de rekening van [appellanten] bij de betaalbaarstelling van het tweede krediet een roodstand, waardoor [appellanten] dat krediet niet alsnog hebben kunnen retourneren. In plaats daarvan hebben zij dit gedeeltelijk aangewend voor de afbetaling van andere schulden en gedeeltelijk in ieder geval consumptief besteed. </para>
      <para>Met name dat laatste moet [appellanten] ernstig worden aangerekend, evenals het feit dat zij nadien ook een aanvankelijk met genoemde leningen afgeloste creditcardschuld binnen een half jaar weer tot ongeveer het maximum hebben doen oplopen. Zou deze zaak uitsluitend op [appellanten] zelf betrekking hebben, dan zou het hof tot eenzelfde resultaat komen als de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. [appellanten] hebben er evenwel op gewezen dat zij de consumptieve schulden met name ook ten behoeve van hun negen kinderen (variërend in leeftijd van één tot achttien jaar) zijn aangegaan en dat de twee oudste kinderen de nodige (psychische) problemen hebben die de nodige spanningen in het gezin hebben veroorzaakt. De problemen met de kinderen hebben ook reeds tot enige rechterlijke bemoeienis met het gezin geleid.</para>
    <para />
    <para>7. Hoewel deze problematische situatie de verwijtbaarheid bij het aangaan van de hiervoor genoemde schulden niet volledig wegneemt, ziet het hof daarin - en in de penibele situatie die ten gevolge van beslaglegging nu voor het hele gezin dreigt - reden om [appellanten] in dit bijzondere geval toch toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarbij het hof in aanmerking neemt het dreigende leed voor de negen kinderen die op zich niet verantwoordelijk zijn te stellen voor het gedrag van hun ouders en de aanzienlijke maatschappelijke kosten die dreigen bij het uitblijven van enige maatregel ter bestrijding van de schuldenproblematiek van [appellanten] Het hof acht gelet op het voorgaande wel termen aanwezig om reeds thans de duur van de toepassing van de regeling op vijf jaar te bepalen. [appellanten] hebben ter terechtzitting verklaard daarmee in te kunnen stemmen. Voorts acht het hof noodzakelijk dat [appellanten] zich onder stringent budgetbeheer stellen teneinde zoveel mogelijk te verzekeren dat [appellanten] zich aan het in de schuldsaneringsregeling geldende regime houden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Slotsom</para>
      <para>8. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing</para>
      <para>Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en opnieuw beslissende:</para>
      <para>spreekt ten aanzien van [appellanten] voornoemd de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, ter uitvoering van die regeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, voorzitter, J.H. Kuiper en E.F. Groot, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 december 2010 in bijzijn van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>