<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-19T10:19:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BI4266</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">104.004.567</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Module Pacht en landelijk gebied 2009/48</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T04:38:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266 Gerechtshof Arnhem , 12-05-2009 / 104.004.567</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BW 7:363</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op de vordring tot indeplaatsstelling beslist de pachtrechter volgens het derde lid van artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek naar billijkheid. In dat verband zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder ook eventuele tekortkomingen van de zittende pachter(s). Voor zover de voorgestelde pachter mede verwijt treft van zulke tekortkomingen, kan die omstandigheid mede van belang zijn wat betreft de vraag of de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel.</para>
        <para>Inbreng door pachter van gebruik van gepachte is hier tekortkoming, maar in de gegeven omstandigheden onvoldoende ernstig om naar billijkheid aan indeplaatsstelling in de weg te staan. In het verlengde daarvan is ook de omstandigheid dat de voorgestelde pachter van die tekortkoming op de hoogte was, althans had moeten zijn, niet van een zodanig gewicht dat daaruit volgt dat hij niet voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF ARNHEM						</para>
      <para>Sector civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer  104.004.567</para>
    <para />
    <para>arrest van de pachtkamer van  12 mei 2009</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [appellant sub 1],</para>
      <para>    wonende te [woonplaats],</para>
      <para>2. [appellant sub 2],</para>
      <para>    wonende te [woonplaats],</para>
      <para>3. [appellant sub 3],</para>
      <para>    wonende te [woonplaats],</para>
      <para>    appellanten,</para>
      <para>    advocaat: mr. E.H.M. Harbers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[geïntimeerde],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. F.J. Boom.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1	Het geding in eerste aanleg</para>
      <para>	Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 25 april en 10 oktober 	2007 (zoals gecorrigeerd op 13 november 2007), die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector 		kanton, locatie Arnhem, tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als gedaagden en 		geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als een van de eisers heeft gewezen. Van genoemde 		vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2	Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1	[appellanten] hebben bij exploot van 9 november 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd van genoemde 		vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.</para>
      <para>2.2	Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het vonnis van 10 oktober 2007 aangevoerd 	en toegelicht, en hebben zij geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw 		recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vordering tot indeplaatssteling van [persoon A] als pachter 	in de plaats van [geïntimeerde] af zal wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de 		procedure in beide instanties.</para>
      <para>2.3	Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, heeft zij bewijs 		aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof, 		voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt:) [appellanten] in hun hoger beroep 		niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel dat beroep af zal wijzen, en, zo nodig onder verbetering van de 		gronden, de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de 		procedure en daarbij zal bepalen dat daarover wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien de proceskosten 		niet binnen 14 dagen na het te wijzen arrest door [appellanten] aan [geïntimeerde] zullen zijn betaald.</para>
      <para>2.4	Ter zitting van 20 oktober 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, tegelijk met de mondelinge 		behandeling van de zaak met nummer 104.007.968. Voor [appellanten] is het woord gevoerd door mr. 		Harbers voornoemd en voor [geïntimeerde] door Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg. Mr. Harbers heeft 		zich bij die gelegenheid bediend van pleitnotities. </para>
      <para>2.5	Naar aanleiding van een poging van het hof om partijen tot een minnelijke regeling te bewegen, hebben 		partijen vervolgens om aanhouding van de zaak gevraagd.</para>
      <para>2.6	Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3	De vaststaande feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1	Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of 		onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, 		de navolgende feiten vast.</para>
      <para>3.2	Tussen [appellanten] als verpachters enerzijds en [geïntimeerde] en wijlen [persoon B] als pachters 		anderzijds was tot het overlijden van [persoon B]  op 9 maart 2006 een pachtovereenkomst van kracht met 		betrekking tot de percelen kadastraal bekend [...]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4	De motivering van de beslissing in hoger beroep </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1	Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft [geïntimeerde] in dit geding gevorderd dat haar zoon, 		[persoon A], als pachter voor haar in de plaats wordt gesteld. Bij het vonnis van 10 oktober 2007 heeft de 		pachtkamer in eerste aanleg die vordering toegewezen. Daartegen richten zich de grieven.</para>
      <para>4.2	Nu [appellanten] tegen het vonnis van 25 april 2007 geen grieven hebben opgeworpen, zijn zij in hun hoger 		beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk.</para>
      <para>4.3	Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van 		de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Op grond van artikel 68a Overgangswet Nieuw 		Burgerlijk Wetboek heeft het nieuwe recht te dezen onmiddellijke werking. Het hof zal derhalve nieuw recht 		toepassen. Overigens is de regeling van de indeplaatsstelling van art. 7:363 Burgerlijk Wetboek grotendeels 		gelijk aan die van artikel 49 Pachtwet.</para>
      <para>4.4	Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.</para>
      <para>4.5	Op de vordering tot indeplaatsstelling beslist de pachtrechter volgens het derde lid van artikel 7:363 		Burgerlijk Wetboek naar billijkheid. In dat verband zijn alle omstandigheden van het geval van belang, 		waaronder ook eventuele tekortkomingen van de zittende pachter(s). Voor zover de voorgestelde pachter 		mede een verwijt treft van zulke tekortkomingen, kan die omstandigheid mede van belang zijn wat betreft de 		vraag of de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt als 		bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel.</para>
      <para>4.6	De grieven strekken er alle toe dat de vordering tot indeplaatsstelling had moeten worden afgewezen in 		verband met de omstandigheid dat het gepachte, met medeweten van de voorgestelde pachter, door een 		van de toenmalige pachters is ingebracht in een vennootschap onder firma.</para>
      <para>4.7	Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van deze kamer is de pachter gehouden het gepachte 	persoonlijk te gebruiken, in die zin dat hij de dagelijkse leiding over de exploitatie van het gepachte dient te 		behouden. Het staat de pachter niet vrij om het gepachte in te brengen in een maatschap of vennootschap 		onder firma op een zodanige wijze dat hij de zeggenschap over het gepachte verliest omdat hij wat betreft 		besluiten omtrent de exploitatie van het gepachte door zijn medevennoten kan worden overstemd. Het hof 		houdt aan deze rechtspraak vast.</para>
      <para>4.8	Tussen partijen staat vast dat het gebruik van het gepachte is ingebracht in een vennootschap onder firma, 		waarvan behalve de toenmalige pachter [persoon B], ook diens echtgenote en zijn broer [persoon A] (de 		voorgestelde pachter) en diens echtgenote, alsmede de besloten vennootschap met beperkte 			aansprakelijkheid [naam] vennoten waren. [geïntimeerde] was toen feitelijk niet meer bij de exploitatie van 		het gepachte betrokken. Op suggestie van de pachtkamer in eerste aanleg is eerst sinds 30 juli 2007 in de 		maatschapsakte een bepaling opgenomen volgens welke pachters die het gebruik van het door hen 		gepachte inbrengen, zich op ondubbelzinnige wijze de zeggenschap over het gepachte voorbehouden. 		Tegen de achtergrond van hetgeen in de vorige alinea is voorop gesteld, volgt uit een en ander dat de 		pachters tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen zoals die uit de pachtovereenkomst 		voortvloeiden, omdat immers tot 30 juli 2007 de toenmalige (actieve) pachter door zijn medevennoten kon 		worden overstemd.</para>
      <para>4.9	[appellanten] hebben erop gewezen dat pachters aan hen in 2000 een 				concept-pachtwijzigingsovereenkomst hebben gezonden waarin [persoon A] als medepachter werd vermeld, 	en dat naar aanleiding daarvan door [appellanten] afhoudend is gereageerd. Terecht verwijten [appellanten] 		[geïntimeerde], alsook [persoon A] als voorgestelde pachter, dat [geïntimeerde] niet naar aanleiding daarvan 		een vordering tot indeplaatsstelling heeft ingesteld en dat zij in plaats daarvan de zaak op zijn beloop hebben 	gelaten. Daar staat echter tegenover dat [appellanten] naar aanleiding van vragen van het hof 			hebben erkend dat zij als gevolg van de tekortkoming geen enkel concreet nadeel hebben geleden en voorts 		dat het gepachte gelet op zijn omvang in relatie tot de omvang van het totale bedrijf van pachters een 		wezenlijke plaats in hun bedrijfsvoering inneemt, zodat het verlies van het gepachte hen relatief zwaar zou 		treffen. Een en ander afwegende beoordeelt het hof de tekortkoming als onvoldoende ernstig om naar 		billijkheid aan indeplaatsstelling in de weg te staan. In het verlengde daarvan is ook de omstandigheid dat 		de voorgestelde pachter van die tekortkoming op de hoogte was, althans had moeten zijn, niet van een 		zodanig gewicht dat daaruit volgt dat hij niet voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke 			bedrijfsvoering.</para>
      <para>4.10	De slotsom is dat de grieven falen, zodat het vonnis van 10 oktober 2007 dient te worden bekrachtigd. Het 		hof zal [appellanten] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Bij de toepassing van het liquidatietarief 		zal het hof er rekening mee houden dat het pleidooi in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden tegelijk 		met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 104.007.968. In overeenstemming met hetgeen 		[geïntimeerde] heeft verzocht, zal het hof bepalen dat over het bedrag van de proceskosten wettelijke rente zal 	zijn verschuldigd indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na heden door [appellanten] aan [geïntimeerde] zal 		zijn betaald.</para>
      <para>4.11	In overeenstemming met het verzoek van [geïntimeerde] zal het hof zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad 		verklaren. Daarmee geeft het hof geen oordeel over de vatbaarheid van dit arrest voor cassatie in verband 		met het vervallen van artikel 134 Pachtwet per 1 september 2007 en de inwerkingtreding van onder meer 		artikel 1019q Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met ingang van dezelfde datum. Weliswaar heeft de 		Hoge Raad onlangs een beslissing gegeven over het overgangsrecht zoals van toepassing op ten tijde van 		de inwerkingtreding van het nieuwe pachtrecht reeds lopende procedures (beschikking van 19 december 		2008, LJN BG3714, NJ 2009, 22), maar de reikwijdte van die beslissing – die anders dan de onderhavige 		procedure een verlengingsprocedure betrof – is niet geheel zeker.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>5	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
      <para>verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, van 25 april 2007;</para>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, van 10 oktober 2007;</para>
      <para>veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251,— voor griffierecht;</para>
      <para>bepaalt dat over het bedrag van de proceskosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na heden door [appellanten] aan [geïntimeerde] zal zijn betaald, te rekenen vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der voldoening;</para>
      <para>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, A.W. Steeg en A. Smeeïng-van Hees en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2009.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>