<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2026:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-20T06:21:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.352.074</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herroeping">Herroeping</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/407</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3725">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-10T10:56:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2026:3725 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-06-2026 / 200.352.074</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2026:3725:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek herroeping ex art. 382 Rv niet-ontvankelijk: vordering is niet ingesteld binnen de vereiste termijn van drie maanden (art. 383 lid 1 Rv). Ten overvloede: ook grondslag voor herroeping ontbreekt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2026:3725:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof (herroepingsprocedure): 200.352.074</para>
      <para>zaaknummer gerechtshof (hoger beroep): 200.031.888</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 9 juni 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] (de man)</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]  </para>
      <para>advocaat: mr. R.H. van den Beeten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] (de vrouw)</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats2]  </para>
      <para>advocaat: voorheen mr. A.J.M. van Haaren, nu mr. N. van de Gevel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding tot herroeping </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>akte overlegging producties van de zijde van de man met producties 1 tot en met 17</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van repliek</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van dupliek</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een akte overlegging producties van de zijde van de man met productie 18</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2026 is gehouden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op 3 april 2012 heeft het gerechtshof Arnhem arrest gewezen in een zaak tussen partijen die ging over de afwikkeling van het tussen partijen in de huwelijkse voorwaarden opgenomen, maar niet uitgevoerde, periodieke verrekenbeding. Het hof heeft in dat arrest de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 23 april 2008 en 11 maart 2009 vernietigd en opnieuw rechtdoende de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 94.510,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 86.510,66, vanaf 11 maart 2009 tot aan de dag dat is betaald en het meer of anders gevorderde afgewezen. De man vordert herroeping van het arrest. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het hof komt tot het oordeel dat het herroepingsverzoek niet slaagt omdat de vordering te laat is ingesteld en verklaart de man niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De toelichting op de beslissing van het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">juridisch kader (artikel 382 Rv)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 384 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) moet een vordering tot herroeping worden ingesteld bij de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat was in dit geval het hof. Het rechtsmiddel moet ingevolge artikel 383 lid 1 Rv worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De man stelt dat hij in november 2024 zijn administratie in het huis van zijn moeder heeft aangetroffen en hij heeft de vrouw op 3 maart 2025 gedagvaard. Aan voormeld vereiste is dus niet voldaan, omdat de vordering niet is ingesteld binnen de vereiste termijn van drie maanden. Dat de man zijn vordering eerst bij verzoekschrift heeft ingediend en na intrekking daarvan de vordering opnieuw bij dagvaarding aanhangig heeft gemaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de verzoekschriftenprocedure heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herroeping, omdat de man dat verzoek had ingetrokken (beschikking hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2025); in die procedure kon het hof vanwege de intrekking door de man van zijn verzoek de wisselbepaling van artikel 69 Rv niet toepassen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt het hof dat ook de vervolgroute van artikel 382 Rv niet tot heropening van de procedure had kunnen leiden, nu een grondslag voor herroeping ontbreekt. Alleen in de gevallen die in artikel 382 Rv zijn opgesomd, staat het buitengewone rechtsmiddel van herroeping open. De man onderkent dat de onderhavige situatie niet rechtstreeks past onder één van de gronden van artikel 382 Rv, maar meent dat sprake is van een buitenwettelijke grondslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De man beroept zich op bewijsnood ontstaan door wijziging van de wet waarop niet geanticipeerd kon worden, maar die volgens hem wel past in de systematiek van de door de wetgever beoogde herzieningsmogelijkheid. Hij voert daartoe aan dat hij en zijn boekhouder zich sinds het sluiten van het huwelijk nooit hebben gerealiseerd dat er ooit een wetsbepaling zou komen die bij het niet toepassen van het verrekenbeding hem zou verplichten om aan te tonen dat aan het begin van het huwelijk er vermogen op zijn naam stond. Kort samengevat kon hij in 1989 (het jaar waarin partijen trouwden) en de jaren daarna niet op bedacht zijn dat hij jaarstukken zou moeten bewaren, aldus de man. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het hof kan de man in zijn betoog niet volgen. De man is destijds door de rechtbank en door het hof voldoende in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Daar heeft hij onvoldoende voor gedaan. Dat betekent dat van bewijsnood geen sprake is (geweest). De man en zijn onderneming waren destijds (1989) gedomicilieerd bij zijn moeder. De man ontving de betreffende stukken (jaarstukken van zijn B.V. over 1989 en de jaren daaromheen) van zijn onderneming dus op dit adres. Ter zitting heeft de man dat ook verklaard en ook dat hij die stukken daar inzag en bij zijn verhuizing met de vrouw deze stukken (kennelijk) niet heeft meegenomen maar zich kan herinneren dat hij de stukken ook niet heeft weggegooid. Het had voor de hand gelegen dat hij, tijdens de procedure bij de rechtbank en daarna bij het hof, navraag bij zijn moeder had gedaan of de stukken er nog waren. Dat de man dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico, nu immers het vinden van nader bewijs op zich nog geen grond oplevert om de eenmaal afgesloten procedure weer te kunnen openen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Omdat de man in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in deze herroepingsprocedure veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.<footnote-ref linkend="_b518bf78-c679-4ab2-8698-9ef14e114637" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De kosten van de vrouw worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht € 362</para>
      <para>- salaris advocaat (3 punten x tarief II ad. € 1.290 =) € 3.870</para>
      <para>totaal € 4.232.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verklaart de man niet-ontvankelijk, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar  proceskosten tot vandaag begroot op € 4.232, maar ook tot betaling van de nakosten,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente, en</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.F. van Vugt, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_b518bf78-c679-4ab2-8698-9ef14e114637" label="1">
    <para>HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>